Van directeur Oudheid tot reisleider

‘Als Zahi de farao is, dan is-ie dat omdat de rest niets is’

Ooit was Zahi Hawass de oppermachtige heerser over de schatten van Egypte. Nu geeft hij lezingen en klust bij als freelance reisleider. Maar langzaam vindt hij weer de weg omhoog. ‘Ik ben een superster.’

Licht uit, spots aan! Een straffe beat doet de kroonluchters van Mena House, het paleishotel aan de voet van de Grote Piramide, tinkelen. Powerpointpresentatie. Z’n iconische hoed schiet door het beeld, op z’n buik, in een tombe, rukkend aan een touw: ‘Goddomme, idioten, laat zakken die sarcofaag!’ dreunt de stem van Zahi Hawass door de grafspelonk. Soundbites knallen op het doek: ‘De mensen dragen hem op handen, omdat hij een geweldige acteur is’, zegt boezemvriend Omar Sharif. ‘Hij schittert als de zon’, zegt ex-first lady Jehan Sadat. ‘Je houdt van hem of je haat hem, er is geen in between.’

De beat wordt opgevoerd en veertig bejaarde Amerikaanse toeristen zitten op het puntje van hun stoel. ‘Tweet about this lecture using #dr.ZahiLive. @zahihawass in your tweet.’ Gouden mummies flitsen over het scherm en stills van Zahi met Hillary, Zahi met Lady Di. Met Beatrix, Beyoncé, Barack Obama. Een zwetende Zahi bungelend aan een touw, klem zittend in een piramideschacht. Op de laatste paukenroffel schrijdt de grote man door het middenpad de zaal in, naar zijn eigen filmbeeld. Hij is kleiner dan op tv.

‘Ik heb jullie nodig!’ begint Zahi Hawass zijn betoog voor de veertig Amerikaanse toeristen. Stuk voor stuk kijkt hij ze indringend aan. ‘Ik heb jullie nodig om straks aan de wereld te vertellen: Egypt is safe. Ik zal jullie de komende twee weken het land laten zien van noord tot zuid, van Alexandrië tot Abu Simbel en je zult zien: er is geen enkele kans op wat voor terroristische aanslag dan ook. Sinds de Arabische lente is het toerisme ingezakt tot nagenoeg nul – we hebben al bijna vijf jaar geen inkomsten meer.’

Beelden van het geplunderde Egyptisch Museum op het Tahrirplein worden achter hem geprojecteerd, en van brandende Koptische kerken. ‘Na twee jaar van anarchie en revolutie heeft het leger ingegrepen en president Morsi afgezet’, houdt Hawass zijn gehoor voor. ‘Het leger had geen keuze: als Morsi niet zou opstappen, zou er een bloedbad volgen. Het was een staatsgreep, maar het was een goede staatsgreep: zonder Sisi zou Egypte nu zijn als Irak en Syrië.’

Zahi Hawass (1947) – iedereen die wel eens slapeloze nachten voor National Geographic Channel (of Discovery, of History Channel) heeft doorgebracht, kent Dr. Zahi. In jeans en met de onafscheidelijke kaki hoed buitelde de archeoloog over het scherm in onvergetelijke documentaires als Pyramids Live: Secret Chambers Revealed (live uitgezonden in 141 landen, waarin een team archeologen met robotwagentjes de nieuw ontdekte gangen in de Grote Piramide onderzoekt), Chasing Mummies, en de live CT-scan van het lichaam van Toetanchamon (King Tut Unwrapped). ‘Een mediaster’, zeggen vrienden en bewonderaars. ‘Een mediahoer’, zegt een enkele medewerker. ‘Een superster’, zegt Hawass zelf.

