De kamer is klein maar comfortabel. Ik kijk uit op een plein omzoomd door kastanjebomen. Het is de enige accommodatie die het Hongaarse dorp biedt. In de kamer naast mij logeert een stel veertigers. Beiden zijn leraar. Hongaren op vakantie in eigen land. Zij, Katalin, doceert muziek op twee scholen. Hij, Tomas, geeft techniek op een hbo. ’s Avonds spreken we elkaar in de tuin van het pension. Dat wil zeggen, we drinken pálinka en zetten Google Translate aan het werk.

Beiden volgden universitaire studies. Toch spreken ze geen woord over de grens. Geen Engels, geen Duits, geen Russisch of Roemeens, al hadden die laatste twee ons ook niet verder geholpen. Katalin was ook nog nooit in het buitenland. Ze zou best wel eens de grens willen oversteken. Naar Oostenrijk bijvoorbeeld, vijftig kilometer verderop. ‘Je kunt er gewoon naar toe rijden en koffie gaan drinken’, zeg ik. ‘Niemand die je tegenhoudt.’ Tomas ziet het niet zitten. Wat is er mis met Hongarije? Wat moet hij in hemelsnaam in Oostenrijk?

Ik ben blij weer eens wat langer met Hongaren te kunnen praten, ook al is het dan via onze mobieltjes. Ruim honderd kilometer wandelde ik nu over het Hongaarse platteland, maar de gesprekken zijn op een hand te tellen. Aan de vriendelijkheid van de Hongaren ligt het niet. Wel aan het feit dat vrijwel niemand iets anders spreekt dan dat mysterieuze Hongaars. Ook jongeren niet, terwijl Engels en Duits toch onderwezen worden. Ik vraag Tomas of zijn leerlingen wel eens iemand tegenkomen die géén Hongaars spreekt. Tomas betwijfelt het. Ook hij kent vrijwel geen buitenlanders. In zijn dorp komen geen toeristen, ook zag hij nog nooit een vluchteling, laat staan dat zo iemand bij hem in de klas zou zitten. Homoseksuelen zijn er al evenmin, zegt hij. Althans voor zover hij weet. Híj zou er overigens geen enkel bezwaar tegen hebben.

‘Met welke muziek laat je je leerlingen kennismaken?’ vraag Katalin. Doet ze ook iets met hedendaagse muziek, met dance of hiphop? ‘O nee’, zegt Katalin. ‘We hebben in Hongarije zo’n enorme schat aan eigen, traditionele muziek; waarom zouden we iets Amerikaans pakken?’ De methode die zij in haar lessen hanteert, werd ontwikkeld door de componist en muziekpedagoog Zoltán Kodály. Dat was honderd jaar geleden. Zijn methode is verplicht in alle Hongaarse scholen.

‘Waar hou je zélf van?’ vraag ik, al vermoed ik het antwoord al te weten. ‘Franz Liszt’, mijmert ze. ‘Béla Bartók. En Kodály natuurlijk. Vooral zijn liederen’. Alle drie zijn Hongaar. Ik vraag of ze iets van Kodály wil zingen. Dat doet ze. Met gesloten ogen. Katalin lijkt op Juliette Binoche. Tomas schenkt de glazen nog eens vol. De pálinka smaakt uitstekend. We genieten van elkaars samenzijn.

De volgende ochtend ben ik voor zes uur op pad. De gordijnen voor het raam van Tomas en Katalin zijn nog dicht. Onder de ruitenwisser van hun zware VW Tiguan duw ik mijn visitekaartje en een briefje. Daarop schreef ik enkele warme, Hongaarse woorden over onze ontmoeting en een uitnodiging om me in Nederland op te zoeken. Aan hun auto zal het niet liggen.

Niet meer dan een avond zaten we samen. Toch laten ze me de rest van de dag niet meer los. Ik besef natuurlijk dat Tomas en Katalin maar twéé van de 9,7 miljoen Hongaren zijn, toch lijkt het stel voor iets groters te staan. Voor iets dat ik al waarnam toen ik veertig jaar geleden voor het eerst door Hongarije trok. Iets dat ik nu ‘leven in de geschiedenis’ zou willen noemen. In de eigen, nationale geschiedenis, welteverstaan. Het is een leven waarin meer terug dan vooruit wordt gekeken. Dat zich voltrekt binnen de eigen nationale grenzen en genoeg lijkt te hebben aan de eigen volkstaal, de eigen muziek, de eigen kunst en de eigen literatuur. Een leven dat in Europa, zo vermoed ik, nergens krachtiger wordt geleefd dan in Hongarije.

Acht uur later arriveer ik in het dorp Vasszécseny. Op de Sandor Petőfi-straat buig ik af naar Lajos Kossuth-straat. Het is niet de eerste keer dat ik door straten loop met deze namen. Hoeveel naar Sandor Petőfi of Lajos Kossuth vernoemde straten of pleinen zullen er in Hongarije wel niet zijn? Ik bedenk ik dat ik al de keren had moeten noteren dat ik er doorheen sjouwde.

Voor wie Hongarije nog nooit bezocht: Kossuth of Petőfi speelden beiden een belangrijke rol in het negentiende-eeuwse Hongaarse nationalisme. Sandor Petőfi was dichter. In 1848 moedigde hij met het Lied van het volk de Hongaren aan tot een grote opstand tegen de Habsburgers, het keizerrijk dat er al drie eeuwen de scepter over zwaaide. Tekst: ‘Het is tijd, nu of nooit! Moeten we gevangenen zijn of vrij? Dat is de vraag, kies!’ Een jaar later sneuvelt Petőfi in een gevecht met de Habsburgse troepen. Hij is dan 26 jaar. Op Wikipedia lees ik dat er alleen al in Boedapest elf Petőfi-straten en vier Petőfi-pleinen zijn.

