Hoe nu verder?: Olivia Rutazibwa

Als passagier in plaats van chauffeur

Volgens de Belgisch-Rwandese politicoloog Olivia Rutazibwa is ontwikkelingssamenwerking een voortzetting van het koloniale systeem en daarom gedoemd om te blijven falen. Het zuiden heeft geen ‘hulp’ nodig, maar ‘herstel’.

Olivia Rutazibwa – ‘Afrikaanse landen beschikken over grondstoffen waar wij afhankelijk van zijn, en hebben dus macht’ © Diego Franssens

Na een dertien jaar durende slavenopstand versloeg Haïti in 1804 het napoleontische leger en verklaarde zichzelf onafhankelijk. De ‘Parel van de Antillen’ werd het eerste postkoloniale zwarte land ter wereld. Maar de vreugde was van korte duur. Het succes van de Haïtiaanse Revolutie boezemde de andere koloniale grootmachten zo’n angst in dat ze besloten Haïti te isoleren. En toen was Frankrijk daar weer, als ‘reddende engel’.

Het voormalige moederland zou het economische en politieke isolement laten stoppen als de Haïtianen akkoord gingen met een herstelbetaling van 150 miljoen francs – omgerekend nu zo’n twintig miljard dollar – voor het economisch verlies van de tot slaaf gemaakten en de suikerplantages. Met het mes op de keel had het eiland geen andere keuze dan de chantage verpakt als compromis te aanvaarden. Het zou 122 jaar duren voordat ze het bedrag zouden aflossen. Vandaag behoort Haïti – mede door de opgebouwde rente voor de herstelbetalingen – tot de armste landen ter wereld.

Het is slechts een van de vele voorbeelden die laten zien dat de structurele ongelijkheid tussen noord en zuid niet los te koppelen is van het koloniale verleden. ‘De vraag is niet “waarom werkt ontwikkelingssamenwerking niet?”, maar “hoe is ongelijkheid tot stand gekomen en hoe wordt ze in stand gehouden?” En dan kom je automatisch uit bij de koloniale ideologie en geschiedenis’, zegt Olivia Rutazibwa, docent Europese en internationale studies aan de Universiteit van Portsmouth. ‘Ik wil ontwikkelingssamenwerking niet hervormen. Ik wil het ontmantelen’, klinkt het overtuigd.

De Belgisch-Rwandese onderzoeker, geboren in Brussel in 1979, was een van de eerste denkers die het begrip ‘dekoloniseren’ in Vlaanderen introduceerden. Via een Zoom-verbinding spreekt ze vanaf een afgesloten campus van de Universiteit van Johannesburg in Zuid-Afrika. In februari vertrok ze nietsvermoedend op schrijfresidentie voor een boek over ‘antikoloniale solidariteit’ – haar belangrijkste onderzoeksveld. Een maand later sloot Zuid-Afrika in de strijd tegen Covid-19 het luchtruim en voerde strikte lockdownmaatregelen in. ‘Op de campus wordt goed voor ons gezorgd, maar voor de mensen daarbuiten is het moeilijk. De beperkte toegang tot voedsel leidde al tot onrust op straat. In de armere buurten heerst meer angst voor honger dan voor het virus’, vertelt ze.

Al vroeg in haar leven raakte Rutazibwa gefascineerd door vragen over vrede, conflict en mensenrechten. ‘De genocide in Rwanda herinner ik me als tiener vanop afstand in België. Ik wist dat het catastrofaal was. Ik heb mensen verloren die ik had moeten ontmoeten. Zoals mijn grootouders. Ik wilde een antwoord op de vraag hoe zoiets kon gebeuren, ondanks alles wat we na de Tweede Wereldoorlog hebben opgebouwd om herhaling van zo’n volkerenmoord te voorkomen. De Verenigde Naties, universele mensenrechten, wat betekende het nog allemaal?’

Die behoefte om de genocide te begrijpen leidde haar naar een studie internationale betrekkingen. ‘Wanneer mensen mij zien, hebben ze meteen bepaalde ideeën en vooroordelen. Ik groeide dus op met het gevoel dat ik anderen moest geruststellen dat ik niet anders was.’ Rutazibwa belandde op haar vijfde in een Vlaams pleeggezin. ‘Ik ben in een Vlaams nest opgevoed, dus ik had weinig culturele input uit Rwanda in mijn dagelijks leven. Ik moest er zelf naar op zoek gaan.’ Door de genocide duurde het tot 2004 voordat ze het land van haar ouders voor het eerst kon bezoeken. Ze was toen net aan een scriptie over ethisch buitenlands beleid van de Europese Unie in Afrika begonnen.