Als explorer in residence verdiende de archeoloog bij National Geographic Channel een slordige 120.000 dollar per jaar. Vele malen meer dan het Egyptische ambtenarensalaris van een paar duizend pond. Want je zou bijna vergeten: van 2002 tot de revolutie van 2011 was de in Amerika opgeleide Hawass als directeur-generaal van de Oudheidkundige Dienst – en later als minister van Oudheden, een speciaal voor hem in het leven geroepen functie – de absolute heerser over Egypte’s schatten. Zahi de Onvermijdelijke luidt een bijnaam. Die vervlechting van publiek en privaat zal hem na de val van Moebarak bijna opbreken. Net als zijn neiging om nieuwe ontdekkingen gedaan onder zijn beheer (en dat zijn dus na 2002 alle nieuwe ontdekkingen) verbaal tot de zijne te maken. (Een archetypische openingszin in om het even welke documentaire: ‘Last week, I discovered new tomb…’)

‘Ach, Zahi is Zahi’, zeggen veel collega’s dan met een glimlach. Maar tijdens de Arabische lente protesteerden voor zijn kantoor jonge archeologen. ‘Weg, weg! En neem je hoed mee!’

En toch: zijn verdiensten zijn zo groot als zijn fouten, zeggen ook zijn opponenten. Met steun van de machtige presidentsvrouw Suzanne Moebarak richtte Hawass in het hele land archeologische veldmusea op, gaf de achttienduizend bewakers van de monumenten een basiscursus archeologie en sitemanagement, en wist de handel in gestolen kunst met wortel en tak uit te roeien. Met een reizende King Tut-tentoonstelling, die alleen al in de VS acht miljoen bezoekers trok, zette hij Egypte stevig op de kaart. De honderd miljoen directe inkomsten uit de ticketverkoop wist hij, dankzij zijn warme contacten met het regime, weer rechtstreeks in archeologie en museumbeheer te pompen.

Minder geliefd is Hawass in West-Europa door zijn niet-aflatende strijd om teruggave van verdwenen erfgoed: de Steen van Rosetta, (Londen), de buste van Nefertiti (Berlijn). Hij kijkt speurend de zaal in – kennelijk op zoek naar een Fransman in het publiek. ‘De Obelisk op Place de la Concorde!’ briest hij. ‘Er gaapt een leeg gat in Luxor! Ik geef jullie een jaar. Daarna ga ik ophef maken. I’m gonna make the life of the French miserable. Zijn er nog vragen?’

Het Tahrirplein in hartje Caïro is platgewalst. Om verdere revoluties te voorkomen heeft het nieuwe regime het plein veranderd in een gigantische ondergrondse parkeergarage. Over de betonvlakte, pal naast het Egyptisch Museum, waakt een ingegraven legerpost, het machinegeweer gericht op de stad. Het is vrijdagmiddag – weekend in Egypte – maar bij het museum dat de schatten der wereld bergt, zijn geen wachtrijen. Geen toeristenbus rijdt aan. Wat kindertjes rennen door de hal, tussen de standbeelden van de farao’s van het Oude Rijk. In de Amarna-zaal poseert een eenzame vrouw in niqaab naast de sarcofaag van ketterkoning Echnaton.

De trap dan op, naar de Toetanchamon-zalen, waar het altijd afgeladen was en je over de hoofden kon lopen. In de gang met de gouden schrijnen: geen mens. Bij de goud-emaillen troon tikt een bewaker verveeld op z’n mobieltje. Een laag stof ligt op de albasten canopenvazen. Uit de zaal met het gouden masker klinken stemmen. Twee jonge Fransen met een schetsboek op de grond. Het is halfduister in de zaal. Het gouden masker – het beroemdste kunstobject ter wereld – wordt aangelicht door vier kleine spots.

De andere schatten in de kamer – de vlegel en de kromstaf, de hartscarabee, ’s farao’s dolken van goud en meteoriet, de massief gouden binnenkist – voorwerpen die stuk voor stuk honderdduizenden bezoekers zouden kunnen trekken, licht ik aan met m’n mobieltje. Dan vallen ook de vier kleine spots uit en is het donker. De twee Fransen zoeken de weg naar de uitgang: ik ben alleen. Het gouden masker van Toetanchamon fonkelt in het licht van m’n iPhone.

Het is even zoeken in de drukke buitenwijk van Caïro, naar het kantoor van Zahi Hawass. Een aftandse betonnen woontoren, tussen andere aftandse betonnen woontorens, zonder huisnummer, zonder naambord. Een oude huisbewaarder spuugt op de vloer, de was hangt uit de ramen. Hawass doet zelf open.

‘Ja ik weet het, ik weet het.’ Mengeling van wrevel en pijn. ‘Ik wéét dat er geen toeristen zijn, dat hoef je er niet nog eens in te wrijven.’

Er liggen dikke lagen stof: het is een grof schandaal. >

‘Het Egyptisch Museum in Caïro is een staatsbedrijf: als ze een lamp moeten vervangen, kost ze dat een maand. Toen ik hier nog de scepter zwaaide, zei ik de directeur van het museum: als je een probleem hebt, meld je je bij mij! En dan loste ik het op, hup, binnen de minuut. In mijn tijd behoorde het museum tot de wereldtop. Maar je hebt gelijk: het ís een grof schandaal. Ook ik was er laatst en ben me kapotgeschrokken van de conditie van de kunstvoorwerpen.’

Niet de juiste condities om te hameren op teruggave van historisch erfgoed, lijkt me.

‘Als je arm bent en niet in staat je kinderen te voeden, blijven het toch je kinderen. Ik span me er de laatste tijd voor in het Egyptisch Museum uit staatshanden te krijgen en te privatiseren. Ik ben juist vandaag bezig met het schrijven van een ingezonden brief. Dan kun je je niet langer beroepen op het feit dat de conservatoren achterlijk zijn en de bewakers lui en incompetent. Toen ik nog de baas was, kwam ik iedere dag even langs, om de wc’s te inspecteren en de lampen en al dat soort zaken. Maar ik denk dat je in geen enkel gestolen voorwerp kunt berusten. Alle gestolen kunstvoorwerpen moeten terug naar Egypte.

‘Je hebt gelijk: het ís een grof schandaal. Ik was er laatst en ben me kapotgeschrokken van de conditie van de kunstvoorwerpen’

En kijk naar de trend onder sommige Europese musea, zoals het museum van Toledo nu: ze verkopen hun Egyptische kunstvoorwerpen ter waarde van tien miljoen euro om hun verbouwing te betalen. Alle ethiek is daarbij zoek: het is de plicht van elk museum kunstvoorwerpen te tonen en kunstvoorwerpen te bewaren – niet om ze te versjacheren. De minister van Oudheden heeft me gevraagd om in te grijpen – en ik ben nu net een brief aan het schrijven aan de directeur en de raad van bestuur van dat museum. En een ándere brief, aan de kinderen van Toledo, om ze te vragen niet meer naar dit museum te gaan totdat het plan van tafel is. Daar hebben ze vast niet van terug! Maar ik hoop oprecht dat ik de uitverkoop van oudheden hiermee kan stoppen en eens en voor altijd een grens te trekken voor álle musea.’

Tien jaar lang was u de onbetwiste heerser over alle oudheden. Nu zitten we in een anonieme woonkazerne zonder naambordje. Wat is er gebeurd?

‘Vind je dat ik een naambordje op de deur moet hebben? Dan doen we dat straks meteen. Maar de mensen weten me ook zónder wel te vinden. Iedereen is welkom om hier binnen te lopen.

Wat is er gebeurd? De avond van de 28ste januari 2011, de vierde dag van de protesten, zat ik thuis voor de tv en zag dat duizenden mensen het Egyptisch Museum binnenbraken. M’n hart stond stil, maar ik kon niet weg, het was spertijd. In mijn droom, die nacht, veranderden de standbeelden in levende mannen – alle grote farao’s van Egypte droegen mij op: “Red het museum!”

Bij het krieken van de dag reed ik naar het Tahrirplein. Niemand zal het museum plunderen, hield ik mijzelf voor. Dit zijn de afstammelingen van de farao’s: ze zullen het museum beschermen. De jonge mensen op het plein verwelkomden me met warmte en samen trokken we naar het museum. Uit het gebouw ernaast sloegen hoge vlammen – het was het hoofdkwartier van de regeringspartij, dat alle jongeren haatten. Ik zag dat honderd studenten een menselijke ketting hadden gevormd: “We zullen het museum beschermen!” Het was het mooiste wat ik ooit zag.

Binnen waren nog de plunderaars. Domme, onwetende mensen! Op zoek naar goud hadden ze zich op de souvenirshop gestort. Toen zijn ze naar boven gegaan, naar de mummiekamers, op zoek naar rode kwik. Rode kwik is een legende hier. Het zit in het hoofd van alle Egyptenaren, zelfs de hoogopgeleiden: als je de keel van een mummie opensnijdt, dan tref je daar een substantie, rode kwik, en die substantie drijft de duivels uit en maakt je rijk. Op dat moment waren de plunderaars nog in het gebouw. Omdat de politie in geen velden of wegen te bekennen was, belde ik een generaal van het leger en liet de militairen het museum binnen. Uiteindelijk vingen we elf dieven. Ik wilde met ze praten. Ze zaten met touwen gebonden op de grond. “Waarom plunderen jullie je eigen erfgoed?” Geen antwoord, alleen maar dom gegrijns. Ik ging naar de opengebroken vitrines en zag dat er uiteindelijk 54 objecten weg waren. Ik wist ze allemaal op te sporen. Behalve zeventien kleine bronzen beeldjes, Late Periode, nauwelijks het vermelden waard. Ik haalde de tv erbij, cnn, en verklaarde aan de wereld: het museum is veilig. Egypte is veilig.’

Twee dagen later benoemde Moebarak u tot minister.

‘Ik had geen keuze. Ik heb nooit minister willen worden. Ik ben een archeoloog, dat is m’n lust en m’n leven. Ze wisten dat ik een post als minister van Oudheden niet zou kúnnen weigeren, maar ook allerhande shit people werden minister. De avond van de tweede februari kreeg de revolutie een sinistere trek. De studenten zaten op de grond op het plein, vastbesloten om niet weg te gaan totdat hun eisen waren ingewilligd. Plotseling stormden paarden en kamelen het Tahrirplein op, een bizarre scène, als in een film, en de ruiters sloegen met zwepen in op de studenten. Daarna kwamen de troepen van Moebarak met stokken en stenen. Vanaf de omliggende daken werden molotovcocktails op de studenten gegooid – het was een ijzingwekkend gezicht. Uiteindelijk stierven die nacht negenhonderd jonge mensen.’

U maakte deel uit van het Moebarak-regime.

‘Als ik deel uitmaakte van het Moebarak-regime maakte iedereen deel uit van het Moebarak-regime. Ik werkte innig samen met mevrouw Moebarak – we waren bezig samen een kindermuseum op te zetten. Met de president ben ik nooit close geweest.’

Dan wordt Moebarak onder huisarrest geplaatst en neemt het leger de macht over. Een militaire staatsgreep. U blijft aan.

‘Ik dacht dat ik wat kon doen voor m’n land.’

Na een maand treedt u af.

‘Omdat ik erachter kwam dat ik niets maar dan ook niets kon doen. Overal in het land werden de musea aangevallen, de opslagplaatsen geplunderd en huizen op de opgravingssites gebouwd. Ik kon niets tegenhouden! Hoe kon ik blijven? Ik wilde geen deel meer uitmaken van zo’n regering. Ik wilde een signaal afgeven: doe iets! en bood m’n ontslag aan. Een maand later vroegen ze me om terug te komen.’

Dan wordt u voor het gerecht gedaagd en tot een jaar celstraf veroordeeld wegens corruptie.

‘Wat mij gebeurde, kan iedereen gebeuren die beroemd is. Ik heb elf jaar de Oudheidkundige Dienst geleid met straffe hand: als je iets fout deed, strafte ik je ter plaatse. Drie mannen beschuldigden me: de ene een archeoloog die goud had gestolen van een opslagplaats, de tweede een archeoloog die een site verwoest had en de derde man was de pachter van de boekwinkel in het museum. Ik had daar een grote boekhandel gemaakt, waar iedereen bij het weggaan onvermijdelijk doorheen moest. Dat leverde het departement jaarlijks tien miljoen dollar op. Die pachter heeft nooit zijn pachtgeld betaald.