Lajos Kossuth is de ‘geestelijk leider’ van deze opstand. Vervolgens benoemt hij zich tot ‘regent president’ van Hongarije. Lang houdt hij het niet vol. De op dat moment achttienjarige Oostenrijkse keizer Franz Joseph – die van Sissi – stuurt troepen naar Boedapest en slaat de opstand bloedig neer. Honderdduizend doden verder is Hongarije weer onder Habsburgse controle. Althans tot 1867. In dat jaar krijgt Hongarije vergaande autonomie en verandert het Habsburgse Rijk in de Österreichisch-Ungarischen Monarchie.

Lajos Kossuth is dan al jaren in ballingschap en reist de wereld rond, waarna hij zich voorgoed in Italië vestigt. Maar Hongarije zal hem niet vergeten. Elke Hongaarse plaats heeft vandaag wel een Kossuth-straat. Het moeten er duizenden zijn. Alleen Boedapest telt er al zeventien. En dan zijn er de ontelbare standbeelden van de bebaarde vrijheidsstrijder. Er zijn Kossuth-scholen, Kossuth-parken, Kossuth-tankstations en Kossuth-tramhaltes… Er is een Uitgeverij Kossuth met drie Kossuth-boekhandels, een Kossuth Radio – het best beluisterde radiostation in Hongarije – een Kossuth-staatsprijs, het symfonisch gedicht Kossuth van Béla Bartók, enzovoorts.

Kom er eens om in Nederland. Wie zette in het revolutiejaar 1848 aan tot rellen in Amsterdam en Den Haag die uiteindelijk leidden tot de ingrijpende grondwetsherziening van dat jaar? Wie kent de namen van de mannen en vrouwen die de Februaristaking in 1941 tegen de Duitsers organiseerden? Of de aanjagers van de Kroningsrellen van 30 april 1980, de grootst opstand in de Nederlandse geschiedenis binnen vredestijd? Hoeveel Nederlanders weten überhaupt waar 1848 voor staat, wat de Februaristaking was of waar de Kroningsrellen over gingen?

Ongehinderd door al te veel historisch besef leven Nederlanders blijgeestig in het hier en nu. De doorsnee Hongaar groeit op met Kossuth en Petőfi. Hij weet wanneer gevochten werd tegen de Turken, de Habsburgers of de Fransen. Waarschijnlijk kent hij ook István Széchenyi (vocht begin negentiende eeuw tegen Napoleon), Ferenc Rákóczi (ageerde al in 1703 tegen de Habsburgers) en György Dózsa (streed in de zestiende eeuw tegen de Turken).

Grappig is dan weer dat maar weinig Hongaren doorhebben dat Tommy Ramone, drummer van The Ramones, Hongaars was (in 1949 in geboren als Tamás Erdélyi), net als boeienkoning Harry Houdini (in 1874 geboren als Ehrich Weisz) of fotograaf Robert Capa (in 1913 als Endre Ernő Friedmann). Om dat te weten, moet je enig besef hebben van de Amerikaanse cultuur. En juist die kennis lijkt in Hongarije weer niet ruim aanwezig.

In haar interessante boek Beter wordt het niet: Een reis door het Habsburgse Rijk en de Europese Unie beschrijft Caroline de Gruyter een gesprek met de Hongaarse ambassadeur in Noorwegen, Anna Maria Siko. De Gruyter verwacht een nuchter interview over de uitzonderlijke positie van Hongarije in de Europese Unie. Maar het gesprek draait uit op een tweeënhalf uur durende geschiedenisles door de ambassadeur. Nog altijd, vertelt Siko, ‘beieren in Hongarije om twaalf uur ’s middag kerkklokken, om iedereen er aan te herinneren dat de Hongaren de Turken in 1476 bij Belgrado versloegen’.

‘Siko staat soms eindeloos stil bij historische feiten’, schrijft De Gruyter. ‘En ze vertelt erover alsof het gisteren was’. Het maakt de ambassadeur er niet sympathieker op. Ook omdat ze de Europese Unie fel de maat neemt. In een beweging schakelt ze de bezetting van Hongarije door de Turken, door de Habsburgers, door de nazi’s en door de sovjets gelijk met het EU-lidmaatschap van Hongarije. Dat Hongaren er in een referendum voor kozen om bij Europa te horen en dat Hongarije grootontvanger van Europese subsidies is, interesseert haar niet. Ook het anti-migratieregime van Orbán verdedigt Siko met hand en tand.

Caroline de Gruyter laat zien dat de Europese Unie nog niet klaar is met Hongarije. De problemen met het land gaan dieper dan het regime van Orbán en diens Fidesz-partij. Leven in de geschiedenis doortrekt het hele bestaan. Leven in de geschiedenis bestaat uit meer dan monumenten en musea, dan historische namen van straten en pleinen en een overdaad aan nationale geschiedenis op school. Het doortrekt de taal, de muziek en de beeldende kunst. Het bepaalt de onderwijscurricula en de partijprogramma’s. Leven in de geschiedenis is leven in een omgeving waar het verleden het heden bepaalt, ook wanneer dat verleden sterk is gereconstrueerd of regelrecht verzonnen. Leven in de geschiedenis ruil je niet makkelijk in voor een leven in de toekomst. Leven in de Hongaarse geschiedenis betekent dat je argwaan koestert jegens buitenlandse media, dat je bang bent voor Russen, Duitsers, Oostenrijkers en Turken. Dat je ten diepste alles wantrouwt wat van elders komt. En dat je dat elders al evenmin op zal zoeken. Ik zal de VW Tiguan van Tomas en Katalin nooit zien voorrijden.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten