Onderwijs: Lessen op afstand

‘Als u beweegt, zie ik u niet meer’

Leraren zijn het erover eens: tijdens de coronacrisis is afstandsonderwijs geen volwaardig alternatief, maar een noodgreep. Maar kan het openbreken van de onderwijskaders ook iets opleveren voor de toekomst?

Virtueel thuisonderwijs in coronatijd. Amsterdam, 24 maart © Anke Teunissen / HH

Pim van Basten Batenburg zit in overhemd voor zijn keurig opgeruimde keukenblok. Op de achtergrond zijn een kraan, aanrecht en witte keukenkastjes zichtbaar. De gezichten van zijn leerlingen uit de eerste klas gymnasium kan de twintiger niet zien, maar hun namen komen een voor een tevoorschijn in het videobelprogramma. De leraar Nederlands begroet zijn eersteklassers alsof hij op een normale maandagochtend bij de deur van een langzaam vol druppelend klaslokaal staat: ‘Goed om je te zien, Tess. Ha Matthijs.’ In het chatvenster naast Van Basten Batenburgs hoofd praten de leerlingen geruisloos terug, want alle microfoons staan, zoals het hoort volgens de videobeletiquette, netjes uit. ‘Hoe gaat het met jullie, jongens?’ vraagt Van Basten Batenburg. Direct verschijnen er getypte antwoorden op het scherm: ‘Goed, alleen huiswerk verpest het.’ ‘Saai, je mag niks doen.’ ‘Naja, je mag wel in de tuin zitten.’

‘We gaan eigenlijk hetzelfde doen als vorige week’, kondigt de docent aan. ‘Ik ga een heleboel uitleggen en jullie luisteren.’ Het is de tweede week waarin hij zijn leerlingen live videoles geeft. De eerste dagen van de coronacrisis gaven hij en zijn collega’s van het Sint Bonifatiuscollege in Utrecht vooral opdrachten op via weektaken en uitleg via de chatfunctie. Inmiddels zijn ze overgegaan op één videomoment per week: een stuk minder dan de vier lesuren die Van Basten Batenburg normaal met zijn klas heeft, maar toch beter dan alleen schriftelijk contact.

‘Jongens, let even op wat ik zeg in plaats van alleen te typen in de chat’, glimlacht de leraar terwijl de leerlingen nog druk mededelingen doen over hun gemoedstoestand en de kwaliteit van hun wifi. Ten opzichte van vorige week kondigt hij alvast een verandering aan: ‘Als ik iemand de beurt geef, mag diegene zijn microfoon aanzetten. Dan kan ik de stem van diegene even horen, want die mis ik natuurlijk ook.’ Er volgt een geconcentreerde uitleg over zinsontleding, met powerpoint. ‘Tino, wat was de derde stap van het stappenplan zinsontleding?’ Vijf seconden stilte. Plop, gekraak en dan een heldere puberstem: ‘Ik ken dat stappenplan niet uit mijn hoofd. Het onderwerp? O ja, het werkwoordelijk gezegde.’ Hij heeft geluk met zijn leerlingen, realiseert Van Basten Batenburg zich maar al te goed: een eerste klas gymnasium wil altijd graag leren en heeft daar ook nu behoefte aan, merkt hij. ‘Deze klas gaat als een trein.’ In zijn 2havo moet hij er meer energie in stoppen. ‘Maar dat is normaal ook zo.’

Sinds de scholen op 15 maart sloten, staat de onderwijswereld op zijn kop. Het was zondagavond toen minister Slob de sluiting aankondigde en binnen enkele dagen stampten scholen – die normaal niet bekendstaan als de meest dynamische en innovatieve organisaties – programma’s voor onderwijs op afstand uit de grond. Noodgedwongen veranderden leraren radicaal hun werkwijze. Of de scholen begin mei weer opengaan, is op het moment van schrijven nog niet duidelijk. Dat er aan de schoolsluiting grote nadelen kleven is evident. De volksgezondheidsmaatregel gaat met name ten koste van zogeheten ‘kwetsbare leerlingen’, waarschuwen docenten: kinderen die thuis geen goede studieplek hebben, weinig hulp krijgen of met wie school überhaupt geen contact krijgt. Onderwijs op afstand is frustrerend, hoor ik van veel docenten, en zeker niet alleen als de wifi hapert. Tegen een scherm praten is niet de reden dat je leraar bent geworden.

