Bezuinigingen Essay Het land van Rutte

Als mieren in het gras

De middenpartijen CDA, PvdA en VVD scharrelen rond in onzekerheid, zowel over hun inhoudelijke verhaal als over hun visie op de staat. Leverden voorgaande kabinetten zich al over aan het marktdenken, pas in Halbe Zijlstra’s cultuurbeleid toont zich het harde liberalisme in al zijn naaktheid.

Medium cultuurbommen

DE NIEUWSGIERIGHEID VAN DE NEDERLANDSE STAAT naar de burgers is groot. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid lijdt de overheid aan ‘verzamelwoede’ in het vergaren en opslaan van privé-gegevens van burgers, om hen beter in het oog te kunnen houden. 'Argumenten om meer informatie te verzamelen zijn sneller gevonden dan argumenten om de nieuwsgierigheid in te perken’, schreef de WRR dit voorjaar in het rapport iOverheid.
De affaire rond het nieuwe biometrisch paspoort is tekenend voor de eigen dynamiek die deze verzamelwoede met zich meebrengt, waardoor het staatsapparaat soms niet te stoppen lijkt. Een hoorzitting van de Tweede Kamer gaf een ontluisterend beeld van een voortdenderende bureaucratie, in de hoedanigheid van het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten. De BPR was gevallen voor de verleidelijke gedachte dat het nieuwe paspoort de gelegenheid bood een waterdicht systeem ter beveiliging van staat en burger op te bouwen. Dat maakte de betrokken ambtenaren doof en blind voor waarschuwingen dat zij een illusie najoegen. Scepsis over het totaalpaspoort was bij het agentschap onwelkom en ongewenst, zo getuigden externe deskundigen voor de Kamer, en critici werd daarom het gat van de deur gewezen.
Onder druk van de Kamer voerde de verantwoordelijke minister, Piet Hein Donner, ten langen leste een noodstop uit door de vernietiging te gelasten van de vijf miljoen vingerafdrukken die al in databanken waren opgeslagen. Tekenend voor de eigenrichting van een bureaucratie die zich door haar doel laat verblinden is dat Donner nu onderzoekt of de ambtenaren van het agentschap hun onwelgevallige informatie voor hem hebben achtergehouden.
'Instrumenteel denken over technologie is op z'n best naïef en op z'n slechtst schadelijk’, schrijft de WRR dan ook in een algemene beschouwing over dit fenomeen. De paspoortkwestie laat zien hoe een eigenmachtig opererend staatsapparaat in zijn streven naar meer controle de burgers dicht op de lippen kan zitten. Alexis de Tocqueville, een van de grote denkers over democratie, muntte de term 'mild despotisme’ voor dit verschijnsel. Hoewel nationale overheden in zijn tijd (1805-1859) vele malen kleiner waren dan nu, voorzag hij al hoe de staat in ruil voor zijn uitdijende dienstverlening een alziend oog op burgers zou willen werpen. Dat fenomeen ontstaat geleidelijk, in de niches van de bureaucratie, onttrokken aan directe controle door de politiek en de publieke opinie. Stilletjes aan ontwikkelt zich een in zichzelf gekeerd systeem, waarin het kritische tegengeluid nog maar gedempt klinkt of zelfs wordt gesmoord.
Hoe geleidelijk dat systeem wellicht ook vorm krijgt, het dringt wel dieper en dieper het privé-leven binnen. Zeker wanneer burgers vragen om meer veiligheid zal de staat ertoe neigen hen nauwlettender in het oog te houden en zijn 'verzamelwoede’ in het vergaren van hun gegevens de vrije loop laten. Het patroon is steeds hetzelfde. Naarmate mensen zich afhankelijker maken van de overheid zal deze in ruil voor de ondersteunende hand een steeds verfijndere surveillance inzetten. Volgens de bestuurskundige Albert Jan Kruiter storen burgers zich daar in het algemeen niet echt aan. Het gemak van de diensten die de overheid hun levert weegt zwaarder dan het verlies van vrijheid.
