De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Als we niet oppassen… wat dan?

Tien jaar geleden liep ik in mijn vierde jaar als toneelstudent stage bij Toneelgroep Oostpool, in Arnhem. We repeteerden aan Italiaanse nacht (1931), een stuk van Ödön von Horváth (1901-1938).

Horváth is een echt Interbellum-mens. Een Duitse Hongaar, geboren in Kroatië als kind van een diplomaat die veel reisde. Wenen, Belgrado, Berlijn, de Eerste Wereldoorlog op de achtergrond. Een liberaal die tussen 1926 en 1933 in Berlijn woonde, succesvol was en gelauwerd werd met allerlei penningen en nog wat onderscheidingen maar uiteindelijk – u voelde hem misschien al aankomen – na 1933 geen werk meer opgevoerd kreeg wegens censuur en conflict met de nieuwe Duitse regering. Daarna werd hij – na eerst een vrijwillig ballingschap – tot persona non grata verklaard. Zijn boeken werden in 1936 verbrand door de SA. Via Wenen kwam hij na de Anschluss in 1938 in Amsterdam terecht, waar eerder twee van zijn werken waren gedrukt: Jugend ohne Gott en Ein Kind unserer Zeit.
In diezelfde stad werd hem – naar verluidt – door een waarzegster aangeraden naar Parijs te gaan, waar hem iets groots stond te gebeuren. Inderdaad. Tijdens een onweersbui werd hij na een blikseminslag dodelijk verwond door takken en andere stukken puin die van een boom op hem neerstortten.

Terug naar Italiaanse nacht, een stuk uit 1931, met archetypische personages die bijna uitsluitend in slogans spraken. Over de uitvoering in 2007 schreef iemand in een online recensie:

‘Centraal staat de obligate, Italiaans getinte feestavond van de socialisten die strandt op de agressie van rechtsradicalen. De sleetse idealen van een gezapig en zelfgenoegzaam links leggen het af tegen domme rechtse polarisatie. Als we niet oppassen, zal de auteur er wel aan hebben willen toevoegen.’

Als we niet oppassen, zou Von Horváth hebben willen toevoegen…
Wat dan?
In 2007 leek dat maar een rare vraag; die willen beantwoorden zou onzinnig zijn.
‘Rechtsradicalen, socialisten, polarisatie, hoho, doe eens rustig aan man!’ In 2007 was er nog niet ‘zo veel aan de hand’. Het was nog voor de bankencrisis, voor de Arabische lentes, voor de kopvoddentaks, voor WikiLeaks, voor de Eurocrisis rondom Griekenland, voor Zwarte Piet is racisme, voor Syrië. Obama moest zelfs nog president worden. Het zou nooit zo ver komen dat we ons zouden moeten afvragen: ‘Ja, wat dan?’
Nu, tien jaar later, vraag ik me toch voorzichtig af:
Wat dan?
Dan is Donald Trump president van de Verenigde Staten, heeft Rusland weer een tsaar en Turkije een padisjah. Is het Midden-Oosten een puinhoop, reizen geradicaliseerde moslims naar het kalifaat, wordt er openlijk gefantaseerd over moslims uitzetten, noemen populistische leiders wereldwijd zichzelf de enige die de zorgen van de burger kan wegnemen.
Wat dan?
Dan is Nederland veranderd in een land waarin de tegenstelling en de tweedeling als een dikke laag smog over de straten zijn neergedaald. Dan naderen de Tweede-Kamerverkiezingen, 15 maart.
Ik pak de recensie van Italiaanse nacht er nog eens bij.
De sleetse idealen van een gezapig en zelfgenoegzaam links leggen het af tegen domme rechtse polarisatie, lees ik terug. Ik krijg bij zowel het linker als het rechter rillingen over mijn rug.
Over twee weken staan we in een stemhokje, is er ’s avonds de eerste exitpoll en de volgende ochtend, dan…
Wat dan?
Dan weten we wat voor Italiaanse nacht we er in Nederland op hebben zitten.