Beeldende kunst - Arnulf Rainers schilderijen zijn nooit af

Als wild dat hangt te besterven

Hij werkte onder invloed van drank en drugs, geblinddoekt en zelfs met chimpansees. Maar bovenal is Arnulf Rainer schilder, die een poging doet de schilderkunst ‘stil te leggen’.

Medium rainer

Arnulf Rainer, nu te zien in het Cobra Museum in Amstelveen en bij Galerie Onrust in Amsterdam, wordt vaak omschreven als een maniakale kunstenaar. Een woesteling, die roept en raast en zich met heel zijn ziel en zaligheid verzet tegen de gevestigde smaak. Als een getormenteerd en zwaarmoedig kunstenaar ook – hij is Oostenrijker tenslotte – die drugs neemt en zich lam drinkt om alle redelijkheid buiten spel te zetten en zijn hele dierlijke onderbewustzijn op het doek te smijten. Toen hij in april dit jaar het Oostenrijkse Erekruis voor ‘Wissenschaft und Kunst 1. Klasse’ kreeg uitgereikt, omschreef de directeur van het Weense Albertina Museum hem in een van de lofredes als een ‘ravenzwarte pessimist’ en ‘grootmeester van de publieksbelediging’.

Om met dat laatste te beginnen: die reputatie als publieksbelediger is voornamelijk gestoeld op één incident, uit nota bene 1951. In maart van dat jaar opende in het Wiener Gesellschaft für Wissenschaft und Kunst een tentoonstelling van de Hundsgruppe, een groep kunstenaars onder wie Rainer, Ernst Fuchs en Anton Lehmden, die zich afzette tegen de zogenaamde Weense School van het Fantastisch-Realisme. Rainer gebruikte in deze tijd af en toe het pseudoniem ‘Trrr’ (wat het geluid van een grommende hond moest imiteren). De opening van de tentoonstelling veroorzaakte tumult, omdat Rainer uit het niets het publiek begon uit te schelden. Tijdens de openingsspeech van Ernst Fuchs klom hij op een ladder en begon te schreeuwen: ‘Ik spuug op jullie allemaal, met jullie verrotte idee van kunst!’ Het moment geldt als het officiële begin van het tachisme in Wenen. Rainer was toen 21.

Hij zette zich van jongs af aan af tegen het establishment. Er was ook voldoende om tegen in het geweer te komen, zeker voor iemand met serieuze artistieke ambities. Na het overlijden van Gustav Klimt en Egon Schiele (beiden in 1918), en het vertrek van Oskar Kokoschka (die in 1934 naar Praag vluchtte, en vervolgens naar Engeland) was Oostenrijk verzand in wat zo mooi ‘cultureel provincialisme’ wordt genoemd; er werden geen internationale tentoonstellingen meer georganiseerd, het land raakte afgesneden van de rest van Europa. Bovendien stond de middelbare school waar Rainer op zat onder toezicht van de Nationaal-Socialistische Partij. Op zijn vijftiende hield hij het er voor gezien, omdat een nieuwe kunstleraar hem dwong naar de natuur te tekenen.

Op de Akademie für angewandte Kunst gaf hij er meteen op de eerste dag al de brui aan, na een ‘artistieke onenigheid’ met een assistent van de professor. Niet veel later werd hij toegelaten tot de schilderafdeling van de Akademie der bildenden Künste, maar toen op de derde dag zijn collega-studenten zijn werk ‘gedegenereerd’ noemden, pakte hij ook daar zijn biezen.

En ja, Rainer sloeg zijn handen wel eens stuk tegen een schilderij en hij werkte onder invloed van drank en drugs, geblinddoekt en zelfs met chimpansees. In 1948 kwam hij in aanraking met het surrealisme – in vrijwel alle opzichten het tegenovergestelde van het sociaal-realisme, wat hem moet hebben aangesproken – en liet hij zijn fantasie de vrije loop in intense tekeningen, volgepakt met details, van een soort bizarre onderwaterwerelden: landschappen vol zwevende naakten, uit de kluiten gewassen natuur en ontelbare spinnenwebben. Een bezoek aan André Breton in Parijs stelde echter teleur; die vond de tekeningen totaal oninteressant.

Hij werkte enkele jaren volgens het principe van de écriture automatique. De tekeningen kregen een steeds grotere lijndichtheid en vormden een gesloten zwart web. De eerste Übermalungen, die Rainer beroemd zouden maken, volgden in 1952 en leken hier een logisch vervolg op: een behoedzaam proces waarbij hij – in eerste instantie bij gebrek aan materiaal – doeken van zichzelf en anderen overschilderde.

in 1959 zette hij samen met Ernst Fuchs en Friedensreich Hundertwasser het ‘Pintatorium’ op, een alternatieve kunstacademie, geheel gestoeld op zelfstudie. Ook dit was een daad van verzet, om de schilderkunst te redden van ‘haar castratie door de academie’. Iedere vorm van kunstscholing moest onmiddellijk stoppen en de jeugd moest weer ‘vergiftigd worden met verbeelding’.

Kunstscholing moest volgens Rainer stoppen en de jeugd moest weer 'vergiftigd worden met verbeelding'

Twee jaar later werd Rainer gearresteerd en beboet nadat hij publiekelijk – en zonder toestemming – een schilderij van iemand anders had overgeschilderd. Hij raakte geïnteresseerd in verstoorde waarneming en in de kunst van geesteszieken. Ook begon hij te experimenteren met werken onder invloed van drugs, wat hem op wetenschappelijke belangstelling kwam te staan. In 1966 filmden dokters van de Universiteitskliniek in Lausanne hem terwijl hij tekende onder de invloed van psilocybine, oftewel paddo’s. Een jaar later werd hij in het Max-Planck-Instituut in München geobserveerd terwijl hij werkte met lsd op. Hij was toen 37.

Rainer is inmiddels 84 en een gelauwerde éminence grise van de Oostenrijkse kunst. Hij deed mee aan diverse biënnales en Documenta’s, had tentoonstellingen van Japan tot in het Guggenheim in New York en sinds 2009 heeft hij zelfs een eigen museum in zijn geboorteplaats Baden, nabij Wenen. Naar aanleiding van een tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag zei hij in 1990 al in NRC Handelsblad: ‘Van mij zei men altijd: dat is een waanzinnige, een gek. Maar ik antwoordde: bewijs het maar eens! Het is alleen een kwestie van tijd. En ik heb gelijk gekregen. Vandaag is mijn werk normale schilderkunst.’ Rainer is door critici wel eens verweten dat hij koketteerde met een geënsceneerde gekte, maar die gekte van ooit, al dan niet geënsceneerd, is voor velen blijkbaar nog altijd een voorname reden om hem te liefkozen en bewonderen. Toch jammer voor iemand die in de eerste plaats schilder is.

En precies dat maakt de tentoonstelling Übermaler in het Cobra Museum zo goed: hier draait het om Rainers schilderkunst, en niets anders dan dat. Goed, ergens op een wand is zijn sappige biografie te lezen, met foto’s van Rainer die samen met een chimpansee schildert en bijvoorbeeld zijn eigen gezicht insmeert met zwarte vegen. En ietwat verstopt achter in de ruimte draaien ook twee documentaires van de Oostenrijkse filmmaker Herbert Brödl: Maler Rainer: Ein Altersporträt (2014) en Arnulf Rainer – Sternsucher (1994). Omdat je er de schilder aan het werk kunt zien – met een in natte verf gedrenkte bezem zet hij geconcentreerd brede verticale banen op verschillende schilderijen die in een rij voor hem staan opgesteld – voegen de films zeker wat toe, maar het was vooral een wens van het museum om ze te tonen. De samenstellers Rudi Fuchs – al ruim veertig jaar bevriend met Rainer – en Maarten Bertheux hadden de films liever achterwege gelaten. Net zoals ze met de titelkaartjes hebben gedaan, omdat de meeste schilderijen zonder titel zijn en dikwijls ook nog ongedateerd. Er is een vouwblad beschikbaar met alle informatie, voor wie dat wil.