In zijn dissertatie Mild despotisme, een studie naar de actualiteit van Tocqueville, laat Kruiter zien dat het patroon van burgers die van overheidsdiensten profiteren en in ruil een toenemende controle accepteren zich ook manifesteert in de vriendelijke gedaante van sociaal beleid. Sinds de introductie van het persoonsgebonden budget (pgb) in de overheidszorg ontdekken inventieve burgers hoe zij diensten die zij vroeger onderling, in de vriendschappelijke sfeer afspraken nu bij de overheid in rekening kunnen brengen, zoals boodschappen doen voor de buren of oppassen op de kleinkinderen. Grootouders mogen de kaartjes voor een dierentuinbezoek ten laste van hun persoonsgebonden budget brengen, zo achterhaalde Kruiter, maar daarbij houdt de staat zich uit het oogpunt van fraudebestrijding wel het recht voor te controleren waarheen de reis gaat, welke dierentuin opa en oma bezoeken en hoe lang het bezoek duurt.
Zo kan ook een politiek van goede bedoelingen ontaarden in mild despotisme. In zijn studie komt Kruiter dan ook tot de conclusie dat het despotisme zich niet in alle klaarheid manifesteert in een dictator of een autoritaire leider. Het schuilt, meer verholen, in het systeem, hoe vriendelijk dat wellicht ook oogt.
Dat neemt niet weg dat een politicus die zich meester maakt van dat systeem grote macht over mensen kan verwerven. De urgentie daarvoor waakzaam te zijn is groot, zeker nu zich met de PVV een partij in het bestel heeft genesteld die geen geduld heeft met afwijkende minderheden. In handen van zo'n groepering zal het systeem van het milde despotisme zo mild niet meer wezen en het recht van de sterkste gelden.
Een voorproefje daarvan biedt het verschijnsel van een overheid die kaartjescontroleurs in de tram inzet om vreemdelingen op de legaliteit van hun verblijf te controleren, of die met dankbaarheid profiteert van burgers die als dienstwillige dienaren van de autoriteiten hun illegale buren erbij lappen. In het jaarverslag 2010 van het overheidsorgaan dat toeziet op de uitzetting van illegalen staat dat veel vreemdelingen dankzij 'verkregen tips’ worden aangehouden. Achter dat zinnetje gaat bijvoorbeeld het Soedanese gezin in het rijtjeshuis schuil, van wie de man een verblijfsstatus had en de vrouw niet. Buren gaven de vrouw aan en zij wacht nu in een gesloten verblijf op uitzetting. In Nederland blijft een uiteengescheurd gezin achter (De Groene Amsterdammer, 11 mei). Straks wordt dat verklikken een soort burgerplicht, als de coalitie van VVD, CDA en PVV haar zin krijgt en illegaliteit strafbaar wordt.

EEN BUFFER TEGEN HET RISICO van het milde despotisme vereist dat de staat een kritische afstand tot de burgers in acht neemt. Tussen hen en de staat is lucht nodig, in de beeldspraak van wetenschapsfilosoof Huub Dijstelbloem, anders kunnen ze het knap benauwd krijgen (De Groene Amsterdammer, 30 maart). Het andere uiterste is een maatschappij zonder staat. De zeventiende-eeuwse filosoof Thomas Hobbes onderkende in zijn hoofdwerk Leviathan al dat zo'n samenleving onleefbaar is, bij gebrek aan wetten, procedures en instituties waarin de staat voorziet met het oog op het behoud van vreedzame verhoudingen. Zonder staat zou het menselijk leven 'poor, nasty, brutish and short’ zijn, schreef Hobbes.
Sindsdien zijn de reikwijdte van de staat en de vraag welke publieke taken hem toekomen kernvraagstukken in de filosofie van de democratie. Politieke partijen krijgen alleen vaste grond onder de voeten als zij naast een doordachte ideologie een staatsvisie ontwikkelen en deze ook bijdetijds en scherp houden. Zo disciplineren zij zichzelf in het denken over de begrenzing van de staatsmacht en over de verhouding van de staatsinstituties tot de burgers. In combinatie met een richtinggevende ideologie geeft dat inhoudelijke stevigheid en zelfbewustzijn.
Niettemin verwaarlozen de drie hoofdstromen in de politiek zowel hun ideologische fundament als hun ideeënvorming over de rol van de staat. Het houdt sociaal-democraten noch liberalen en christen-democraten erg bezig. Hooguit de omvang van de staat en van het staatsbudget is onderwerp van discussie, niet zijn taken. Dat constateert ook de vice-president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, in zijn traditionele jaarlijkse beschouwing over politiek en bestuur: 'De financieel-economische rationaliteit staat voorop, niet de politieke visie op het algemeen belang, het antwoord op de vraag waar het met de maatschappij heen moet en de rol van de overheid daarin.’
