Oek de Jong, Hokwerda’s kind

Alsof alles te vatten is

Oek de Jong

Hokwerda’s kind

Uitg. Augustus, 446 blz., € 24,95

Een lezersleven kent twee belangrijke momenten — even afgezien van dat ene oer moment waarop de wereld vergeven blijkt van betekenisvolle tekens, om te beginnen de letters van je eigen naam. Eerst is er op een goeie dag de ontdekking dat er ook een andere leeshouding mogelijk is dan totaal verzonken te zijn; dat je niet onmiddellijk alles vat, wordt zelfs deel van de lol. Eenmaal geïnitieerd in de wereld der literatuur is een tijdlang niets te dol. Kafka, Woolf en Joyce laten zich dan ook het best zo tussen je veertiende en je twintigste consumeren, als ontvankelijkheid en uithoudingsvermogen op hun toppunt zijn. Dan komt het moment dat een roman de wereld weer binnen het eigen bereik brengt en je persoonlijk bij de kladden grijpt. Niet zoals ooit Knikkertje lik van Daan Zonderland dat deed, maar het komt wel in de buurt.

Voor mijn generatie lezers was de debuutroman van Oek de Jong, Opwaaiende zomerjurken (1979), zo’n boek. We lazen het even gretig als Over het existentialisme van Sartre in die rare roze zwarte-beertjes-uitgave. Ook De Jong schreef over gevoel en verstand, over keuzes en vrijheid, maar verbeeldde dat allemaal in een personage van vlees en bloed, Edo Mesch genaamd. Zo nabij en tegelijkertijd magisch verwoord dat het een vreemde sensatie was om de schrijver gewoon ’s nachts over de barricaden in de Amsterdamse Vondelstraat te zien stappen, aan de vooravond van de ontruiming van een kraakpand aldaar.

Inmiddels zijn we 23 jaar verder en was het deze zomer voorpaginanieuws dat er een nieuwe roman van Oek de Jong aan zat te komen. Na een tweede grote filosofische liefdesroman, Cirkel in het gras (1985), bleef het lang stil, afgezien van een bundeling novellen en essays waarin hij zich liet kennen als een balsturige geest, niet bevreesd om te pendelen tussen het intellectuele en het spirituele.

Hokwerda’s kind is een volkomen ándere roman dan je op grond van het voorgaande zou verwachten, of liever gezegd: dan ík op grond van het voorgaande had verwacht. Oek de Jong schreef een psychologische roman waarin zich op klassieke wijze een tragisch vrouwenleven ontrolt. Zo bedaard, ernstig en precies dat ik de ruim vierhonderd pagina’s zowel bevreemd als ademloos heb gelezen, voortdurend denkend: waar gaat dit naartoe? Het feit dát uiteindelijk daadwerkelijk ergens naartoe wordt gegaan, was misschien nog wel de vreemdste gewaarwording. Al met al bleef deze lezer zowel opgelucht als teleurgesteld achter.

Eerst de opluchting dat het «gewoon» een mooi boek is, dat opent met een proloog waarin sprake is van een stille zomeravond, loeiend vee en kabbelend water, en een eerste hoofdstuk waarin wordt gerept van magnolia’s die na twee weken al bijna uitgebloeid zijn, een blazende wind en dorre bloesem. Alle tekenen zijn daar: hier wordt geen intellectueel gevecht geleverd, maar noeste romankunst bedreven. We leren Lin kennen, haar brede schouders en grote borsten, we weten wat ze draagt en wat ze denkt, en we weten ook dat zij met open, licht uitpuilende ogen haar ongeluk tegemoet zal gaan. Het ongeluk heeft, zoals het een klassiek vrouwenportret betaamt, de gedaante van een demonische minnaar.

Henri is lasser op een boor eiland. Nadat hij in een cafétoilet zijn oog op haar heeft laten vallen («een onnozel jong ding»), rijgt hij haar vrijwel onmiddellijk aan zijn spit. Daarna is Lin verloren. «Hoe kon ze iemand missen die haar slecht behandeld had?» Het masochisme van Lin tovert De Jong aannemelijk te voorschijn, zowel in stomende seksscènes als in terugblikken op haar sportverleden en haar jeugd. Zelfs nadat ze op de ergste manier is verraden (een gebeurtenis die varieert op de meest bij de keel grijpende scène uit de film Breaking the Waves van Lars von Trier) keert zij bij haar beul terug voor meer.

Nu de teleurstelling dat het «gewoon» een mooi boek is, dat opent met een proloog waarin sprake is van een stille zomeravond, loeiend vee en kabbelend water, en een eerste hoofdstuk waarin wordt gerept van magno lia’s die na twee weken al bijna uitgebloeid zijn, een blazende wind en dorre bloesem. In zijn monomane ernst en zijn naturalistische verteltrant is Hokwerda’s kind ook een weinig raadselachtige roman. Nu hebben schrijvers het anno 2002 natuurlijk oneindig veel moeilijker dan hun laat-negentiende-eeuwse vakbroeders. Henry James kon in The Portrait of a Lady het geheim van rijgen en geregen worden nog grotendeels overlaten aan de verbeelding, en zorgde daarmee voor generaties getergde lezers. Waarom valt Isabel Archer nu juist voor die duivelse Osmond? Oek de Jong is er niet voor teruggedeinsd het drassige gebied van lust en verlangen tot in alle holtes te verkennen. Overtuigend — zelden zag ik sterker verbeeld hoezeer geliefden zich elkaars slachtoffer kunnen voelen — maar ook afdoend. Het levert een in zekere zin ouderwetse leeservaring op: alsof alles toch weer even te vatten is.