Toch klinken er zo nu en dan ook voorzichtig positievere geluiden. Want natuurlijk is het huidige afstandsonderwijs een noodgreep waarvan iedereen hoopt dat die snel niet meer nodig is – een enkele radicale onderwijsvernieuwer misschien daargelaten. Maar hoe onwenselijk de situatie ook is, ze heeft als neveneffect dat oude kaders over onderwijs opengebroken worden. Daardoor belanden vaak zo slepende discussies – over de duur van een lesuur kan normaal gerust een schooljaar worden vergaderd – opeens in een stroomversnelling. Scholen experimenteren meer dan ooit tevoren: niet alleen met digitale tools, maar ook met roosters, toetsen en lesvormen. Wat valt er uit deze noodgedwongen experimenten te halen? Welke sporen gaat de crisis achterlaten op ons onderwijs? Of keert alles, als het stof is neergedaald en de anderhalvemetersamenleving gestalte krijgt, gewoon weer terug bij het oude?

In 1989 bezocht Jan Lepeltak het eerste internationale congres over afstandsonderwijs. Learners and the global village, heette de conferentie in Jeruzalem. Taalkundige Lepeltak, die zijn carrière begon als leraar Nederlands, nam deel aan het congres namens de Stichting Leerplan Ontwikkeling (slo). De stichting helpt bij de ontwikkeling van het curriculum; Lepeltak was er medeverantwoordelijk voor het onderdeel ict en informatica. Destijds werkte hij aan een digitaal onderwijsnetwerk, niet via internet maar via zogenaamde Bulletin Boards. ‘Zegt dat je nog wat?’ vraagt hij lachend. ‘Dat was het poor man’s internet.’

Lepeltak houdt zich nu ruim dertig jaar bezig met digitale onderwijsvormen. Hij is inmiddels gepensioneerd, maar nog altijd actief op de onderwijsblog komenskypost.nl, die veel aandacht besteedt aan afstandsleren en de bezoekersaantallen de afgelopen weken zag stijgen. Er was tot voor kort weinig belangstelling voor leren op afstand, zegt Lepeltak, omdat de sense of urgency ontbrak. Als klein land hebben wij dat niet nodig, was de navolgbare gedachte. Toch was er één regio waar scholen al vroeg internet kregen en waar wel degelijk behoefte was aan leren op afstand: de Waddeneilanden. In 2006 zette Lepeltak het project ‘Waddencampus’ op: een digitale leeromgeving voor leerlingen van Ameland en Schiermonnikoog die hen beter moest voorbereiden op de stap naar een school aan wal – een overstap die ook nu nog noodzakelijk is voor wie naar de bovenbouw van havo of vwo gaat. Het project zou in 2011 een vervolg krijgen, maar was uiteindelijk vanwege uitblijvende financiering geen lang leven beschoren.

De afgelopen weken waren voor Lepeltak bevreemdend: nooit had hij verwacht dat ‘zijn’ onderwerp zo in de schijnwerpers zou komen te staan. En dat had hij natuurlijk ook nooit gewild; net als iedereen hoopt hij dat de scholen zo snel mogelijk weer open kunnen. Maar zolang er niets anders op zit, benadrukt hij graag dat er wel degelijk enige ervaring en expertise op het gebied van afstandsonderwijs bestaat in ons land. De op de Waddencampus opgedane kennis zou nu van pas kunnen komen, net als internationale kennis over afstandsonderwijs: het bespaart een hoop tijd als niet iedere docent elk digitaal wiel opnieuw hoeft uit te vinden.