In tijden van revolutie kun je iedereen aanklagen. Er waren 22 beschuldigingen: ik zou zonder toestemming kunstvoorwerpen aan het buitenland hebben uitgeleend. De reizende Toetanchamon-tentoonstelling, die het land 140 miljoen dollar opleverde! Kun je het je voorstellen? Alles wat goed is, deden ze slecht lijken. Minne mannetjes! Ik keek naar vele boeken die ik heb geschreven, die je hier ziet staan, en dacht: als je die allemaal op elkaar stapelt, zijn ze hoger dan mijn aanklager. Na een jaar werd ik vrijgesproken: ze vonden niets. Toen ik een kleine jongen was, zei mijn vader tegen me: “Stop je vinger niet tussen de tanden van andere mensen – neem nimmer iets van iemand aan.” Ik ben clean.’

Het emotioneert hem zichtbaar. (‘Nee, het emotioneert me niet!’) Een verlegen man komt binnen. ‘Meet Sandro! Mijn fotograaf en rechterhand. Interview hem. Hij kan je alles vertellen.’

‘Honderd studenten vormden een menselijke ketting: “We zullen het museum beschermen!” Het mooiste wat ik ooit zag’

En ons interview dan?

‘Geef me een moment van rust, praat met Sandro en kom dan terug.’

‘Alstublieft, mijn kinderen lijden honger!’ Kalenderverkopers zijn altijd al opdringerig, maar hier, bij de trappenpiramide van Djoser in Saqqara is de pressie ongekend. In Giza, tien kilometer verderop, heeft Zahi Hawass destijds het piramideplateau schoongeveegd. Het lokte bijkans een volksopstand uit, maar Hawass zette door en de hustlers zijn verdwenen. Saqqara is nagenoeg uitgestorven, op tientallen kalenderverkopers en kamelendrijvers na. En de veertig Amerikaanse toeristen van Hawass’ groep. Een klein reisbureau, Archeological Paths, heeft hem ingehuurd voor exclusieve rondleidingen. De farao is reisleider geworden.

Ze heten Peggy, Marcy of Deborah, de vrouwen in het gezelschap. De mannen heten Bob of Ike. Ze zijn bijna zonder uitzondering bejaard. Marcy heeft een waaier in haar hand met het portret van Hawass: ‘Hij is mijn held.’

Eerst bukkend, dan op handen en voeten duiken we de trappenpiramide in, het oudste stenen gebouw ter wereld. We dalen af in de grafschacht. Beneden, 29 meter diep, schemert de granieten tombe van de koning. We klimmen naar beneden via ladders en steigers. Is hier nooit een ongeluk gebeurd? De opzichter schudt van nee. ‘Niet dat ik weet. Er zijn hier, buiten wat archeologen, sinds begin jaren zeventig geen mensen meer geweest.’

We stappen in de bus. Tussen de zandduinen gehelmde commando’s in pantservesten, de vinger achter de trekker van het M4-aanvalsgeweer.

Op naar het veldmuseum van Saqqara. Een paar honderd exquise voorwerpen – niet 120.000 zoals in het museum in Caïro – in perfecte belichting uitgestald. De zalen spic span. Dit is wat Hawass als hoofd van de Oudheidkundige Dienst destijds voor ogen stond – en overal in het land richtte hij kleine veldmusea op. We gaan door de röntgen. Een man in flodderig pak loopt als ik de wc zoek drie passen achter me, een pistoolmitrailleur losjes bungelend onder het jasje. We vertrekken. Drie jeeps met zwaarbewapende militairen in ons kielzog.