Tijdens haar promotieonderzoek aan het Europees Universitair Instituut in Florence en de Universiteit Gent kreeg Rutazibwa een inzicht dat haar kijk op internationale betrekkingen blijvend zou veranderen. ‘Ik besefte dat mijn onderzoeksvraag verkeerd zat. Ik was gefocust op Europese interventies, maar wat gebeurt er als Europa afwezig is? Daar is weinig over bekend.’ Niet toevallig is Rwanda zo’n casus. Tijdens de genocide in 1994 greep de internationale gemeenschap niet in, waardoor het land een sterk gevoel van zelfredzaamheid heeft ontwikkeld. ‘Rwanda aanvaardt nog “hulp”, maar ze bepalen zelf de voorwaarden. Dat creëert een ander soort machtsdynamiek.’

Ook zelfverklaard onafhankelijk Somaliland, dat haar eigen vredesconferenties organiseerde, is zo’n voorbeeld. ‘Het Westen investeert grote bedragen in vredesprocessen. Zij bepalen dan wie er mee mag doen, op welke voorwaarden en op welke locatie – meestal is dat een voor hen makkelijk toegankelijke stad zoals Nairobi of Addis Abeba. Pas na het proces wordt de bevolking ingelicht, waardoor de beslissingen niet breed gedragen worden.’ We moeten ons dus niet afvragen wat we méér moeten doen, maar of we daar überhaupt moeten zijn. ‘Het historisch bewijs dat onze aanwezigheid en hulp in het zuiden duurzame oplossingen biedt, ontbreekt volledig.’

U stelt dat de huidige vorm van ontwikkelingssamenwerking een voortzetting is van het koloniale systeem. Hoezo?

‘Ontwikkelingssamenwerking staat ideologisch gezien niet ver af van de lange geschiedenis van de exploitatie en de handel van grondstoffen en mensen, wat geleid heeft tot de grote ongelijkheid tussen noord en zuid vandaag. Zo’n uitbuitingssysteem heeft een welwillend kantje nodig om het idee van een moreel superieur Westen in leven te houden. Vroeger was dat de beschavingsmissie of de “white man’s burden”. Ontwikkelingssamenwerking is de postkoloniale versie ervan. De hulprelatie garandeert onze aanwezigheid in het zuiden. Rijke landen bieden “hulp” – een totaal ongepast woord in deze context – en in ruil daarvoor kunnen zij verregaande macht uitoefenen. Ontwikkelingssamenwerking is dus een lange termijn aanwezigheidspolitiek om blijvende controle in de regio uit te oefenen. Het geld, samen met de ideologie van westerse superioriteit, legitimeert immers dat je beslissingen kunt nemen voor hen.’

Heeft de sector dan geen ontwikkelingen doorgemaakt de afgelopen jaren?

‘Jawel, er zijn zeker verschuivingen geweest. We zijn van een centraal bestuur met een top-down benadering naar een filosofie van grassroots en partnerschappen met lokale actoren gegaan. Dat heeft het idee dat wij in het Westen altijd de antwoorden hebben aan de orde gesteld. Maar de macht blijft geconcentreerd. Als een systeem na zestig jaar nog steeds niet effectief blijkt te zijn, dan moeten we ons van dat systeem kunnen losmaken en over radicaal andere oplossingen nadenken. Neem bijvoorbeeld microfinanciering, waarbij kleine kredieten worden uitgeleend aan armere mensen om ondernemerschap te stimuleren. Het is een middel om mensen te laten overleven in een systeem dat er niet op gemaakt is om hen te doen overleven. Het verandert het systeem niet.’

‘Het bewijs dat onze hulp aan het zuiden duurzame oplossingen biedt, ontbreekt volledig’

Het doel vanontwikkelingssamenwerking – armoede en ongelijkheid bestrijden – kan dus niet functioneren binnen een kapitalistisch model?

