Fotografie: Robert Mapplethorpe, de glamour en de zelfkant

Als smeltende klokken

Robert Mapplethorpe was gefascineerd door lichamen, van mannen en vrouwen, wit en zwart. Hij bekeek ze op de eerste plaats als sculpturen – maar met verlangen.

Medium 01 robertmapplethorpe kunsthalrotterdam
Robert Mapplethorpe, Self-Portrait, 1980. Gelatine zilverdruk, 34,93 x 34,93 cm © Robert Mapplethorpe Foundation / Los Angeles County Museum of Art / The J. Paul Getty Trust / David Geffen Foundation

De grote overzichtstentoonstelling met werk van Robert Mapplethorpe (1946-1989) in de Kunsthal in Rotterdam opent met een klein overzicht. De eerste wand is gevuld met beelden die een inleiding vormen op zijn oeuvre waarin de protagonisten worden voorgesteld en de thema’s die er van begin tot eind doorheen zijn geweven alvast de revue passeren. Eerst een zelfportret uit 1980 dat lijkt op de bekendere foto waarop Mapplethorpe, gestoken in een leren jack en met een sigaret tussen zijn lippen geklemd, zijn ogen wat dichtknijpt, maar in dit geval kijkt hij ongehinderd door rook strak in zijn eigen lens. Zo jong nog, denk je eerst, en vervolgens dat dat schijn is die bedriegt: de sluipmoordenaar stond al bijna voor de deur. Vanonder een vetkuif die niet had misstaan in Grease loenst hij een beetje, maar zijn blik straalt boven alles een gigantische zelfverzekerdheid uit: ambitie, vertrouwen en een sense of mission ineen.

Het rijmt op een gekke manier met het beeld van een rafelige Amerikaanse vlag dat twee lijsten verderop hangt. Aanvankelijk lijkt die foto een minder voor de hand liggende keuze: niet alleen is het een van de zeldzame werken van Mapplethorpe waarop de lucht te zien is – zijn grotendeels in de studio gesmede oeuvre heeft iets claustrofobisch – het is vooral ook moeilijk om zijn kunstenaarschap als wezenlijk Amerikaans te zien. Het is weliswaar nauw verweven met de plaats waar het tot stand kwam, maar die plaats is geen land maar een stad: New York. En dan vooral het New York dat zich op alle mogelijke manieren onderscheidt van het land waarvan het een culturele voorpost of zelfs de officieuze hoofdstad heet te zijn.

Maar misschien is de titel van het beeld, American Flag, misleidend en gaat het niet om de vlag of zijn rafelranden maar om de felle zon die door de strepen en sterren op het doek schijnt. Misschien is het in de eerste plaats een beeld van iets wat brandt met een onvoorstelbare intensiteit. Vijf meter verderop hangt een foto van een marmeren beeld, Icarus (Sleeping Cupid), uit 1989. De afdruk is zo zacht van toon dat het beeld van was lijkt te zijn. Het moet een van de laatste foto’s zijn geweest die Mapplethorpe maakte.

Tussen de vlag en Icarus hangt een portret van Sam Wagstaff, een schatrijke verzamelaar en een van Mapplethorpe’s grote liefdes. De 25 jaar oudere Wagstaff belde de fotograaf op een dag op en vroeg: ‘Is this the shy pornographer?’ Hij nam Mapplethorpe onder zijn hoede, drukte hem een Hasselblad in handen en kocht een studio voor hem. Wagstaff hield van Mapplethorpe en van zijn werk, Mapplethorpe hield van Wagstaff en van diens middelen. Het was een match made in heaven. Wagstaff stelde alles in het werk om het al jaren gistende kunstenaarschap tot wasdom te laten komen.

‘Robert was bezig met hoe de foto te maken, ik met hoe de foto te zijn’

Tussen het zelfportret en de Amerikaanse vlag hangt de beroemdste foto die Mapplethorpe van Patti Smith nam, de beroemdste foto die wie dan ook van de rockster-dichteres nam. Het is het beeld dat ook op de hoes van haar debuut Horses prijkt: het door Keith Richards geïnspireerde Ronja de roversdochter-kapsel, de witte blouse en de zwarte bretels, het jasje met het glimmende paardje op de kraag nonchalant over haar schouder geworpen. Ergens herken je in haar ogen precies dezelfde blik als die van Mapplethorpe op de foto ernaast: vol zelfvertrouwen, al is het hier bij Smith een jaar of tien eerder, een zelfvertrouwen dat zich tegelijkertijd nog bewust lijkt van het dunne fundament waarop het staat.