‘Het verhaal van Zahi is een succesverhaal onderbroken door revolutie’, zegt fotograaf Sandro. ‘Dit is een land van nobodies. Niemand voert een klap uit. Als Zahi de farao is, dan is-ie dat omdat de rest niets is. Voordat Zahi hier kwam, was hier geen richting en geen visie. Egypte is een land zonder politieke traditie. De mensen worden geregeerd met de zweep. Er zijn vijf miljoen rijken, die zich van niets en niemand iets aantrekken en in hun eigen wereld leven, en zeventig miljoen ghosts. Schimmen, fantomen. Ze nemen op geen enkele manier deel aan het productieproces. Ze wonen in lemen huizen en leven op gesubsidieerd brood van de regering. Als die zeventig miljoen geesten op zekere nacht als bij toverslag zouden verdwijnen, zou niemand het merken – het land zou niet veranderen.

De normale kanalen om de macht te reguleren ontbreken in Egypte. Dus tiert de corruptie als nooit tevoren. Of Zahi corrupt is? Hij kijkt wel linker uit. Met zijn boeken en zijn exclusieve contracten met National Geographic heeft hij tonnen verdiend, zo niet miljoenen. Natuurlijk is dat belangenverstrengeling: hoofd te zijn van de Oudheidkundige Dienst én explorer in residence van National Geographic, dat hier de ene na de andere documentaire schoot. Maar Zahi gaf ook alle concurrerende zenders hun permits om te filmen en alle contracten waren openbaar. Zo werkt het niet in het Westen, zo werkt het wél in Egypte.

Nu hebben we een man zonder visie aan het roer. “Wat zijn uw plannen voor volgend jaar?” werd Sisi onlangs op een persconferentie gevraagd. “You will see”, was het antwoord. Onder druk van het imf is vorige week de wisselkoers van de pond gehalveerd. Van de ene op de andere dag is het geld de helft minder waard. Die devaluatie was de juiste beslissing – maar vanaf nu moeten de besluiten genomen worden door economen, niet door militairen.’

‘Kom!’ Terug in Giza. In hinkstapsprong springt Zahi Hawass van grafspelonk naar grafspelonk. He’s running me out. ‘Ik ga iedere dag naar de sportschool.’ Vanachter een heuvelkam schieten we een tombe in.

‘Do you know Robert? Robert is here to write my portrait’, stelt Hawass me, geheel overbodig, maar eens aan het reisgezelschap voor.

We gaan op de grond zitten (‘Nee, niet dáár! Dat waar jij nu je rugzak op zet, is een grafheuvel’) en hij wijst naar de Grote Piramide: ‘Thís is built by aliens.’ Iedereen moet lachen. Maar wanneer even later iemand uit het reisgezelschap informeert naar de constellatie van Orion springt hij uit z’n vel. ‘Dit is absolute onzin van romantici en uilskuikens; ik wil er níets meer van horen!’ Hij herstelt zich en zucht: ‘Al die onzinroepers negeren het bewijs. Vorige week nog hebben we hier koperen werktuigen gevonden. Het is een eeuwige strijd van reason tegen rubbish.’

Twee gewaagde claims zijn gemaakt. Beide vindt hij onzin. In de Grote Piramide zouden geheime ruimtes zijn. ‘Een lachwekkende poging van de vorige minister van Oudheden om toeristen te trekken. Ze hadden een temperatuurverschil van vijf graden gemeten aan de oostzijde van de piramide, dus zou er een verborgen ruimte kunnen zijn. Ik riep nog dat het onzin was, want er ligt daar cement van een restauratie uit 1939 en dat cement broeit. Ik heb nu een internationaal team samengesteld: om eens en voor altijd van het gedoe af te zijn, we gaan de piramide binnenkort scannen.

Ik heb overigens zelf een theorie dat de grafkamer in de Grote Piramide nog niet gevonden is. En die theorie hoop ik binnenkort te bewijzen. Wat wij nu voor de grafkamer van koning Cheops aanzien, is niet meer dan een bijvertrek. De eigenlijke grafkamer moet in het midden van de piramide liggen. Ik denk dat 2017 het jaar van de grote ontdekking wordt.’