Het bespaart een hoop tijd als niet iedere docent elk digitaal wiel opnieuw hoeft uit te vinden

Hij wijst op de Canadese provincie Ontario, die concrete richtlijnen geeft voor een zinnige hoeveelheid thuiswerk per leeftijdsgroep: in groep 1-3 niet meer dan vijf uur per week, met nadruk op geletterdheid en rekenen, voor groep 4-6 ook vijf uur, maar dan met iets meer verschillende vakken, enzovoorts. Het Nederlandse ministerie heeft wel een website gemaakt, maar concrete handvatten ontbreken. Niet voor niets richtten leraren daarnaast allerlei eigen websites op voor het delen van tips en informatie. Ook de nieuwe beroepsvereniging Lerarencollectief maakte een reeks video’s over afstandsonderwijs.

Maar zijn er algemene didactische richtlijnen te geven? De eerste weken zag Lepeltak veel leraren hun normale lesprogramma afdraaien voor een camera. Een gruwelbeeld, vindt hij: dat is niet de manier om leerlingen bij een les op afstand te betrekken. Hij herinnert zich hoe leerlingen op de Wadden weleens een jas over de camera hingen.

Hoe het dan wel moet? Het meest effectief is werken in kleine groepjes, stelt hij, van vier tot zes leerlingen, liefst van verschillende niveaus. Geef korte instructies en veel opdrachten die de leerlingen samen moeten maken; zo’n groepje zorgt voor sociale controle en gezelligheid. ‘Computerondersteund samenwerkend leren’, heet de methode. Maar levert dat niet veel extra werk op voor docenten, die het sowieso al niet makkelijk hebben met alle aanpassingen? Ja, geeft hij toe, dat vergt veel van docenten. ‘Alleen werken ze nu ook keihard, maar dan zonder resultaat. Dat is pas frustrerend.’

‘Als u beweegt, zie ik u niet meer’, klinkt het licht paniekerig uit een van de ruim twintig microfoons. ‘Je hoeft mij toch alleen te horen praten?’ zegt Kim van Strien rustig. ‘Ik ga gewoon even verder, Ashraf. Houd je geluid aan, dan komt het goed.’ Van Strien is docent Frans op een school in Katwijk. Vanmiddag heeft ze haar eerste klas mavo voor zich in de videochat. Op de achtergrond zijn alle vaste elementen van de inmiddels zo vertrouwde huiselijke achtergrond aanwezig: boekenkast, wasrek, koffiemok.

Van Strien houdt een grote plastic klok voor de camera. Wat weten haar leerlingen nog van de kloktijden, die ze ooit in dat andere leven op school geleerd hebben? Ze draait de wijzers naar drie uur. ‘Lisa, hoe zeg ik dit in het Frans?’ Stilte. ‘Zet je even je microfoon aan?’ ‘Dat is toch: il est drei hours?’ ‘Is dat Frans?’ ‘Nee, maar ik ben het vergeten.’ Vol goede moed vraagt Van Strien een klasgenoot, maar die ‘was er niet toen het werd uitgelegd’. Ook even later blijft het moeizaam, als de lerares wijst op voorbeeldzinnetjes die op het scherm zouden moeten staan. ‘Als je ze niet ziet, kun je in je boek kijken, op bladzijde 31.’ Maar ja, hoeveel pubers hebben hun boeken braaf openliggen als er geen dwingende ogen van leraren in de buurt zijn? ‘O jongens’, zucht Van Strien voor het eerst met enig ongeduld in haar stem. ‘Zorg nou dat je alles klaar hebt liggen, anders duurt het wel heel lang.’

Ze geeft de leerlingen een link naar een online quiz, zet haar microfoon uit en heeft even tijd om met mij te praten via een tweede scherm. Het is nog erg zoeken, vindt Van Strien. Tot nu toe vinden leerlingen het vaak wel relaxed. Sommigen vertellen zelfs dat ze zich beter kunnen concentreren: best voorstelbaar, want thuis is er minder afleiding dan in een drukke klas van 25 kinderen. Toch vatten vooral haar oudere leerlingen het soms allemaal iets té ontspannen op: toen haar examenleerling uit 4mavo vanochtend geen antwoord gaf tijdens een uitleg over de schoolafronding, bleek hij bezig een tosti te maken.

‘Bonjour’, klinkt het plotseling weer uit de andere computer: het blijkt het startschot voor meer microfoons om aan te gaan en te kletsen zoals in de klas. Van Strien laat het even begaan, tot het rumoerig wordt. ‘Ik zet jullie microfoons weer uit, jongens.’