Over de middag waarop Mapplethorpe het portret schoot, schreef Smith in Just Kids, haar memoir over Mapplethorpe uit 2010: ‘Het licht was al aan het vervagen. Hij had geen assistent. We spraken nooit over wat ze zouden doen, hoe het eruit zou zien. Hij zou het schieten. Ik zou geschoten worden.’ De verhoudingen tussen de twee waren wat dit betreft duidelijk. ‘Robert was bezig met hoe de foto te maken, ik met hoe de foto te zijn.’

Medium 015 robertmapplethorpe kunsthalrotterdam
Patti Smith, 1978. Gelatine zilverdruk, 35,24 x 34,93 cm © Robert Mapplethorpe Foundation / Los Angeles County Museum of Art / The J. Paul Getty Trust

Het succes van Smith’s boek lijkt achteraf haast vanzelfsprekend. Het geeft een prachtig tijdsbeeld van een klein maar van zichzelf al eindeloos nieuwsgierig stemmend hoekje van New York, eind jaren zestig en begin jaren zeventig – daar waar de glamour en de zelfkant direct aan elkaar grensden en de wegen naar roem en vergetelheid voor schijnbaar eenieder precies even open lagen. Het is een indrukwekkende ode aan de pretentie van de jeugd, een lofzang op het naïeve maar daarom niet minder krachtige geloof in eigen kunnen van wie nog niet goed weet wat het is om iets te kunnen. Maar vooral is het boek van de eerste tot de laatste regel een hartverwarmende en hartverscheurende liefdesverklaring aan het adres van iemand die al weer zo lang geleden is overleden. Het lijkt tussen de regels door een daad van terugvordering: een poging van Smith om op haar beurt degene te zijn die Mapplethorpe redt, meer dan vier decennia nadat hij haar wist te bevrijden uit de klauwen van een niet bij naam genoemde sciencefictionschrijver met wie Smith slechts was meegegaan in de hoop wat eten in haar maag te krijgen. Samen waren Robert en Patti nog altijd arm als kerkratten maar hadden ze in ieder geval nog hun onafscheidelijkheid. Een onafscheidelijkheid die standhield, ook toen Mapplethorpe, opgevoed als nette katholieke jongen, langzaam zijn homoseksualiteit begon te erkennen. Just Kids was Smith’s antwoord op de herculestaak om de Mapplethorpe die zij ooit als geen ander had gekend onder het puin van de postume roem en schandalen vandaan te sleuren.

Op het moment van zijn dood in 1989 was Mapplethorpe een niet buitensporig beroemde maar alom gerespecteerde fotograaf. Zeker de laatste jaren, toen langzaam maar zeker duidelijk werd dat hij ongeneeslijk ziek was, was de vraag naar zijn werk sterk gestegen. Anders dan bijvoorbeeld Peter Hujar, die zijn camera aan de wilgen hing op het moment dat hij zijn aidsdiagnose te horen kreeg, bleef Mapplethorpe tot het bittere einde werken. Op de begrafenis van Hujar zou hij tegen een vriend hebben gefluisterd: ‘Ik hoop dat ik het lang genoeg volhoud om de roem mee te maken.’

Foto’s en filmopnamen uit het laatste jaar van zijn leven getuigen ervan hoezeer hij, terwijl hij aftakelde, genoot van de aandacht waarmee bijvoorbeeld een grote tentoonstelling in het Whitney in 1988 gepaard ging. Kort voor zijn overlijden begon een retrospectief, The Perfect Moment, door het land te reizen. Maar hij zal niet hebben kunnen bevroeden wat die tot gevolg zou hebben. De geur van controverse waarmee zijn werk zo vanzelfsprekend omzweemd is, ontstond pas toen een galeriehouder in Washington D.C. schijnbaar uit het niets besloot de geplande vertoning van The Perfect Moment op het laatste moment te schrappen. Een woedende senator, Jesse Helms (NC), verscheurde vervolgens op de vloer van de Senaat een catalogus van de gewraakte tentoonstelling: ‘Het Amerikaanse volk (…) walgt van het idee dat geld van de belastingbetaler naar kunstenaars gaat die geniepig en welbewust homoseksualiteit promoten’, verklaarde Helms. De tentoonstelling reisde intussen gewoon verder. Aanvankelijk zonder problemen, maar precies een jaar na Mapplethorpe’s dood werd The Perfect Moment op last van de politie in Cincinnati gesloten, waarna het museum en de directeur werden aangeklaagd. ‘Pandering obscenity and child pornography’, luidde de tenlastelegging, maar vrijspraak volgde.

