Als we het niet dachten

Jaap Robben schreef de hel zelf © Robin Utrecht / HH

Het is in deze sombere roman al snel duidelijk hoe de kaarten geschud zijn. Nare vader en naïeve zoon wonen in een caravan op een verwaaid terrein ‘met oude schaftketen, stacaravans, zeecontainers en de loods van Bruine Henri en Jean’. Robben zet dit gebiedje in sterke beelden neer, zoekt het niet in uitvoerige beschrijvingen maar geeft liever wat treffende beelden. Hij beschrijft asociale figuren op een platteland die elkaar in een wurgende greep van onbenul, geldzucht, miscommunicatie en liefdeloosheid stevig vasthouden. Waar wetteloosheid de scepter zwaait. Steeds laat hij beelden het werk doen, hij piekert er niet over expliciet te formuleren waar het om gaat. Hij legt niet uit maar toont.

De dreiging zit al direct in de eerste zin: ‘Ik dacht dat we zomaar een stukje gingen rijden.’ De roman samengevat. Zoon Brian, dertien jaar, is aan het woord: hij is onzeker, voelt zich altijd opgejaagd door zijn sociopathische vader die alleen in geld en eigenbelang denkt. Verderop schetst Robben de situatie nog een keer, de lezer heeft aan een half woord genoeg: ‘In de laadbak rammelen roestige verwarmingsbuizen en de kast van de wasmachine die we gisteren uit de berm hebben opgepikt. Pa slaat af en stopt bij het tankstation. “Moet jij nog iets?” vraagt pa terwijl hij de tank laat vollopen.’

Moet jij nog iets. Dit is de kale stijl van de verschrikkingen die later volgen. Robben piekert er niet over verderop enig tegenwicht in te brengen, geen ironie, geen halve lachbui, geen melancholie, zo van later-gaat-het-goed-komen, maar een tot in alle treurigheid en detaillering uitgewerkt verslag van armoede, asocialiteit, psychopathie en miscommunicatie. Dit is geen sociaal-democratische roman waarin iemand zich opwerkt van grijze onbegrepen muis tot succesvol dichter, chirurg of profvoetbalster. Dit is de hel zelf. Met als klap op de vuurpijl heen en weer gesleep van een zowel verstandelijk als lichamelijk gehandicapte broer van Brian die tijdelijk bij hen intrekt. Ook dat dus nog.

Ik ben gewoonweg niet geschikt voor deze roman

We zien alles door de ogen van de zoon Brian, die niet in staat is te doorzien onder welke omstandigheden hij opgroeit en hoe zijn vader hem geestelijk mishandelt. Hij heeft nog wel enig benul van wat saamhorigheid of solidariteit zou kunnen zijn, maar valt toch regelmatig terug in wangedrag. Zo scheelt het niet veel of hij maakt seksueel misbruik van het verstandelijk gehandicapte meisje Selma, dat in hetzelfde verzorgingstehuis woont als zijn gehandicapte broer. Deze vertelopzet geeft Robben de gelegenheid zijn personages in onwetendheid over hun drijfveren, verlangens en frustraties te laten blijven. We kijken er samen met Brian met enige beklemming naar, steeds ons met hem afvragend of het nu alstublieft niet nog erger hoeft te worden, maar dat valt tegen. Want het wordt allemaal nog erger in dit sombere inkijkje in deze groteske wereld van losers en misdeelden. Ook dat mooie aquarium met die fijne vissen erin gaat eraan, ja, als we het niet dachten.

Ik las deze roman met gemengde gevoelens, ik ben er gewoonweg niet geschikt voor, dat moge duidelijk zijn, maar ik zag zeker ook de sterke kanten ervan. Robben is op z’n best wanneer hij via details deze wereld oproept. Dan schuilt er een verfijnde en gevoelige waarnemer in zijn stijl. ‘Ma omhelsde oma in de deuropening. Haar pantyhakken kwamen uit haar schoenen omhoog, omdat ze op haar tenen ging staan.’ Ja, dit is nog eens precies kijken en schrijven. En Robben strooit moeiteloos zijn zeer precieze waarnemingen in zijn roman rond. ‘In zijn haren ruikt het naar versleten vloerbedekking.’ En wanneer Brian een oude motorhelm op zet staat er: ‘Het is een oude van pa, het droge schuim aan de binnenkant pulvert zodra je erin drukt.’ Dit is sterk gezien, met een vergrootglas kijkt Robben naar de wereld. Of deze: ‘Een kriebelwolk muggen hangt boven een berg autobanden.’ Schitterend, dat ‘kriebelwolk’.

Maar waarom zette Robben zijn schrijfgevoeligheid die hij in ruime mate bezit, zie ook zijn poëzie, zo weinig in bij deze barre helletocht van een roman? Het werd me niet duidelijk. Natuurlijk probeerde hij bij de lezer, bij mij, enig begrip voor het asociale gedrag van de vader bij te brengen. Want die kan er ook niet veel aan doen, weet je wel, gaap gaap. Maar waarom dan dit (over)bekende thema nog eens zo sterk uitvergroot aan ons voorgezet? Met scènes die alle spuigaten uitlopen. Waarin alle oordelen en vooroordelen die we over de medewerkers van gehandicaptenzorg toch al koesteren nog eens worden uitgeserveerd. ‘In de gangen die naar de uitgang leidden, rook het naar soep’, ja, daar gaan we weer. Waarin hulpverleners en ziekenverzorgers in plechtig ambtelijk jargon tegen hun ‘patiënten’ spreken. Hoe oppervlakkig wil je het hebben? Wilde Robben in een moeite door werkelijk de gezondheidszorg aanklagen? En dan met dit soort goedkope stijltrucjes aan komen zetten? Wat is precies de bedoeling van deze (zelf)medelijdende roman? Dat het zo erg is allemaal met gehandicapten in de familiekring? Maar dat wisten we al.

Dit boek past in een recent oprukkende traditie in kunst en literatuur over het lijden van de mens. We krijgen dit programma in steeds verder uitvergrote details voor onze kiezen waarbij alles zo expliciet en plechtig mogelijk wordt getoond. Waarbij schrijvers en kunstenaars zich opwerpen als de nieuwe lijdensprofeten. Zie bijvoorbeeld het oeuvre van Griet Op den Beeck waarin medelijden en zelfmedelijden om voorrang strijden. Lekker lijden en meelijden, dat is de nieuwe kunst. Het heeft iets zelfgenoegzaams. Iets van: wij schrijvers zien het net even beter dan jullie, en dus zullen we het jullie wel eens even extra inpeperen. Wen er maar vast aan.