De ándere grote claim komt van de bekende Egyptoloog Nicholas Reeves. Hij meent achter het graf van Toetanchamon een holle ruimte gevonden te hebben met het graf van Nefertiti. Reeves’ claim zorgde voor headlines in de wereldpers. ‘Reeves verkoopt gebakken lucht’, gispt Hawass. ‘Hij is uiterst slim en liet de naam van Nefertiti vallen. Vanaf dag één heb ik Reeves voorgehouden dat zijn theorie onzin is: Toetanchamon kán zijn tombe niet gebouwd hebben pal voor een andere tombe en zo de ziel van een ander beletten naar het hiernamaals te gaan. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik zie dat een theorie gepresenteerd wordt als een ontdekking.’

Dus heeft Hawass een Russische radar laten aanrukken. Zo goed zijn zijn contacten met de regering klaarblijkelijk nog wel. ‘Binnenkort komt het bewijs dat er niets is. Of misschien ook wel. Al ben ik honderd procent zeker dat er niets is: ik wil Reeves de kans geven op het laatste woord.’

‘Als ik het hoofd van dit museum zou zijn, dan kon ik... Ik zou Egypte haar plaats in de wereld weer terug kunnen geven’

‘I am your Aladdin. Vraag me alles wat je wilt, en ik zal het je geven.’ Terug in Mena House. We zitten aan het diner aan rijk gedekte tafels. Marcy zit naast Hawass en straalt. Ze laat hem haar dagboek zien, met op iedere pagina zijn foto. Hij lacht geamuseerd naar de tachtigjarige bakvis. ‘Vraag me alles wat je wilt. Maak een lijstje en stuur het me per e-mail en ik maak het voor mekaar. I am your Aladdin.’

Terug in downtown Caïro. Een rij van zwarte limousines rijdt plankgas door de straat. suv’s voor en achter, en jeeps met soldaten. Uit de ramen van politieauto’s hangen mannen met getrokken pistool. Aan het eind van de colonne een ambulance met zwaailicht. Het cortège van president Sisi schiet weg in de nacht. Op Facebook, zegt een Nederlandse diplomaat, circuleren oproepen tot een hongerdemonstratie, aanstaande vrijdag, na het gebed. Het Nederlands-Vlaams instituut heeft de studenten op het hart gedrukt die dag thuis te blijven. Pantserwagens betrekken strategische plekken in de stad. De blauwe bussen van de oproerpolitie posteren zich in de straten.

’s Middags loop ik Hawass’ kantoor binnen voor de laatste vragen. Maar hij is me voor. ‘Robert, denk eens mee! Weet jij toevallig nog namen voor de board of trustees voor het Grand Museum?’ klinkt het, voordat ik mijn mond open kan doen, door de gang. ‘Ik zoek iemand die ons kan helpen. Een rijk man. Of een grote naam uit de wereld van kunst en cultuur uit Parijs of Londen of Amerika.’

Het Grand Museum! De bouw van het megamuseum, op een steenworp afstand van de piramides van Giza, heeft sinds de revolutie zo goed als stilgelegen. Onlangs is de bouw hervat. Zalen groot als vliegtuighangars verrijzen tussen de zandheuvels en voegen zich naadloos in het woestijnlandschap. Er komt een zeshonderd meter lange albasten muur. De schatten van de wereld zullen, uit hun stoffige vitrines van het museum aan het Tahrirplein bevrijd, schitteren in glorie. Het Grand Museum had in 2015 geopend moeten zijn. Van de begrote achthonderd miljoen dollar is nog maar een deel gedekt. De Egyptische regering mikt op een slow opening van een eerste paar zalen, volgend jaar.

‘Onzin’, vindt Hawass. ‘Volkomen onhaalbaar. Alleen al het heelhuids overbrengen van de objecten uit het museum van Caïro duurt minstens drie jaar. Het Grand Museum moet open met een grote knal, op 4 november 2022, de honderdste verjaardag van de ontdekking van het graf van Toetanchamon. Dan zullen alle wereldleiders aanwezig zijn en zetten we in één klap Egypte weer op de kaart!’