Dit alles leidde ertoe dat Mapplethorpe na zijn dood iemand werd die nooit ver van de beklaagdenbank leek te verkeren. Fotografiecriticus Luc Santé blikte halverwege de jaren negentig terug op de ophef naar aanleiding van een drietal boeken over Mapplethorpe. Die boeken, zo merkte hij op, klonken allemaal alsof ze een jury toespraken. Een ervan was de geautoriseerde biografie van Mapplethorpe, geschreven door Patricia Morrisroe. Tegen het einde van zijn leven had hij zijn directe omgeving op het hart gedrukt haar alles te vertellen. Maar dat betekent niet dat iedereen gelukkig was met het resultaat. Je zou kunnen vermoeden dat met het verschijnen van Morrisroe’s biografie ook de kiem voor Patti Smith’s Just Kids werd gelegd. Kort na het verschijnen, in 1995, wond Smith zich tegen The New Yorker verschrikkelijk op over Morrisroe: ‘Ze besteedde zes jaar van haar leven aan Robert om uiteindelijk achter te blijven met het idee dat zijn leven deprimerend was. Roberts leven was niet deprimerend. Sterven door aids is deprimerend’, zei ze. ‘In dit boek is hij alleen maar aan het naaien. Maar hij werkte tot op de dag van zijn dood.’ Maar ja, probeer als biograaf de verlokking van sensatie maar eens te weerstaan wanneer je onderwerp ironische bekentenissen deelde als: ‘Ik was niet van de vluggertjes. Ik heb met misschien duizend mannen geslapen.’

Daarmee was Just Kids misschien ook vooral een noodzakelijke correctie. Een intiemer portret is bijna niet denkbaar. Het is op hetzelfde moment een getuigenis van een grote liefde – de dichter Rene Ricard zou ooit hebben opgemerkt dat de vriendschap tussen Smith en Mapplethorpe uiteindelijk hun ‘echte meesterwerk’ was – en ook een overtuigend weerwoord op de reductie van iemand die ze kende als een gelaagde en complexe persoonlijkheid, iemand wiens hunkering naar succes zowel een zucht naar een esthetiek als naar materiële welvaart was, tot iets wat hij slechts ten dele was: iemand met een ingewikkelde, van de norm afwijkende seksualiteit die dat tot een van de onderwerpen van zijn werk maakte.

De foto is ‘een van de grote grappen over Amerikaans racisme, een die verkeerd wordt begrepen als pornografie’

Vorig jaar, samen met de lancering van de tentoonstelling Een perfectionist in de VS, verscheen een documentaire over Mapplethorpe en zijn werk. Look at the Pictures bevat hier en daar momenten die onbedoeld even grappig als veelzeggend zijn. Bijvoorbeeld het moment waarop Sandy Daley, een vriendin die net als Smith en Mapplethorpe in het Chelsea Hotel woonde, de vraag krijgt voorgelegd of hij ambitieus was. In plaats van dat ze antwoordt ontsnapt haar een kleine kreun. Ze laat een zwangere stilte vallen en zegt dan bijna fluisterend: ‘Er is geen woord voor. Voor geen van beiden. Het is een understatement. Voor allebei. Onvoorstelbaar.’

Iets verder in de documentaire zien we drie vrouwen en een man over een tafel gebogen. Ze bekijken afdrukken waarop Mapplethorpe en Wagstaff seks hebben. De vrouw die het woord voert, zegt dat het het meest intieme is dat ze hebben. Omdat Robert niet schrijft is het album op tafel het equivalent van een liefdesbrief. Ze is zichtbaar gegeneerd en haar stem slaat bijna over. ‘Je ziet de dialoog tussen de twee, fotografie en liefde en dat alles, seksualiteit…’ Dan kan ze het niet langer aanzien en kijkt ze weg.

Medium 09 robertmapplethorpe kunsthalrotterdam
Ken Moody and Robert Sherman, 1984. Platinadruk, 49,37 x 50,17 cm © Robert Mapplethorpe Foundation / Los Angeles County Museum of Art / The J. Paul Getty Trust

Op eenzelfde manier gaat het in Just Kids. Hoewel Mapplethorpe’s seksuele Werdegang zeker aan bod komt, blijft die kant van zijn kunstenaarschap op een bepaalde manier ook in schaduwen gehuld. Smith gaat het nergens expliciet uit de weg, maar ze weet het ook niet helemaal de rol te geven die het wel verdient. Andermans gecompliceerde seksualiteit is moeilijk te doorgronden, misschien zelfs niet te doorgronden. Maar juist in Mapplethorpe’s werk is die onoverbrugbare afstand iets kleiner geworden, is dat wat in iedere andere context een transgressie zou zijn niet langer louter iets om niet te begrijpen, om afschuw over te voelen of je over te verbazen. In Mapplethorpe’s fotografie is het – dankzij of ondanks de esthetiek – iets simpels: andermans werkelijkheid. Zelfs wanneer het, zoals in het geval van Self-Portrait (1978), een beeld is van Mapplethorpe die met zijn rug naar de camera voorovergebogen staat en geconcentreerd, uitdagend misschien, in de lens kijkt met, in de woorden van kunstcriticus Arthur Danto, ‘a bullwhip stuck in his hairy anus and looping out onto the floor like a rat’s tail’, kun je eigenlijk niet anders dan denken: dit werk zegt vooraleerst iets over de reikwijdte van de menselijke ervaring.