‘Precies. Kapitalisme wordt verkocht als het ultieme economische model om zoveel mogelijk welvaart voor zoveel mogelijk mensen te brengen. Dat doel hebben we in het Westen deels bereikt door een middenklasse te creëren met de winsten van de slavenhandel en kolonisatie. Als je echter uitzoomt, geldt dat niet voor de rest van de wereld – dat een veel groter deel van de wereldbevolking uitmaakt.’

Het kapitalisme staat nu onder druk door de coronacrisis. Kan de huidige pandemie kansen bieden?

‘Ik hoop dat we kunnen afstappen van het idee dat we het neoliberale kapitalisme moeten redden of überhaupt beter kunnen maken. Voor velen in West-Europa is dit de eerste keer dat ze gedwongen worden om na te denken over overleven. De machtigsten in de wereld zijn kwetsbaarder dan ze in lange tijd geweest zijn. Daarom duurde het lang voordat de situatie serieus werd genomen. Nog zorgeloos op skivakantie gaan, daar keken ze vanuit het Afrikaanse continent – dat meer ervaring en expertise heeft met epidemie-uitbraken – met grote ogen naar. Vanuit Europa wordt dan weer verontwaardigd gereageerd dat er minder slachtoffers zijn in Afrika, terwijl de verspreiding van het virus gekoppeld is aan mobiliteit, en dus aan welstand. Het legt de mythe van de verwaarloosbaarheid van Afrikaans leven bloot. “Hoe kan het dat daar minder mensen sterven?” vroegen mensen zich af.’

En die mythes moeten ontkracht worden. Rutazibwa heeft het in haar onderzoek over ‘demythologiseren’ als eerste stap om onze gangbare westerse kennis te bevragen. Waar begin je het verhaal over het zuiden en uit welk perspectief vertel je het? ‘Ontwikkelingssamenwerking lijdt aan koloniaal geheugenverlies. In mijn vakken beginnen we bij Columbus in 1492. Een eurocentrisch perspectief is niet problematisch an sich. Dat wordt het pas als je het voordoet als het enige, neutrale perspectief.’

Al zeven jaar doceert Rutazibwa nota bene International Development – datgene waar ze zo graag van af wil. ‘Ik geloof er niet in en ik ben daar ook open over.’ Bij het begin van haar aanstelling stelde ze meteen voor om de opleiding te hervormen tot ‘Global Justice and Reparations’. Begrippen zoals ‘hulp’ en ‘samenwerking’ beschouwt ze als bedrieglijk.

Wanneer ze haar studenten vraagt waarom ze voor de opleiding kozen, krijgt ze in de regel variaties op solidariteitsgevoelens: mensen helpen, een verschil maken in de wereld, een einde maken aan ongelijkheid. ‘Dat is mooi. En ik moedig ze aan om dat vast te houden, want bij studenten is er een échte bereidheid om op een betere manier met elkaar samen te leven. Door vanaf het begin kritisch te kijken naar hoe die ongelijkheid systematisch tot stand is gekomen, spreek je nog steeds dezelfde solidariteitsgevoelens aan, maar kom je los van dat oppervlakkige, warme, fuzzy gevoel van de weldoener.’

Volgens de Wereldbank spendeerde het noorden in 2018 ongeveer 160 miljard aan ontwikkelingssamenwerking in het zuiden. Met zo’n bedrag zou je toch verandering verwachten?

‘Het probleem met dat cijfer is dat er uiteindelijk meer geld terugvloeit naar het noorden. Als je alle transacties bekijkt, is er een nettoverlies voor het zuiden. Een groeiend deel van dat budget is gereserveerd voor de rijke landen zelf, we betalen structureel te weinig voor onze grondstoffen en via de Wereldbank en het imf leggen we ongunstige voorwaarden voor leningen op. Pas wanneer de beslissingen over waar het geld naartoe gaat, wanneer het wordt besteed en hoeveel het bedraagt niet meer exclusief bij het noorden liggen, kan er verandering komen.’

*Wat zou dan een alternatief kunnen zijn? Het uitwisselen van ‘public goods’ zoals wetenschap en gezondheidszorg of het kwijtschelden van schulden, bijvoorbeeld? *

‘De uitwisseling van “public goods” zou kunnen werken als het een effectieve uitwisseling zou betekenen, maar dat kan niet zolang wij ervan overtuigd zijn dat wij de superieure kennis hebben. Neem wetenschap. Academische tijdschriften willen meer publicaties van auteurs uit het zuiden. Mooi. Maar dan gaan wij workshops geven over hoe het moet, maar omgekeerd niet. Waarom zou het deficit enkel bij hen liggen? Wij zijn nog wel bijzonder slechte wetenschappers als het gaat over onderzoek doen naar plaatsen die ver weg zijn van ons.