Voorzover de 'crisis van het midden’, waarover wordt gesproken vanwege de neergang van de volkspartijen VVD, PVDA en CDA, een inhoudelijke component heeft, doelen waarnemers doorgaans op de lege ideologische ransel van de drie partijen. Maar de crisis van het politieke midden wordt ook getekend door het gebrek aan een disciplinerende redenering over de afstand die de staat tot de samenleving moet bewaren. Dat is een gemeenschappelijk probleem van VVD, PVDA en CDA. Hun consistentie en standvastigheid lijden onder dat gebrek aan een dwingende staatsvisie. In een beeldspraak van de politiek-filosoof Frank Ankersmit scharrelen ze als mieren door het gras, zonder dat een van hen nog een overzicht over het gehele gazon heeft.
Mede daardoor laten de middenpartijen, ooit de steunberen van het Nederlandse bestel, zich gemakkelijker op sleeptouw nemen door de partij die zij als hun grootste concurrent beschouwen. Zeker voor VVD en CDA geldt dat zij behalve elkaar ook de PVV als zodanig beschouwen.
De staatvisie van de rechts-populisten is simpelweg dat de staat het volk zoveel mogelijk moet beschermen, tegen onveiligheid, tegen non-conformisten, tegen ontslag, tegen Griekenland, en de burgers verder met rust moet laten, tenzij het moslims zijn. Wát het volk als een bedreiging beschouwt is in de ogen van de PVV uiteraard hetzelfde als wat leider Geert Wilders als een bedreiging ziet. Onder deze invloed kan de programmatische wendbaarheid die de middenpartijen eigen is verkeren in opportunisme. Tekenend is de uitspraak waarmee VVD -minister Melanie Schultz van Haegen verdedigt waarom het kabinet-Rutte met zijn beleid inspeelt op gevoelens van angst en onveiligheid bij kiezers: 'Veel mensen willen dat alles en iedereen waar we onzeker van raken aangepakt wordt.’ Vergelijkbaar zijn de woorden waarmee CDA-minister Gerd Leers de compromissen van de christen-democraten met de rechts-populisten rechtvaardigt: 'De PVV spreekt naar de harten van mensen.’ Zijn geestverwant Hans Hillen meent dat het CDA naar de 'tijdgeest’ heeft geluisterd door de coalitie met de PVV aan te gaan.
Die uitspraken stempelen hen als 'zwevende politici’. In de jaarlijkse lezing voor de Thorbeckevereniging muntte de christen-democraat Ernst Hirsch Ballin die term onlangs voor politici die menen dat zij de zorgen van mensen serieus nemen door hen naar de mond te praten. Een politicus moet die zorgen altijd ernstig nemen, dat spreekt vanzelf, maar dat kan volgens Hirsch Ballin óók betekenen dat hij de kiezers wijst op de 'ongemakkelijke realiteit’ van een veranderende, complexe wereld, die hij niet in een handomdraai ongedaan kan maken. Een politicus is geen willoze uitvoerder. Het kenmerk van het ambt is nu juist dat hij zich met een eigen wil, gebaseerd op een eigen politiek verhaal, aan de kiezers presenteert. Op grond daarvan vraagt hij hun vertrouwen om in weerbarstige kwesties tegenstrijdige belangen af te wegen. Anders wordt de politiek 'een offerfeest van politieke overtuigingen’, in de woorden van Thorbecke.
Het vuurtje van dat offerfeest blijft branden als gevolg van de ideologische verwaarlozing en de wispelturigheid in het denken van VVD, PVDA en CDA over de rol en de begrenzing van de staat. Zij ontberen daardoor een ruggensteun om langetermijnbelangen openlijk af te wegen tegen het directe eigenbelang van burgers.

DE VERWAARLOZING VAN DE STAATSVISIE in de drie politieke hoofdstromen wordt geleidelijk aan goed zichtbaar vanaf 1989. Na de val van de Muur en het bankroet van de socialistische regimes is de zege aan de markt, óók in de politiek. Een korte blik in de recente geschiedenis van VVD, PVDA en CDA laat zien hoe het opkomende marktdenken gepaard gaat met een verarming van de ideologie en de visie op de staat.
