Als van een geit

Silvio d’Arzo
Andermans huis
Uit het Italiaans (Casa d’altri, 1952) vertaald door Mieke Geuzenbreuk en Pietha de Voogd
Van Gennep, 94 blz., € 9,90

Sommige boeken komen van ver: deze novelle komt uit een gehucht van zeven huizen in de Apennijnen, geschreven eind jaren veertig, gepubliceerd in 1952, kort na de vroege dood van Silvio d’Arzo (1920-1952), schrijver van gedichten, essays en verhalen. Vreemder is nu de sfeer: op deze bijna onbereikbare plek gebeurt nooit iets. Het verhaal wordt verteld door de pastoor, zelf over de zestig, toen hij jong was Doctor Ironicus genoemd, die geïntrigeerd raakt door een oude vrouw (van 63) die recent buiten het gehucht is komen wonen en dagelijks in de rivier kleren en darmen staat te wassen: ‘Een malle oude vrouw, een malle pastoor, al met al een mal verhaal van niks.’

Wat ze hier doen in Montelice? vraagt een vers kapelaantje, dat eruitziet als achttien. ‘Nou… ze leven, dat is ’t… ze leven en daarmee uit, volgens mij.’ Een bladzijde verder: ‘En daarna gaan ze dood.’ Tussen leven en dood een bladzij verschil, weinig meer dan tussen de ene en de andere dag. Grijs is hier de tijd die eeuwen duurt. De schrijver weet dat in de paar pagina’s van dit verhaal voelbaar te maken. Daardoor wordt de vraag die de vrouw kwelt volkomen begrijpelijk: mag zo’n leven, dat niet anders is dan als van een geit, in een enkel geval niet eerder ophouden? De vrouw schaamt zich dood, toch zegt ze het en vlucht na haar bekentenis, die meer een aankondiging is, haar huisje in. De pastoor weet dat hoe donker het er binnen ook is, hij er blindelings elk voorwerp zou kunnen vinden. Want leven niet alle mensen daar in zo’n hol van twee bij twee? Dat lijkt me ook de strekking van de titel: een huis als van zovele anderen, en ook: verder dan de deur komt de verteller niet.

Drie maanden erna wordt de vrouw begraven. Grote plagen hebben de pastoor nooit veel gedaan, er is toch niets tegen te beginnen. De ironie wil dat de man ook als hij met de nood van zo’n grijze ziel geconfronteerd wordt – die zij zelf precies verwoordt – met de mond vol tanden staat. Er wordt maar één vraag gesteld, al opent die een afgrond onder een rustiek maar schimmig bestaan. Het gaat dus om veel meer dan dat onderwerp, het raadsel in de vouwen van de grijsheid. De pastoor heeft er een vermoeden van, de schrijver heeft er een suggestieve novelle van gemaakt. Knap als zo’n kleine geschiedenis na een halve eeuw nog zo sterk werkt.