Ook gezondheidszorg is problematisch, want het westerse model heeft alle andere vormen van zorg uitgebannen, maar is zelf wel gebaseerd op toegang tot middelen en materiaal. Als je dat niet hebt, kun je nergens anders meer op terugvallen. Het monoculturaliseren van “public goods” is gevaarlijk.

‘Tot tachtig procent van de hulpgelden verdampt. Nog meer geld inzamelen helpt niet’

In deze context is ook het kwijtschelden van schulden obsceen. Net zoals “hulp” ontoepasbaar is in deze context, is “schuld” dat ook. Opnieuw bepalen degenen die zélf een schuld hebben de voorwaarden. Het is zinvoller om onze relatie met het zuiden te herdenken in termen van “herstel”.’

Critici zeggen dat herstelbetalingen onberekenbaar of onbetaalbaar zijn.

‘Maar dan kan de conclusie toch niet zijn dat we het er helemaal niet meer over kunnen hebben? We hebben zo veel gestolen dat het te veel is om ooit terug te geven, dus we gaan het negeren en verder blijven stelen? Dat gaat voorbij alle logica.

We moeten trouwens een verschil maken tussen herstel en herstelbetaling. Het eerste gaat over een filosofie en morele houding, het tweede over een praktische uitvoering. De ideologie die het toelaat dat wij onze schuld ten opzichte van het zuiden niet zien of vergeten, of denken dat zij ons iets schuldig zijn, is het grootste struikelblok om bijvoorbeeld economen te laten nadenken over hoe we dat zouden kunnen doen. Het is geen fijne denkoefening, maar het is wel tijd dat ze wordt gemaakt. Hoe complex ook, berekenbaar is het zeker. We hebben het immers al eerder gedaan. Kijk maar naar het voorbeeld van Haïti, maar ook in de recente geschiedenis naar Duitsland en Irak.’

Maar wat als ex-kolonies effectief herstelbetalingen zouden eisen?

‘Dan komt het noorden daadwerkelijk in de problemen, daarom wordt elke aanleiding om dat gesprek aan te gaan de kop in gedrukt. Ontwikkelingssamenwerking kost ons economisch gezien weinig en in ruil krijgen wij politieke invloed. Wat het noorden én het zuiden nodig hebben, is een mentaliteitswijziging. Afrikaanse landen hebben in principe meer macht dan wij, omdat zij over grondstoffen beschikken waar wij afhankelijk van zijn. Als ze zich morgen zouden verenigen en eisen dat de bestaande handelsovereenkomsten hervormd zouden worden, dan houdt ons privilege, dat de mondiale ongelijkheid in stand houdt, op. Thomas Sankara, president van Burkina Faso in de jaren tachtig, was een van de eersten die Afrikaanse landen opriep om zich te verenigen en collectief de schuldbetalingen aan het Westen te weigeren. Hij werd vermoord.’

Als Afrika-redacteur voor het tijdschrift MO* reisde Rutazibwa regelmatig naar het continent voor verslaggeving en onderzoek, wat haar de unieke kans bood om mensen ter plaatse te bevragen over ontwikkelingssamenwerking. Een gesprek met de minister van Planning van Somaliland is haar het meest bijgebleven. ‘Ik vroeg hem hoe hij de hulp van externe actoren had ervaren. Hij maakte het punt dat het grootste deel van de projectgelden blijft kleven aan het hulpsysteem zelf en uiteindelijk nooit zijn bestemming bereikt. Hij gebruikte daarbij het beeld van een ijshoorntje dat van hand naar hand gaat, maar wanneer het aankomt waar het moet zijn al helemaal gesmolten is.’ Het is een simpele maar krachtige metafoor. ‘Tot tachtig procent van het geld verdampt. Onze reactie is dan meestal: laten we nog meer geld inzamelen. Dat werkt niet.’

