Al vijftig jaar woede

Als Trump het antwoord is, wat is dan de vraag?

Donald Trumps frontale aanval op de liberale democratie blijkt ernst. Zijn overwinning heeft decennia kunnen rijpen in de broeierige holtes van het Amerikaanse conservatisme.

Medium gettyimages 623571338

‘De pers is de vijand. De pers is de vijand. Het establishment is de vijand. De professors zijn de vijand. De professors zijn de vijand. Schrijf het honderd keer op een schoolbord, en vergeet het nooit.’ (Richard Nixon)

De zelfverzekerde figuren die na de Amerikaanse presidentsverkiezingen bijna direct als een soort slechte parodie op voormalige sovjetologen met het valse air van expertise verklaarden dat de Trump-soep niet zo heet gegeten zou worden, hebben een lelijke eerste twee weken achter de rug. In zijn eerste reeks benoemingen maakte Trump duidelijk dat wie hem niet serieus neemt vooral zijn eigen naïviteit etaleert. Hij selecteerde een racist voor de post van openbaar aanklager en een extremistische nationalist als belangrijkste politiek adviseur. Met zijn selectie heeft hij bevestigd dat hij zijn reeks campagnedreigementen meende: zijn frontale aanval op de liberale democratie is ernst.

De schijnbeweging om Trumps winst af te schuiven op de tekortkomingen van de Democraten (te elitair, niet links genoeg, te technocratisch) is nogal ergerlijk. Dat de Democraten met Hillary Clinton een kandidaat nomineerden die de belichaming was van postideologische liberale hybris staat buiten kijf, maar het idee dat Donald Trump slechts in het gat dook dat links voor hem had laten vallen is nogal eendimensionaal, en alleen vol te houden als een halve eeuw Amerikaanse politieke geschiedenis gemakshalve wordt genegeerd. Niet dat de diepe weerzin tegen de zelfgenoegzame meritocratie van een professionele kaste geen factor was – dat was het beslist. Maar de authenticiteit van het kwaad dat Trump heeft gemobiliseerd mag niet buiten beschouwing gelaten worden, al was het maar omdat we vlug (onbedoeld, allicht) in de verleiding komen het te onderschatten of het wit te wassen.

Het is naïef om te doen alsof trumpisme eigenlijk iets anders is – alsof het racisme, de vrouwenhaat, de wraakzucht en de verbale en fysieke gewelddadigheid in feite slechts onbeholpen uitdrukkingen zijn van dat waar het in werkelijkheid om draait: klassenstrijd in 21ste-eeuws kostuum. Niet alleen wordt de te rechtlijnige dichotomie van een strijd tussen een economische onderklasse en de rest van Amerika weersproken door de cijfers, die gedachte neigt ook naar de onderschatting van de kracht van politieke ideeën. Uit onderzoeken blijkt dat kiezers die de economie belangrijk vinden overwegend voor Clinton stemden.

Het was juist Trumps aanhang die meer gaf om culturele thema’s – law and order, terreur, immigratie. Zaken die gaan over de wereld die kiezers voor zich zien. Ideeën doen ertoe. De analyse van president Barack Obama in het post-verkiezingsinterview met The New Yorker raakte de kern: ‘Trump is geen uitzondering; hij is de optelsom, een logische conclusie van de retoriek en tactiek van de Republikeinen de laatste tien, vijftien, twintig jaar. Wat me overviel was de mate waarin die tactiek en retoriek volledig van de rails kwamen.’