'We’re all liberals, now!’ riep de VVD triomfantelijk na de omwenteling in het Oostblok. Voor de liberalen hoefde er nu geen twijfel meer te bestaan over de superioriteit van hun ideologie, waarvan staatsonthouding het kernpunt is. Niettemin raakte de VVD spoedig in verwarring over de reikwijdte van de staat, nu niet meer de economie maar veiligheid, etnische verschillen en religie het brandpunt van de politieke tegenstellingen vormden. Gaandeweg, naarmate zij de multiculturele samenleving als een groter probleem ervoeren, omarmden de liberalen de staat als een ordebrengende macht.
Tekenend is het pleidooi van VVD-Kamerlid Jeanine Hennis-Plasschaert om het hoofddoekje en andere religieuze symbolen achter de stadhuisbalie te verbieden, als eerste stap op weg naar een verbanning van religieus getinte dracht op scholen en universiteiten. Zij is niet de eerste in liberale kring die de staat zo'n grote reikwijdte toekent. Als Kamerlid zag Ayaan Hirsi Ali voor de overheid een taak weggelegd in het verordonneren waar 'opzichtige religieuze tekens’ gedragen mogen worden en waar niet. Volgens de VVD-fractie is deze wending naar meer staatsmacht gelegitimeerd om de 'onderdrukking van een cultuur of een religie’ mogelijk te maken, mocht dat nodig zijn om een individu te bevrijden. De fractie schreef dat in haar integratienota van 2004. In die visie is een hoofddoekjesverbod een bevrijding van de moslimmeisjes, ook al is het dan onder dwang. De liberalen achten deze repressie gerechtvaardigd omdat zij de 'morele waarheid’ aan hun kant menen te hebben, in de woorden van Frits Bolkestein.
In samenspraak met de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, legde Bolkestein halverwege de jaren negentig de bouwstenen voor deze visie. Volgens hem mochten liberalen over het wenselijke gedrag van mensen moraliseren, mede op grond van de overtuiging dat de westerse cultuur superieur is. 'Er is een moraliserende omgeving en soms een moraliserende overheid nodig om te voorkomen dat individuen ontsporen’, zei de toenmalige directeur van de Teldersstichting Klaas Groenveld. Rechtsfilosoof Paul Cliteur, destijds een van de fluisteraars van Bolkestein, meende dat nu de samenleving door immigratie onder druk staat de overheid verder mag gaan in het disciplineren van gemeenschappen dan voorheen: 'In deze historische fase is het stimuleren van religieuze en etnische pluriformiteit misschien niet de meest verstandige overheidsstrategie.’
Destijds ontstond er in de VVD nog een interne brand over deze zienswijze, waarin de grenzen van de vrijheid en daarmee de kernwaarden van de liberale ideologie ter discussie stonden. De stilte die in liberale kring volgde op Hennis’ pleidooi voor het hoofddoekjesverbod in het stadhuis duidt erop dat er onder liberalen nu meer consensus bestaat over de ordescheppende rol van de staat in de multiculturele samenleving. De staat mag dan geen 'geluksmachine’ zijn, zoals premier Rutte niet nalaat te beklemtonen, in handen van de liberalen dreigt hij wel te veranderen in een 'disciplineringsmachine’, in de woorden van bestuurskundige Paul Frissen.
Het is evident dat de PVDA van slag raakte van de mislukking van het 'reëel bestaande socialisme’ in 1989, hoezeer het dictatoriale staatsdirigisme van de sovjetcommunisten ook afweek van de sociaal-democratie. Er ontstond een wat schizofrene toestand in de PVDA. Aan de ene kant wendde zij zich naar de markt en vierde zij in 1998 een electorale triomf met een regeringscoalitie met de liberalen, aan de andere kant bleef het onbehagen over het loslaten van de ideologische veren knagen. Het bestaan deed de sociaal-democraten des te meer pijn omdat zij de noodzaak van een hervorming van de verzorgingsstaat onder ogen moesten zien. Nederlandse sociaal-democraten schoven ongemakkelijk op hun stoel bij de wending die de Britse geestverwanten naar New Labour maakten, zeker toen een spraakmakende representant van die beweging, Peter Mandelson, belastingverhoging voor de hogere inkomens als oud-linkse politiek veroordeelde met de uitspraak: 'I’m totally relaxed about people becoming filthy rich.’
Het lijdt geen twijfel dat het onbehagen in de PVDA mede voortkwam uit de ineenkrimpende sturingsmacht van de overheid, waarvoor de sociaal-democraten met het beleid van privatiseren en verzelfstandigen medeverantwoordelijkheid droegen. Er ontstonden allerlei hybride, publiek-private organisaties, belast met publieke taken maar onttrokken aan de publieke controle. Daardoor groeide de discrepantie tussen de verwachtingen die burgers van de overheid hebben, zeker in tijden van crisis, en wat deze daadwerkelijk nog vermag. 'De staat heeft zijn boedel opgeruimd en elders opgeslagen en laat het dagelijks beheer aan anderen over’, aldus Huub Dijstelbloem in De Gids.