Was dat Grand Museum uw idee?

‘Natuurlijk.’

Een jongetje komt binnen. Hij stelt zich voor. Zonder acht te slaan op de Nederlandse journalist stelt het jongetje in rad tempo vragen, met zijn mobieltje in de hand zijn interview opnemend in two-shot. Met een parmantige buiging neemt hij afscheid, snel als-ie gekomen is.

Wie was dat jongetje?

‘Dat weet ik niet. Hij kwam binnenlopen en zei dat-ie van de school-tv was.’

Wat zei u tegen het jongetje?

‘Hij vroeg naar de ontdekkingen die ik heb gedaan. En of ik nog een advies had voor de kinderen. Ik heb gezegd: passie. Passie is doorslaggevend. Als je passie hebt, komt alles wat je zegt rechtstreeks uit je hart. Je kunt het niet leren, passie, maar als het komt, verandert het je leven. Het heeft mijn leven veranderd.’

We stappen in een huurauto en rijden terug naar Giza. Langs de weg staan werkloze kamelendrijvers. Ze zwaaien. ‘Iedereen houdt van mij’, zegt Zahi Hawass. ‘Iedereen! Een tijdlang waren ze boos, toen ik het plateau liet ontruimen en ze van hun broodwinning beroofde. Maar ik heb bétere banen voor ze geschapen. Een groot aantal mensen scholing gegeven en ze betrokken bij de opgravingen en het beheer van hun eigen erfgoed. Nu zwaaien ze naar me en roepen ze m’n naam.’

In de avondzon staan roerloos de hijskranen van het half afgebouwde Grand Museum. ‘Het is zo goed als klaar!’ zegt Hawass. Maar dat is het niet.

Moet u dit project niet leiden om het tot een goed einde te brengen?

‘Weet je…’ Hij staart voor zich uit. ‘Ze hebben het me niet gevraagd… Als ik het hoofd van dit museum zou zijn, dan kon ik… Ik zou Egypte haar plaats in de wereld weer terug kunnen geven. We zouden grote reizende tentoonstellingen organiseren en geld ophalen en iedereen zou weer naar Egypte komen. Dit is het moment! Laat mijn plan dat vroeger werkte ook nu weer werken.’

Zijn de mensen die nu de macht hebben competent?

Hij zwijgt en schudt z’n hoofd. ‘Weet je… er zou zoveel kúnnen. We zouden er vijftig jonge mensen moeten uitpikken en ze naar de grote musea van de wereld sturen om daar twee jaar te leren en dan terug te komen en hier de musea te leiden. We hebben hier geen enkele expertise op museumgebied. We hebben in Egypte goede archeologen, maar we hebben geen goede conservatoren. Toen ik hoofd was van de Oudheidkundige Dienst stuurde ik mijn beste jonge medewerkers naar het buitenland om kennis en ervaring op te doen – en ik liet ze, voor vertrek, zweren dat ze terug zouden komen. En toen ze terugkwamen, hebben ze me geholpen hier dingen op te bouwen.

Nee, ik wil niet meer terug naar het centrum van de macht. Ik ben een goede wetenschapper en een goede archeoloog, maar ik ben niet de enige Egyptenaar die iets voor het land kan doen. Ik ben eerlijk en oprecht, niet uit op winstbejag – ik verdien genoeg met mijn boeken. Ik houd mijn voordrachten en lezingen. Ik zit met mijn vrienden in het café. Ik ben gelukkig.’

Zou het niet de kroon op uw werk zijn als u nog één keer het voortouw nam?

‘Natuurlijk. En ik zou het dolgraag willen. Daarom stel ik die board of trustees ook samen. Als ik het zou doen, zou ik het doen met visie. En met perfectie.’


Beeld 1: Voormalig minister van Oudheden Zahi Hawass vermaakt zich met Amerikaanse toeristen, 2: Nu de toeristen wegblijven ligt het Egyptisch Museum in Caïro er verlaten bij.