‘Leerlingen vertellen me dat ze school missen’, zegt Erik Ex lachend. ‘Als we terug zijn is dat binnen een dag weer weg, hoor’, voegt hij er relativerend aan toe. Ex geeft geschiedenis op het Cygnus Gymnasium in Amsterdam en schrijft voor Trouw columns over onderwijs. Hij verwacht niet dat de invloed van deze periode blijvende effecten zal hebben: noch op de schoolliefde van leerlingen, noch op de manier waarop leraren lesgeven, al hoopt hij van wel. En dan gaat het hem niet per se om meer gebruik van technologie, maar om een andere revolutie die zich momenteel in het onderwijs voltrekt: de vaak zo hermetisch gesloten deuren van klaslokalen gaan open. Leraren werken plotseling samen, op schoolniveau en zelfs daarbuiten. Zo gaan twee gymleraren van verschillende Amsterdamse scholen viral met hun gezamenlijke filmpjes over bewegen.

Het normale rooster handhaven – zes lesuren per dag, elke vijftig minuten een ander vak? ‘Dat is totaal niet effectief’

Zelf geeft Ex geen klassikale lessen meer voor de webcam. Hij heeft het één keer gedaan, een verhaal vertellen met een powerpoint erbij. Na afloop vroeg hij zijn vijfdeklassers wat ze ervan vonden. Het was prima, luidde de teneur. ‘Dat is typisch een reactie van een leerling die niets geleerd heeft’, zegt Ex. ‘Het ging over cultureel nationalisme in Duitsland in de negentiende eeuw. Hoe kan je reactie daarop nou “o, prima” zijn?’ Sindsdien is hij daarom overgestapt op lessen waarin hij tijd inplant voor het individueel kijken van instructiefilmpjes – soms zelfgemaakt, soms van andere docenten – waarover de leerlingen vervolgens een quizje moeten maken. Zo probeert hij beter zicht te krijgen op de voortgang. ‘Die antwoorden vertellen mij tenminste: hé, dat hebben ze niet begrepen.’

In 2014 was Ex al begonnen met het maken van instructiefilmpjes, volgens het didactisch concept dat flipping the classroom heet en veel lijkt op wat hij nu ook doet: kinderen kijken de instructie zelfstandig en gebruiken de lestijd zo veel mogelijk om te werken aan opdrachten, waarbij de leraar begeleidt. Waarom was hij er destijds eigenlijk weer mee gestopt? ‘Zo’n filmpje maken kost al gauw een halve dag van je weekend. En anderen deden het gewoon beter.’ Ook nu verwijst hij soms naar collega’s, maar hij is er noodgedwongen ook zelf weer mee begonnen, want in de vijfde klas is het tijd voor het Midden-Oosten-conflict. Daar heeft geen van de bekende YouTube-docenten zijn vingers tot nu toe aan durven branden, constateert Ex lachend, dus doet hij het maar zelf.

‘Er is heel weinig normaal aan deze situatie’, zegt Femke Geijsel. ‘Maar toch willen sommige scholen precies aan het normale vasthouden.’ Ze is universitair hoofddocent schoolontwikkeling aan de docentenacademie van de Radboud Universiteit, maar spreekt hier ook vanuit haar ervaring als moeder van een brugklasser. Ze zag haar zoon welwillend aan de slag gaan, maar al snel verdwalen in de wirwar van mails, studiewijzers, huiswerkopdrachten, online lessen en digitale systemen. Met lede ogen kijkt ze toe hoe de school van haar zoon het normale rooster – zes lesuren per dag, elke vijftig minuten een ander vak – handhaaft. ‘Het is totaal niet effectief. In zo’n online les is de docent voor een groot deel aan het troubleshooten: werkt de verbinding? Snapten jullie wat ik in de mail gezet had?’

Geijsel begon in haar netwerk van schoolleiders en docenten te inventariseren hoe dat op andere plekken ging. Ze kwam erachte r dat er ook scholen waren die al wel snel van het gebruikelijke rooster afgestapt waren. Elke school maakt daarbij zijn eigen keuzes, geheel volgens de eigengereide Nederlandse onderwijstraditie, maar er lijkt wel een gemeenschappelijke tendens te zijn: kortere online instructies, facultatieve vragenuurtjes en een andere verdeling van vakken, zodat er per dag minder wisselingen zijn.