Spectaculair is de radicale manier waarop de tentoonstelling is ingericht – bijna zonde om te verklappen, want ikzelf wist bij binnenkomst eerlijk gezegd even niet wat ik zag. De expositie omvat maar liefst zo’n 140 werken, waarvan veruit het merendeel is gemaakt in de afgelopen vijftien jaar. Op de enkele oudere werken na, die op losse wanden worden gepresenteerd, hangen ze allemaal op ongeveer gelijke hoogte naast elkaar, in één lang lint, als een fries of banderol, langs de vier lange buitenste wanden van de expositiezaal. Een ongebruikelijk gezicht: in de manier van ophangen is geen enkele hiërarchie aangebracht; alle werken, klein of groot, vragen erom op dezelfde manier bekeken te worden, geen één is belangrijker dan het andere.

Het is een meesterzet – hoezeer het gebrek aan sturing, samen met de summiere achtergrondinformatie, menige bezoeker ook wel eens zou kunnen opbreken. De tentoonstelling gaat hierdoor nog nadrukkelijker níet over ‘Rainer, de gekke kunstenaar’, maar over zijn werk, en over hoe zijn handschrift zich in de afgelopen vijftien jaar heeft ontwikkeld. De tentoonstelling is in de eerste plaats een oefening in kijken en vergelijken, waarbij je als bezoeker volledig vrij wordt gelaten en wordt uitgenodigd om af en toe ook eens een stapje terug te doen – analoog aan de manier waarop Rainer zelf ook constant teruggrijpt op zijn werken uit eerdere periodes.

Voor de liefhebber zijn er wilde, roodbruine uitbarstingen te zien, doeken waar de verf met zichtbaar geweld is opgebracht met de blote handen (volgens de overlevering was Rainer in 1973 zo heftig aan het schilderen dat zijn penseel brak, waarna hij met zijn handen verder ging en deze manier van schilderen verder ontwikkelde). De recente schilderijen zijn kariger, maar ook kleurrijker, de verf is dunner opgebracht, ze zijn zichtbaar langzamer ontstaan – heeft met de leeftijd te maken natuurlijk. Als ondergrond voor de Übermalungen dienen portretten, naakten, (kunst)historische prenten en landschappelijke voorstellingen. Vooral de gezichten – altijd al een belangrijke preoccupatie van Rainer – voorzien van sluiers van verf, zijn prachtig.

Wat misschien wel het meest blijft fascineren aan deze schilderijen is het feit dat ze onaf zijn – althans voor de kunstenaar. Rainer heeft altijd beweerd dat zijn Übermalungen voortkomen uit onvrede met het bestaande beeld, en dat hij die onvrede altijd houdt. In zijn atelier blijft hij aan zijn schilderijen werken, iedere maand zet hij er wel weer een nieuwe veeg overheen. In de eveneens door Fuchs samengestelde tentoonstelling met niet eerder getoonde kleinere werken bij Galerie Onrust is dit letterlijk zichtbaar. Alle schilderijen zijn voorzien van een aluminium lijst, maar een aantal van die lijsten zit onder de verf; Rainer is er vrolijk aan door blijven werken. Het liefst zou hij hiermee door blíjven gaan, zelfs al hangt het werk in een tentoonstelling of bij iemand boven de bank. Met zijn Übermalungen doet Rainer een poging de schilderkunst slechts ‘stil te leggen’. Iemand omschreef zijn schilderijen eens als wild dat hangt te besterven – dat is precies wat het is.


Arnulf Rainer, Übermaler, t/m 30 augustus, Cobra Museum, Amstelveen, cobra-museum.nl. Arnulf Rainer, Idyllen, t/m 13 juni, Galerie Onrust, Amsterdam, galerieonrust.nl


Beeld: Arnulf Rainer, Blume_, ongedateerd. Gemengde techniek op papier, ca. 44 x 30 cm (Christian Schepe, Oostenrijk / Cobra Museum)_