Column Demonen

Als wespen

Overleden mensen van dichtbij, die je niet of nauwelijks kende, blijven zweven in de achterkamers van je hoofd.

Ik denk nog regelmatig aan Wim. Hij zat bij mij in de scouts en op een dag vertelde mijn moeder dat hij was aangereden op het kruispunt van een grote steenweg die langs het dorp scheerde waar ik opgroeide. Het is een druk kruispunt, maar in principe kun je er niet aangereden worden, tenzij een idioot door rood rijdt. Wim was even oud als ik, elf toen hij overleed. Ik kende hem niet. We gingen naar de begrafenis en we kregen allemaal een rouwprentje waarop een foto van een frêle, bleke jongen stond afgebeeld en ik pijnigde mijn hersenen, maar ik kon me niet herinneren hem ooit bij de scouts te hebben gezien. Wellicht was het een stille jongen, en het is waar dat we een grote groep hadden.

Bij de scouts zat ook een klootzak, een echte eikel die zijn slachtoffers uitzocht onder de zwakkeren en de stillen. Ik weet niet of hij Wim ooit geterroriseerd heeft, maar iedereen in het dorp haatte hem. Behalve de mensen die hij met geweld dwong om hem tof te vinden. Op een gegeven moment vormde hij een koppel met een meisje waar ik heel lang verliefd op was geweest. Dat vond ik onbegrijpelijk, dat zo’n klootzak zo’n lief meisje kon krijgen, maar met dat meisje ging het later, toen ze al lang niet meer met die klootzak was, ook goed mis. Dus ja. Enkele jaren nadat ik het dorp had verlaten, werd de klootzak geschept door een auto, op de weg die ons dorp verbindt met de naburige gemeente waar mijn moeder heden ten dage woont. Vrienden van me hadden hem in de tussentijd beter leren kennen en zelfs waarderen. Maar ik heb nooit getreurd om zijn dood. Ik kende die klootzak niet. Toch denk ik ook aan hem nog regelmatig, vooral wanneer ik weer eens mijn moeder bezoek. Ik weet precies op welke plek hij werd geschept.

Ook denk ik nog vaak aan dat jongetje dat enkele jaren geleden door een bus werd geraakt bij het Marnixbad in Amsterdam. Wekenlang lag er een berg bloemen tegen de gevel van het huis waar hij tegenaan was gevlogen. Soms kom ik er langs en liggen er opnieuw bloemen. Dan is er weer een jaar voorbij. Van dat jongetje weet ik niet eens hoe hij eruitzag.

En de laatste maanden, ik weet niet waarom, moet ik weer bijna dagelijks denken aan Floor van der Wal. Ook haar kende ik niet. Wel heb ik haar zien spelen en één keer heb ik haar gesproken, op de afterparty van het Amsterdam Comedy Festival in Toomler, een paar jaar geleden. Ze droeg een strak jurkje met een zwart-wit luipaardmotief. Daar heb ik haar later vaker in gezien. Iedereen was dronken, maar ik meen me te herinneren dat zij het had over het feit dat ze toch zo’n lekker wijf was. Dan heb je al snel mijn sympathie.

De lijst van mensen aan wie ik met regelmaat moet denken wordt steeds langer. Terwijl het verdriet om wie ik wel echt heb gekend een plaats heeft gekregen, of is vervaagd, uitgewist door het voorbijgaan van de dagen, blijven zij in de achterkamers van mijn hoofd zweven, als geesten, of demonen die eens in de zoveel tijd verschijnen aan de binnenkant van mijn ogen, zoekend, alsof ze niet weten waarnaartoe.

Soms, wanneer ik het graf van mijn vader heb bezocht (dus ik moet eigenlijk zeggen: heel af en toe) dan loop ik op weg naar de uitgang langs dat gedeelte van het kerkhof waar enkel kinderen liggen begraven. Het zijn kleine zerken, het lijkt wel een speelgoedbegraafplaats. Ik scan de data en de namen, vraag me af of er iemand tussen ligt die ik heb gekend, of bijna, op de lagere school of zo, of misschien ken ik de ouders wel. Maar ik heb nog nooit een naam gezien die mij iets zei. Alleen de data, de data zijn als een stalen hand die mijn hart dichtknijpt.

Ik heb er een keer gezocht naar het graf van Wim. Tot ik me realiseerde dat de graven van wie in 1982 zijn overleden wellicht alweer verwijderd zijn. Je hebt contracten van twintig of dertig jaar, geloof ik. Ik weet alleszins niet of ik, vader zijnde, het contract van zo’n graf zou willen verlengen.

Wanneer het naasten betreft lijkt mijn overlevingsdrang het te winnen van de machteloosheid en het onbegrip – omdat het anders onmogelijk wordt verder te leven. Het verdriet wordt verwerkt, of vervaagt.

Wanneer het onheil zich iets verderop afspeelt, in het struikgewas dat mijn levenspad afzoomt, blijven de beelden rondspoken als wespen die zich tegen de binnenkant van mijn schedel te pletter vliegen.

Er zijn slechtere wespen denkbaar dan Wim of Floor van der Wal, hoe verschrikkelijk alles ook is. Soms wou ik evenwel dat ik een klein raampje had in mijn schedeldak waarlangs ik af en toe een wesp naar buiten kon laten. Die klootzak bijvoorbeeld.