Ze heeft goede hoop dat de experimenten van deze crisis op de lange termijn positieve effecten gaan hebben. Geijsel sprak bijvoorbeeld docenten die al langer bezig waren om extra aanbod voor goede leerlingen te creëren, maar daarbij steeds vastliepen op een gebrek aan mankracht en tijd: voor zulk aanbod – per definitie gericht op een zelfstandige en gemotiveerde doelgroep – zou leren op afstand zich goed kunnen lenen. Maar ook aanpassingen aan het rooster, bijvoorbeeld naar minder vakken per dag en dus meer tijd per vak, bevallen sommige scholen verrassend goed.

Naast alle legitieme bezwaren en nadelen is er volgens Geijsel mogelijk ook een andere reden waarom leraren of scholen voorzichtig zijn met het laten klinken van positieve geluiden: ze zijn bang dat eventuele positiviteit later als boemerang in hun gezicht terug zou kunnen komen en dient als excuus om te bezuinigen. Niet helemaal onbegrijpelijk, want al voor de crisis werd de ‘cyberleraar’ tot afgrijzen van de sector door het ministerie aangedragen als potentiële oplossing voor het lerarentekort. Maar het onderwijs wordt van de veranderingen die Geijsel nu ziet zeker niet goedkoper, benadrukt ze: ‘De gewonnen tijd en rust gaat in meer ontwerptijd en dus kwaliteit van de lessen zitten.’

Bespaarde klassentijd zou daarnaast juist kunnen gaan naar leerlingen die extra aandacht of hulp nodig hebben. Dat merkt ook geschiedenisleraar Erik Ex, hoewel hij genoeg andere bezwaren tegen het digitale werken heeft. ‘Ik heb beter contact met de leerlingen met wie het echt nodig is’, legt hij uit. ‘In een klassensituatie ben je altijd met je ogen en oren bezig met de rest, en een kind zelf ook, dus langer dan een paar minuten praten is dan ingewikkeld.’ De betere en moeilijkere gesprekken voert hij op school eerder na de les. Nu belt hij leerlingen op als het nodig is: opeens is elk gesprek automatisch bevrijd van de vaak ingewikkelde dynamiek van de klas.

De eersteklassers van Kim van Strien krijgen een opdracht om zelfstandig aan verder te werken, want na een half uur online les is het gedaan met de concentratie. Ze moeten in het Frans een vlogje maken, waarin ze iets over zichzelf vertellen. De klas barst uit in de serie vragen die onvermijdelijk volgt op het geven van een creatieve opdracht. Mag het in groepjes? ‘Nee, je moet thuis blijven en anderhalve meter afstand houden.’ Krijg je er een cijfer voor? ‘Zal ik over nadenken. Wat vinden jullie?’ Alle microfoons in koor: ‘Nééé.’ Wie geen vragen meer heeft, mag gaan. ‘Yallah, peace, ciao’, klinkt het stoer. ‘Au revoir’, zegt de lerares.

In hoog tempo verdwijnt de een na de ander uit het gesprek. Een paar leerlingen blijven hangen. Soms krijgt ze zomaar een berichtje van een leerling, vertelt Van Strien me later. Niet over huiswerk of cijfers, maar gewoon over hoe het met hen gaat, of om te vragen hoe het met haar gaat. ‘Mevrouw, vond u Frans vroeger een leuk vak?’ klinkt het opeens uit Laura’s microfoon. ‘Onwijs leuk, anders zou ik geen lerares Frans geworden zijn’, zegt Van Strien met een glimlach. ‘Word jij later ook lerares Frans?’ ‘Nee.’ Het blijft even stil. ‘Maar ik wil wel lerares worden. Iets met talen, want daar sta ik het hoogst voor.’ De achtergebleven meisjes kletsen nog een paar minuten door, voordat uiteindelijk ook zij de virtuele ruimte verlaten.


De namen van leerlingen zijn om privacyredenen gefingeerd