Waar gaat dat geld dan naartoe? Corruptie is een van de meest gehoorde kritieken op ontwikkelingssamenwerking, maar volgens Rutazibwa is het de uitvoering van de hulp tussen noord en zuid zelf, die duur is. ‘Corruptie interpreteren we als het verdampen van geld op een illegale manier, maar die definitie moeten we verbreden. Zelfs als alle regels correct gevolgd worden, gaat er te veel geld verloren aan het organiseren van hulp. Neem democratiseringshulp. Als de EU pakweg een miljoen euro vrij maakt om verkiezingen te organiseren, gaat het grootste deel naar het uitzenden van observatoren – vluchten, hotels, catering –, personeelskosten, geautomatiseerde computersystemen. Onze aanwezigheid is duurder dan het betrekken van de mensen ter plaatse. Waarom vinden we dat normaal?’

Het Nederlandse budget voor ontwikkelingssamenwerking daalt al jaren op rij in verhouding tot het bruto binnenlands product en volgt daarmee een wereldwijde trend. De begroting voor 2020 schat het ontwikkelingsbudget op 0,53 procent: het laagste cijfer in bijna een halve eeuw en lager dan de officiële VN-norm van 0,7 procent. Bovendien krijgen de armste landen steeds minder en gaat er steeds meer geld naar anti-migratieregelingen, de opvang van asielzoekers in Nederland en naar subsidies voor Nederlandse bedrijven die in het zuiden actief zijn. Het geld vloeit zo terug naar waar het vandaan kwam. ‘Dat is precies dat ijshoorntje’, zegt Rutazibwa.

Sinds het kabinet-Rutte II in 2012 de portefeuille Buitenlandse Handel samenvoegde met Ontwikkelingssamenwerking raakte het Nederlandse bedrijfsleven steeds meer vermengd met ontwikkelingssamenwerking en werd er miljarden bezuinigd. Een duidelijke ideologische verschuiving, die zich ook in de beleidsprioriteiten van toenmalig minister Lilianne Ploumen (pvda) en huidige minister Sigrid Kaag (d66) laat zien. In 2018 bracht Follow the Money aan het licht dat de Dutch Trade and Investment Board, een overlegorgaan tussen Nederlandse bedrijven en topambtenaren, hier jarenlang voor gelobbyd had. Het eigenbelang gaat voor. En dat wordt niet meer voor de publieke opinie verborgen. Sterker nog: het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking daalt in Nederland. Burgers zijn steeds sceptischer over de effectiviteit van het systeem en waar het geld terechtkomt.

Hoe ziet antikoloniale solidariteit, uw alternatief voor ontwikkelingssamenwerking, eruit?

‘We zouden heel wat kunnen leren van solidariteitspraktijken tussen kwetsbare groepen onderling. Als je in een gelijkaardige kwetsbare situatie verkeert, is er geen problematische machtsverhouding. Je staat op gelijke voet. Landen in het zuiden hebben het vaak over “dignity” en “self-determination”, maar ontwikkelingssamenwerking geeft weinig om de waardigheid van mensen die je helpt vanuit je positie van rijkdom, omdat je zo veel beslissingen voor hen neemt. Het is niet omdat je in de problemen zit, dat al je menselijke capaciteiten – zoals het inzicht in wat je nodig hebt – verdwijnen. Vanuit het Westen moet antikoloniale solidariteit per definitie over herstel gaan. Dat betekent een schuld inlossen, macht afstaan, en meewerken aan een rechtvaardiger systeem, als passagier in plaats van chauffeur.’

En zo blijft Rutazibwa op pijnlijke punten drukken. Zijn we bereid om onze eigen verantwoordelijkheid te erkennen in onze ongelijke relatie met het zuiden en het gevoel van welwillendheid in ontwikkelingssamenwerking van ons af te werpen? De wereld doneerde tien jaar geleden massaal geld aan Haïti na de grote aardbeving, maar hoeveel mensen kenden het verhaal over de oorzaak van hun armoede? Het begint volgens Rutazibwa alvast bij demythologiseren.


Hoe nu verder?

Diagnoses zijn er volop van de crises waar de wereld mee worstelt. Van de klimaatcrisis tot de crisis in de westerse democratie, van de technologische ontheemding tot het doorgeschoten kapitalisme met zijn groeiende kloof tussen superrijk en kansloos arm – er zijn inmiddels stapels boeken en rapporten over verschenen. Langzaam gaan we nu van diagnose naar voorstellen voor verandering. In deze interviewserie laten we prominente denkers aan het woord over de oplossingen voor de grote problemen van deze tijd.