De introducerende muur in de Kunsthal heeft in die zin ook iets kuis: Leather Crotch is waarschijnlijk de minst aanstootgevende SM-foto in Mapplethorpe’s oeuvre. Maar sla één hoek om je ziet de beelden die het beruchte X-Portfolio vormden. Je ziet het fistfucken van Helmut en Brook; je ziet de half ingebrachte dildo van de voorovergebogen John; je ziet hoe een man met een zwartleren gimp-masker, Jim, urineert in de mond van de geknielde Tom; je ziet hoe Lou zijn vinger in zijn pisbuis steekt, alsof hij wat pluis uit zijn navel pulkt.

Mapplethorpe’s eenvoudigere naakten tarten andere grenzen. Neem de foto van Bob Love, een jonge zwarte man die met zijn benen gespreid op een kruk zit. Zijn geslachtsdeel vormt het absolute middelpunt van de foto. Mapplethorpe fotografeerde zeker niet uitsluitend zwarte modellen, maar dat hij gefascineerd was door zwarte mannen is helder. Journalist Wesley Morris schreef een paar maanden geleden in The New York Times een lang essay over de culturele betekenis van de ‘paradigmatische’ zwarte penis. Hij bladerde daarbij ook door Mapplethorpe’s geruchtmakende Black Book, een verzameling van 97 zwart-witfoto’s van zwarte mannen, gemaakt tussen 1977 en 1986. Hij blijft uiteindelijk hangen bij Man in Polyester Suit (1980). Het is een beeld van Mapplethorpe’s geliefde Milton Moore in een driedelig pak; al ziet de kijker alleen dat wat zich boven zijn knieën en onder zijn middenrif bevindt. De gulp staat open en behalve een stuk van Moore’s shirt steekt ook zijn indrukwekkende penis door het gat naar buiten. Morris schrijft: ‘Hij is geaderd, onbesneden, gepositioneerd op gelijke afstand van de handen en groter dan beide. Zijn druiperige aard brengt hem in de buurt van Dalí’s smeltende klokken. Mijn favoriete detail is het witte shirt dat door de gulp naar buiten komt. Het maakt dat de penis bezig lijkt uit bed te komen.’ Hij noemt de foto ‘een van de grote grappen over Amerikaans racisme, een die verkeerd wordt begrepen als pornografie en daarom meteen ook als uitbuiting’. Morris vraagt zich af of dat het probleem van Mapplethorpe of van Amerika is. Maar hij merkt ook op hoe Mapplethorpe’s beelden van zwarte mannen een complexe, moeizame en ook herkenbare relatie met het verschil tussen romantiek en fetisjisme blootleggen.

Mapplethorpe was gefascineerd door lichamen, van mannen en vrouwen, wit en zwart, en hij benaderde ze tot op zekere hoogte in de eerste plaats als sculpturen – zoals hij ook graag bloemen fotografeerde op een manier die doet beseffen dat een bloem in wezen een leven als niets anders dan een vorm vertegenwoordigt. Maar tegelijk lijkt hij vooral de zwarte mannen ook te bekijken met een nieuwsgierigheid die niet te onderscheiden was van verlangen. Morris is vlijmscherp wanneer hij het nu problematische en het toen baanbrekende scheidt en zo beide glashelder in beeld brengt: ‘De naïeve, ontmenselijkende verwondering compliceert wat, op dat moment, de radicale daad was: het bijschrijven van zwarte mannen – homoseksuele zwarte mannen – in de portretgeschiedenis.’

Maar allebei die zaken zijn duidelijk onvoorziene bijwerkingen van waar het Mapplethorpe zelf om te doen was. Hij beschreef ooit wat hij voelde toen hij, terwijl hij zichzelf nog als hetero beschouwde, in smoezelige winkels met gay porn-blaadjes, nog in hun cellofaan, werd geconfronteerd: ‘Ik kreeg dat gevoel in mijn maag, het is niet meteen een seksueel gevoel, het is krachtiger. Ik dacht: als ik dat element in mijn werk kan krijgen, dat gevoel, dan zou ik iets doen dat uniek en eigen is.’ In dat gevoel, in die onbestemde opwinding, daarin schuilt uiteindelijk de kunst.

Robert Mapplethorpe: Een perfectionist, t/m 27 augustus, Kunsthal Rotterdam; kunsthal.nl