Volgens hem is de gestoorde relatie tussen ongedurige, veeleisende burgers en een onder de maat presterende overheid niet zonder gevaar voor de democratie als het contrast tussen woorden en daden groter wordt. Het is bewindslieden eigen hun imago te vestigen op krachtige taal en grote woorden over daadkracht. Zij zullen daarom niet gauw toegeven dat zij machteloos staan als hun wordt gevraagd actie te ondernemen om de zorgen van burgers weg te nemen. Dijstelbloem: 'Het politieke debat krijgt zo veel weg van een schijngevecht. Zowel politicus als burger weet dat de staat hem is ontglipt, maar de eerste verliest zijn bestaansrecht en de tweede zijn democratische betrokkenheid als hij dat toegeeft.’
Het CDA heeft zijn ideologie gebaseerd op het vermijden van de overlevering aan de markt zowel als aan de staat, door te vertrouwen op de zelfredzaamheid van burgers en hun eigen organisaties. In de zienswijze van de christen-democratie heeft de verzorgingsstaat het initiatief aan de maatschappij ontnomen. Mensen hebben geen verantwoordelijkheden meer jegens elkaar, alleen nog afdwingbare rechten bij de overheid. Daardoor is het cement verdwenen uit de maatschappelijke verbanden waarin burgers zich vanouds verenigden om gemeenschapsvoorzieningen in de zorg, het onderwijs, de cultuur en het wonen op peil te houden. De staat heeft de samenleving opgegeten, citeerde oud-premier Jan Peter Balkenende ooit de Franse socioloog Alain Touraine, en zo het burgerschap ondermijnd.
Naast de noodzaak om de kosten van de overheid terug te dringen, had Balkenende daarom ook een moreel doel met de ontmanteling van de verzorgingsstaat. Hij wilde mensen meer verantwoordelijkheid voor hun eigen bestaan geven, hun positie tegenover de staat versterken en een 'nieuw arbeidsethos’ vestigen, bepaald door deugden als gemeenschapszin en ijver. Daarmee gaf Balkenende, in zijn jeugd te Kapelle gevormd met de idee van Abraham Kuyper dat 'ge bij den chocoladeketel en water- en melkkaraf geen geslacht van kloeke calvinisten kweekt’, de ontmanteling van de verzorgingsstaat de trekken van een cultuurstrijd.
In de praktijk van acht jaar Balkenende heeft de overdracht van deze verantwoordelijkheden zich evenwel vooral voltrokken van de staat naar de markt, niet naar de maatschappij. Voorzover Balkenende hoopte met het beleid van deregulering een vruchtbare voedingsbodem te creëren voor nieuw particulier initiatief, een spontaan proces waarin burgers zich opnieuw organiseren, is dat niet of nauwelijks van de grond gekomen. Het gevolg is dat in plaats van de hiërarchische overheidsstructuur die het eigen initiatief zo ontmoedigde nu de marktcultuur greep heeft gekregen op de zorg, het onderwijs, de cultuur, het wonen. Hoe christen-democratisch het verhaal achter het beleid soms ook klonk, de uitkomst was eerder neoliberaal.

DIE LIBERALE DOMINANTE wordt opnieuw duidelijk in het bezuinigingsbeleid van het kabinet-Rutte. Het harde marktliberalisme van de VVD domineert en het CDA is bij gebrek aan ideologische standvastigheid niet bij machte tot weerwerk.
In het cultuurbeleid van staatssecretaris Halbe Zijlstra is dat marktliberalisme onbewimpeld. Typerend is de sluipenderwijs veranderde functie die de VVD-bewindsman aan subsidies toekent. Subsidie dient niet meer om activiteiten in stand te houden die zonder financiële steun niet zouden bestaan, op grond van het algemeen belang die de kunsten voor de geestelijke rijkdom van een samenleving hebben. In het beleid van Zijlstra heeft subsidie het karakter van een bonus voor goed presterende culturele instellingen gekregen. Daartoe is het nieuwe subsidiecriterium spiegelbeeldig aan het oude. Voorheen was subsidie bedoeld voor kunstuitingen die hoog gegrepen zijn, een beroep doen op ontvankelijkheid voor het onbekende bij het publiek en daardoor nooit een groot bereik zullen hebben. Nu geldt juist dat een theater of museum eerder verzekerd is van subsidie naarmate er méér publiek op af komt. Deze sluipende introductie van het bonusstelsel in het culturele leven is een triomf van het marktdenken.
De bezuiniging op het persoonsgebonden budget in de zorg (pgb) laat zich op het eerste gezicht minder goed rijmen met liberale beginselen. Met het pgb verstrekt de overheid geld aan zorgbehoevenden om zelf en naar eigen keuze zorg 'in te kopen’. Het ideologische beginsel achter dit systeem is dat het de verantwoordelijkheid voor het regelen van de zorg bij mensen zelf legt. Ideaal geformuleerd is de passieve hulpbehoevende van destijds nu een actieve werkgever van de eigen zorgverleners, overeenkomstig liberale marktwetten. Toch is de vergaande ingreep in het pgb die het kabinet zich heeft voorgenomen vanuit liberaal perspectief goed verdedigbaar. Het ondernemerschap van de zorgbehoevende gaat immers geheel op kosten van de overheid, niet voor eigen rekening. Ondernemen met staatsmiddelen is geen liberaal principe, bij gebrek aan een prikkel efficiënt met het geld om te gaan.
Vanuit het oogpunt van het CDA is de steun voor het kabinetsvoorstel het pgb te minimaliseren evenwel onbegrijpelijk. Voor de christen-democraten verbeeldde het persoonsgebonden budget de omslag naar een zorgstelsel waarin de vraag van de patiënt bepalend is voor het aanbod. Veeleer dan individuen zijn burgers in het politieke denken van christen-democraten betrokkenen in een gemeenschap, als ouder op een school, als vrijwilliger in een vereniging, als deelgenoot in een zorgrelatie. Mede daarom wil het CDA verantwoordelijkheden op een zo laag mogelijk niveau leggen, als het kan bij de burgers zelf. Dat principe staat voorop, waarbij christen-democraten het minder dan liberalen van belang achten uit welke bron de geldmiddelen komen die mensen tot het nemen van die verantwoordelijkheid in staat stellen.
Op grond van zijn principes kan het CDA de decimering van het pgb dan ook niet verdedigen. Veeleer dan christen-democratische beginselen lijkt de terugdringing van de staatsschuld het belangrijkste criterium waarop het CDA het bezuinigingsbeleid van het kabinet beoordeelt. Tekenend is dat Sybrand van Haersma Buma alleen wil worden 'afgerekend’ op de crisisbestrijding. Dat antwoordde hij op de vraag van Een vandaag waarom hij als CDA-fractieleider zo weinig zichtbaar is.
Deze ideologische verklaring van armoede versterkt de twijfel of het CDA er na de zware nederlaag van vorig jaar niet verstandiger aan zou hebben gedaan te kiezen voor de mogelijkheid van een herbronning in de oppositie. In het regeringsbeleid zijn de principiële uitgangspunten van de christen-democraten nagenoeg onzichtbaar, tenzij financiële gestrengheid tegenwoordig de kern van het gedachtegoed is.

ZO DRINGT ZICH Ankersmits beeld van de mieren in het gras op. De drie volkspartijen scharrelen rond in onzekerheid, zowel over hun inhoudelijke verhaal als over hun visie op de staat. Door de verwaarlozing van hun ideologie lijden ze aan een onvoldragen ideaalvisie op de samenleving, aan de hand waarvan zij hun politieke prioriteiten kunnen rangschikken. Door de gebrekkige staatsvisie verkeren ze in onzekerheid over de maatschappelijke ordening waarbinnen dat politieke ideaal gestalte kan krijgen.
En onzekere politici zijn geneigd meer te beloven dan ze kunnen waarmaken. Zij kunnen gevangen raken in een vicieuze spiraal, waarin de cirkelgang wordt gevormd door burgers die prestaties van de staat eisen, politici die hun beloven die te leveren maar dat niet kunnen bij gebrek aan sturing over de staat, burgers die daardoor teleurgesteld zijn en opnieuw eisen stellen. Politici komen zo in de verleiding de agentschappen en andere uitvoeringsorganisaties die tegenwoordig met publieke taken zijn belast met steeds meer bevoegdheden, regels en controlefaciliteiten op te tuigen. Dat is een recept voor mild despotisme.