De kwestie die geadresseerd moet worden is deze: als Trump het antwoord is, wat is dan de vraag? Als een totale oorlog tegen alles waar de liberale democratie voor staat – volgens The New Yorker fascisme met een Amerikaanse gezicht – de oplossing is, wat is dan het probleem? Het fenomeen Trump, dat is de eerste vereiste, mag niet eenvoudiger gemaakt worden dan het is door het te bestempelen als iets unieks – de perfecte storm, abrupt en verwoestend, die moet uitrazen, maar die om de een of andere onfortuinlijke reden niet had kunnen worden afgewend. De poging om Trump tot anomalie te maken in de Amerikaanse geschiedenis bevredigt de wens om een soort onschuld intact te laten, maar erg eerlijk is het niet. Zijn overwinning heeft decennia kunnen rijpen in de broeierige holtes van het Amerikaanse conservatisme. Zeggen dat Trump ook voor conservatieven (die van de meer redelijke soort) een nachtmerrie is, is een te doorzichtige poging om de schuldvraag af te leiden. Er zijn schuldigen – en het zou geen pas geven om die uit valse piëteit niet aan te wijzen. De moeder van het beest is het schepsel zelf.

Hoewel het gebruikelijk is om de jaren zestig te beschouwen als apotheose van links (of van haar perversie, in sommige kringen), is het decennium even cruciaal voor de definitieve transformatie van politiek rechts. De woede waarop Trump kapitaliseerde is daar voor het eerst ingezaaid. In zijn essay The Death of Conservatism brengt Sam Tanenhaus de geboorte daarvan, uit de warme boezem van de Republikeinse Partij, terug tot dat cruciale decennium.

Het meest merkwaardig, misschien, is dat het Amerikaanse conservatisme voor een goed deel een kunstmatige traditie is, in niet onaanzienlijke mate te danken aan het werk van schrijver en journalist William F. Buckley. Voorzover de Verenigde Staten een conservatisme kenden werd dat begrepen naar beproefd burkeaans gebruik: als de anti-ideologische politiek van niet-revolutionaire vooruitgang en bedachtzaamheid. Conservatieven waren er wel, maar hun ethos was het tegendeel van ideologisch gemotiveerd radicalisme.

Toen de politieke cultuur in de jaren vijftig bewoog naar een soort postideologische consensus reageerde Buckley door de ideologie opnieuw uit te vinden. In 1955 begon hij het tijdschrift National Review. In het openingsessay verklaarde Buckley dat de conservatief iemand was die ‘dwars voor de geschiedenis staat, en roept: “Stop!”’ In zijn denken werd de burkeaanse bedachtzaamheid ingeruild voor iets wat veel extremer was. Hij schreef: ‘De conservatieven, als een minderheid, zijn de nieuwe radicalen.’ Vanaf het eerste begin stond bovendien het vijandbeeld centraal. De minderheid die Buckley van munitie voorzag wist zich voor de formidabele taak gesteld het op te nemen tegen een oppermachtige samenspanning van gelijkgestemde Mandarijnen: ‘Wie regeert dit land? Wat het meest bij een ruling class in Amerika komt zijn de opiniemakers – krantenmannen, uitgevers, commentatoren, onderwijzers, ministers en leden van de diverse professies.’

Het fenomeen Trump mag niet eenvoudiger gemaakt worden dan het is door het te bestempelen als iets unieks

Het punt, stelt Tanenhaus, is dat de pragmatische politiek van onderhandeling werd ingeruild voor de politiek van reactie, afrekening en wraak. De intellectuele kern was revanchisme – de mobilisering van ressentiment en wraakzucht. Buckley’s woorden waren in die zin een oorlogsverklaring aan iedereen die wat hem betreft buiten de werkelijke beleving van Amerika stond – de kaste der liberals, in hoofdzaak. Met conservatisme had het alleen niets meer te maken. Buckley vaderde iets heel nieuws – movement conservatism, of de politiek van radicalisme en agitatie tegen een vijand die, door zijn greep op enkele cruciale machtsbolwerken (de universiteit, de krant en de ministeries), zowel klein als oppermachtig was, en die in alles het tegendeel vertegenwoordigde van wat Amerika werkelijk great maakte.

