Alsof

Met de kerstdagen las ik Boud, de biografie van Boudewijn Büch, geschreven door Eva Rovers.

Meesterlijk.

Medium opheffer 201 2017 buch

Rovers introduceert een term om het werk en leven van Boudewijn te karakteriseren waar ik nog nooit van had gehoord, namelijk autobiografictie.

Ik snapte hem meteen.

Ik dacht: wat is het verschil tussen de ‘bekentenisliteratuur’ van Gerard Reve en de ‘autobiografictie’ van Boudewijn?

Het belangrijkste verschil is vermoedelijk dit: Reve overdreef wat hij verzon. (‘Eigenlijk ben ik een markies’, met een duidelijke verwijzing naar Markies de Sade.) Wanneer Reve schrijft over hoe hij als soldaat in ons oude Indië vocht, dan moet je wel erg goedgelovig zijn om daarin te trappen. Opvallend is juist, als je enigszins zijn biografie kent, dat Reve zo weinig heeft verzonnen. Als hij verzint overdrijft hij expres. Bij Reve is alles stijl. Een stijl die – ik zeg het even kort door de bocht – getypeerd wordt door ironie en sarcasme en die aansluiting probeert te zoeken bij de Zwarte Romantiek.

Reve wist dat hij alleen zichzelf kon zijn door te overdrijven: ‘Ik ben een acteur, ik ben een komediant, ik ben een charlatan en een clown, maar het krankzinnige is dat de rol die ik speel, dat ik dat ben.’

Bij Boudewijn is het niet om stijl te doen; het lijkt erop dat hij pas kan schrijven wanneer hij zichzelf van de juiste achtergrond heeft voorzien. Een dood kind, een joodse vader, drie studies, pedoseksueel, homoseksueel – net als Reve een acteur die zijn eigen rol schrijft en speelt. Maar een rol die, in tegenstelling tot Reve, door moet gaan voor ‘de waarheid’. The Romantic Agony van Mario Praz speelt in beide schrijverslevens een grote rol. En ik vermoed dat Boudewijn dat boek heeft verslonden (net als ik destijds) nadat hij in het tijdschrift Dialoog (het tijdschrift voor homoseksuelen) een artikel van Johan Polak had gelezen over Reve waarin hij vertelt dat Reve zeer onder de indruk was van Praz.

Boudewijn lijkt een Reve te willen zijn. Ik wilde dat vroeger ook

Boudewijn lijkt een Reve te willen zijn, maar daarvoor voelde hij zich, denk ik, niet uitzonderlijk genoeg.

Ik herken dat wel. Ik wilde dat vroeger ook. Zijn stijl bezorgde Reve een literaire positie die boven alles en iedereen stond. Hij voldeed niet aan een mode. Hij raakte in de mode. Door zijn manier van schrijven, die je zelfs gekunsteld zou kunnen noemen, kon hij daadwerkelijk de rol spelen die hij was. Die van een katholieke, romantisch decadente schrijver. Ironie als manier van leven. Maar dan wel een ironie die iets uitdrukte wat hij niet kon uitdrukken als hij geen ironie bedreef.

Dat kon Boudewijn niet. Bij Boudewijn was het zaak alles zo lang mogelijk serieus te laten zijn. Zijn beste vrienden moesten geloven dat zijn kind was overleden, dat zijn vader joods en een vliegenier bij de RAF was. Wanneer die geloofwaardigheid werd aangetast, voelde Boudewijn zich verraden en geremd. Hij wilde geen rol, hij wilde dat het waar was.

Reve begreep dat hij zijn diepste gemoed nooit begrijpelijk zou kunnen blootleggen, want dan zou het om te lachen zijn. En dus zorgde hij ervoor dat het serieus om te lachen was.

‘Mijnheer Reve, waarom gelooft u in God?’ vroeg een interviewer.

‘God en ik zijn het in grote lijnen met elkaar eens’, antwoordde Reve.

Ik moet daar nog steeds om lachen, maar voor Reve, die wist dat hij iets grappigs zei, was het wel degelijk waar. Voor Reve was alles wat hij zei waar, Boudewijn wist dat wat hij zei een leugen was.

Boudewijn is (en was) ontzettend grappig, maar in geen van zijn boeken kom je verregaande ironie tegen. Het is geschreven alsof het allemaal de waarheid is. Het zijn daardoor verhalen van een uitzonderlijk mens, maar ze zijn niet uitzonderlijk geschreven. Reve nam je met open vizier in de maling. Boudewijn hield dat vizier dicht.