Geconfronteerd met die tegenstander zouden conservatieven niet langer een burkeaanse positie moeten kiezen (van behoedzame, anti-ideologische onderhandeling met vooruitgang en een prudente omgang met traditie) maar die van politieke reactie. De geschiedenis zelf moest tot een halt gebracht worden; de cultuur moest terug naar een punt in het verleden, voordat de infectie het weefsel had aangetast. De essentie van dat wereldbeeld was afrekening; het was conservatisme in zoverre het geloofde dat de politieke cultuur het slagveld was waar de strijd zou moeten worden beslecht. Vanaf het eerste begin was er dezelfde dynamiek die er nog altijd is: het ‘echte’ Amerika tegen hen die het verraden. Het was klassiek nationalisme – laat het volk zich verenigen opdat de vijand kan worden uitgerookt.

Het eerste grote wapenfeit dat de invloed van Buckley en National Review markeerde was de nominatie van Barry Goldwater, senator namens Arizona, als de Republikeinse presidentskandidaat in 1964, tegen de wens van bijna het voltallige establishment. Goldwater was als presidentskandidaat min of meer gemaakt door Buckley, of om precies te zijn door zijn zwager, die als zijn ghostwriter optrad. Voor de schermen deed National Review ondertussen meer dan ieder ander medium om Goldwater op het schild te hijsen.

Maar wie vormden de Goldwater-aanhang? Norman Mailer versloeg voor Esquire de Democratische en Republikeinse conventies en zag in San Francisco de nominatie van Goldwater. Hij schreef: ‘Het was een conventie met moordenaarsgemoed. De sfeer op deze conventie verkondigde een nieuw soort samenleving. Chimaera’s van fascisme hingen er als een mistbank. En high-achtig enthousiasme. Sommige afgevaardigden waren uitgelaten.’

De afgevaardigden op de conventie voelden zich het slachtoffer van Buckley’s samenzwerende binnenwereld – een groep mensen die het ene moment meenden de baas te zijn over een land waarvan ze zich aanmatigden dat het van hen was, en die dat land het volgende moment zagen veranderen tot voorbij de benarde grens van hun begripsvermogen. Maar Goldwater stelde ze, in de woorden van Mailer, gerust ‘met de huiselijke zekerheid van een smerige sok dat hij het verleden zou beschermen door het heden te vernietigen’.

Mailer zag tot welke wreedheid een klasse die langzaam besefte dat ze minder belangrijk werd in staat was. Dat die klasse aan macht zou inboeten was onvermijdelijk, omdat haar politieke positie altijd opgezwollen was geweest. Maar Goldwater vertelde ze dat het daar niet aan lag: dat de zwarte burgerrechtenbeweging geen aanklacht was van de Amerikaanse droom tegen de Amerikaanse realiteit, maar een perversie ervan. Dat de langzame verkalking van hun positie niet wees op veranderende politieke normen, maar op de nakende ondergang van de Verenigde Staten zelf. Hij voedde ze met iets wat leek op conservatisme, maar wat bij nader inzien een apocalyptisch wereldbeeld was, in leven gehouden door een opgejaagde verbeelding, en met visioenen van ondergang en verval.

Goldwaters kiezers ‘wilden Amerika’s ontblote achterwerk kastijden, waar come-you-nisms zich verzamelden: de gelijkheid tussen wit en zwart’ (Mailer schrijft Negro), ‘seksuele excessen, joden-ideeën, vuile was, verward denken, gebrek aan respect voor de grondwet’. Deze keer zou Main Street winnen. ‘Ja, de Goldwater-beweging beroerde de dieptes omdat de Apocalyps dichterbij werd gebracht (…) Het land keerde, de kleuren werden dieper, de messen van de namiddag getrokken, iets van het beste van het Amerikaanse leven verdwijnt wellicht voorgoed; of was juist het tegendeel waar? En zou het land dan eindelijk de knopen van zijn tegenstrijdigheden opnemen uit de premature nacht of nachtmerrie naar de chirurgische oppervlaktes van de open huid? Stonden we aan het begin, of op de keer, van onze ergste ziekte? Men wist het niet meer, je wist het niet meer, maar een ding was zeker: het land was nu onderdeel van een dagelijkse zorg. Men tobde erover voor de eerste keer, zoals je tobt over familie of werk, een goede vriend of de toekomst, en dat was een meest uitzonderlijke emotie.’

Goldwater verloor spectaculair, maar zijn kiezers verdwenen niet. Na de nederlaag schreef Buckley dat het geen verlies was, maar een teleurstelling. De winst zou eens komen – en hij kreeg gelijk. Nixon verenigde de partij als compromiskandidaat tussen het establishment aan de oostkust en de coalitie van Goldwater vier jaar eerder. Nixon werd gevolgd door Reagan (die zijn eerste schreden op het toneel zette door in de campagne Goldwater te steunen, en die gold als zijn erfgenaam). Allemaal realiseerden ze zich, in de jaren zestig, de potentie van een apocalyptische verbeeldingskracht die de kiezers van Goldwater opzweepte – en hoe eenvoudig die verbeelding tot razernij te manipuleren was.

De revanchisten, stelt Tanenhaus, wonnen het pleit. ‘Ze deden het door de politiek van Jacobijns-achtige schema’s van gedeeld vijandschap te perfectioneren.’ Wie heeft er schuld? Er is sinds Buckley niet zo veel veranderd. Nog altijd zijn het de professoren, de kranten en de professionals in Washington. Gezegend is de cocktail van vijandschap en slachtoffercomplex.

Het nationalisme dat Trump heeft gezadeld is dat van een samenleving in burgeroorlog met zichzelf

Het punt is dat zulk vijandbeeldconservatisme de voorwaarden schept voor zijn eigen radicalisering. Verbeeldingskracht houdt in de confrontatie met de werkelijkheid niet lang stand – de paniek over het land dat zich op de rand van de afgrond bevindt moet keer op keer worden aangewakkerd. En dus kwamen na de jaren zestig de culture wars van de jaren tachtig en negentig.

Maar zelfs het kiezen van conservatieve politici bleek de samenleving nooit duurzaam terug te brengen naar het verleden. Het hoogst haalbare was de permanente oorlog met het heden – naar het beeld van Buckley, een steeds schrillere gil om ‘Stop!’. Maar dat frustreerde alleen maar meer. Dus was meer radicalisme het antwoord. Men redeneerde dat de eerder verkozen politici zich niet voldoende compromisloos hadden opgesteld, of dat de vijand nog veel groter en machtiger was dan gedacht.

Dus moest de beweging die ertegen in stelling werd gebracht nog onverzoenlijker zijn. Van de opgeklopte woede over abortus tot de gemanipuleerde opstand tegen Obama’s zorgwet; van het homohuwelijk tot de war on Christmas – steeds meer zaken waarover op zichzelf legitieme meningsverschillen bestaan werden omgewerkt tot twistpunt over identiteit, als een oorlog over de ziel van het land. Het grote geheim is dat de hele ideologie begint en eindigt bij een vijandbeeld – dat is het grote succes. Er hoeft geen politieke coherentie te zijn, zolang het basale schema staat: de vijand heeft talloze koppen, maar één gezicht.

Verschillende generaties Republikeinse politici realiseerden zich sinds de jaren zestig hoezeer hun electorale succes werd geholpen als ze de gekrenkte (witte) middenklasse tot voorbij de grenzen van redelijkheid agiteerden. Hoe woedender de kiezers, hoe steviger hun greep. Het is die politiek die steeds invloedrijker werd, totdat het uiteindelijk de politici die jarenlang hun danse macabre met die volkswoede hadden volgehouden zelf opvrat. De verbeeldingskracht van burgeroorlog, al is die dan retorisch, is niet zonder consequentie. Wat een hyperbool is voor een beroepspoliticus, wordt een angstaanjagende werkelijkheid voor de ander.

In die zin is het geweldige succes van fake news deze verkiezingen ook niet onverklaarbaar. Het is geen nep-nieuws, het is propaganda, en propaganda gedijt altijd in de mist van die ingebeelde oorlog. Als er niet eerst een vruchtbare grond was voor dergelijke propaganda zouden de leugens lang niet zo potent zijn. Alleen in een wereld waar inbeelding tot voorbij de grenzen van de redelijkheid is opgejut leest iemand dat Clinton drie moorden heeft gepleegd of dat de paus adviseert op Trump te stemmen, en denkt: ik wíst het. Vatbaarheid voor propaganda wordt alleen een acuut probleem als de feiten en de waarheid al lang zijn opgeheven – in een politieke cultuur die is teruggebracht tot een opgewonden gekrakeel in termen die de verbinding met de werkelijkheid al lang geleden hebben verloren.

Vertel het electoraat lang genoeg dat hun leefwereld wordt bedreigd door een vijand die elke verkiezing wordt afgestraft, maar gek genoeg nooit verslagen, en de man die opstaat en belooft eindelijk af te rekenen, en buldert I am your voice!, verschijnt vanzelf. De Republikeinen zagen zich plotseling gevangen genomen door hun eigen electoraat. Maar Trumps instincten zijn, in ultimo, niet zo anders dan de hunne, slechts radicaler. Hij vatte de oude boodschap weliswaar samen in de enige taal die hij kent, van domineren en vernederen, bijgestaan door zuivere leugens – de kern blijft hetzelfde. Trump is een extremist. Zijn oogst is echter door anderen gezaaid: het is niet de alt-right-beweging, het is gewoon Amerikaans rechts dat tot zijn ultieme consequentie is gebracht.

Wat te doen? De fatale fout, in de ogen van Norman Mailer, was dat de gematigde Republikeinen ooit gematigd ten strijde trokken. En net als de gematigde Republikeinen destijds is het ‘liberale midden’ te lang zo onder de indruk geweest van de nonsens over dat rechts zou spreken voor het gewone volk, dat ze als herten in groot licht verstijfden, en er niet aan toe kwamen het te ontmaskeren voor wat het is. Het zou een vergissing zijn om een knieval te maken voor de gedachte dat het volk inderdaad in de steek gelaten is door links – alsof de doelbewuste poging het electoraat tegen alle redelijkheid in te doen radicaliseren nooit heeft plaatsgevonden; alsof het agressieve nationalisme van Trump eigenlijk een redelijk antwoord is op heel redelijke grieven.

Het is een heilloze, doodlopende weg. Nationalisme is het idealisme van zuiverheid, en zal altijd leiden tot teleurstelling, verbittering en radicalisering, omdat het een waarde is die tegen de normale menselijke natuur zelf in gaat. Het leven is onvolmaakt – dat maakt het beschaafd. De zuivere eenheid die het nationalisme nastreeft is dan ook geen menselijke waarde, maar een vorm van disciplinering. Overal waar het vijandbeeld opduikt als antwoord op politieke problemen verstomt het genereuze ideaal van de liberale democratie, en lijdt de rechtsstaat.

De vijanden van het volk moeten immers verslagen worden – en de kiem van die ambitie wordt bevrucht op het eerste moment dat de grens tussen een verschil van mening en vijandschap om politieke motieven wordt vertroebeld. Daar ligt de perversie die, uiteindelijk, ruim baan geeft aan het intreden van de duisternis. Trump zelf is wellicht een mens zonder eigenschappen, maar het nationalisme dat hem heeft gezadeld is dat van een samenleving in burgeroorlog met zichzelf. Waar de disciplinerende wraaklust wint, verliest altijd de democratie.


Beeld: Washington, Witte Huis, 10 november (Jabin Botsford / The Washington Post via Getty Images)