De populariteit van vogels kijken

Alsof de meeuw een persconferentie houdt

Het imago van de vogelaar – grijze man met grote lens – is aan het veranderen: in het coronajaar trokken veel mensen, ook jongeren en vrouwen, met een verrekijker de natuur in. Wat kunnen we leren van de gevederde schepsels die afkomstig lijken uit een andere wereld?

Luister naar dit artikel

Een lammergier vliegt boven Nederland. De vogel is in het kader van een herintroductieproject vorig jaar in Zuid-Frankrijk boven Montpellier losgelaten. Ze heet Eglazine, is geringd en haar veren zijn gebleekt voor herkenning in het veld, 9 mei, Lemelerberg (Overijssel) © Nature in Stock / ANP

Een duif is een duif, dacht ik tot voor kort. Fladderende plaagdieren die standbeelden onderschijten en zich met een doodsverachting voor fietsers storten – de ratten van de lucht. Nu zie ik het verschil tussen een stadsduif en een houtduif. De eerste zijn de verfomfaaide duifjes op de Dam, gedomesticeerde afstammelingen van de rotsduif. De houtduif is een wat beter verzorgde vogel: gele snavel, witte nekvlek, zit liever in de boom dan op het balkon. Ik weet inmiddels dat er vijf soorten duiven zijn in Nederland, waaronder de zomertortel, een prachtvogel met een schubachtig patroon op de vleugels, die overwintert ten zuiden van de Sahara en op de rode lijst staat omdat de populatie in de laatste vijftig jaar met meer dan 85 procent is afgenomen. De zomertortel staat ook op een lijst die ik zelf bijhoud, van vogels die ik graag een keer in het echt wil zien.

Zoals zoveel mensen heb ik een coronahobby. De musea en bioscopen waren gesloten, maar de parken en natuurgebieden bleven geopend, al moest er op zonnige dagen handhaving aan te pas komen om wandelfiles te voorkomen. Tijdens mijn wandelingen merkte ik hoe weinig ik wist over de plant- en diersoorten die ik achteloos passeerde. De natuurgidsen die ik als kind aandachtig had bestudeerd stonden al jaren stof te vangen op de zolder van mijn ouderlijk huis. Ik was een ecologische analfabeet en de lockdown leek me een uitgelezen moment om daar voorzichtig verandering in te brengen.

De originaliteitsprijs zal ik niet winnen, want het lijkt erop dat Nederlanders massaal aan het vogelen zijn geslagen. In de etalage van de buurtboekhandel lagen boeken over de kievit, de grutto en de fuut en binnen bleek er een hele plank gereserveerd voor populaire ornithologie. De gidsen van Dagjeindenatuur.nl zijn, zeker in de Randstad, binnen de kortste keren volgeboekt. En in het jaarverslag van Vogelbescherming Nederland staat dat het ‘de toegenomen aandacht voor natuur en vogels in het coronajaar wist te “verzilveren”’. Het aantal leden steeg in 2020 van 141.000 naar bijna 150.000, de gratis vogelcursussen werden tienduizenden keren gedownload en de jaarlijkse tuinvogeltelling brak een record: bijna tweehonderdduizend mensen deden mee en telden tezamen 2.759.139 vogels.

Je mag geen ‘spotten’ zeggen, vinden de echte vogelaars, dat is iets wat je met vliegtuigen doet. Vogels bekijk je. Je kijkt naar de verschillende kleuren van het verendek, naar de vorm van de snavel, de lengte van de vleugels en naar de sierlijke baltsvluchten. Je stelt je verrekijker scherp op dat kleine bolletje dat boven in een rietpluim zit te zingen en ziet hoe het zijn staartpennen spreidt, zijn borstje opbolt en zijn snaveltje laat kwetteren – de uitslover. Voor beginners is de eerste uitdaging om vogels te determineren: zoeken naar onderscheidende kenmerken, waardoor je ziet dat die bruine watervogel met een Escher-achtige tekening op de flank niet zomaar een eend is, maar een krakeend.

Ik had verwacht dat ik met enige argwaan onthaald zou worden door de hardcore vogelaars. Dat ze hun neus zouden ophalen als ze me onwennig in mijn gids zien bladeren, terwijl iedereen met een beetje verstand van vogels onmiddellijk ziet dat dit een roodborsttapuit is. Dat ze onwetende stadsmensen niet zouden tolereren in hun kijkhutten. Er zullen vast fanatiekelingen tussen zitten die zuur toekijken hoe hun passie wordt overgenomen door millennials die pas tijdens een pandemie de geneugten van de natuur hebben ontdekt, maar wat me vooral opviel is hoe leuk de meeste vogelaars het vinden dat meer mensen beginnen door te krijgen wat zij al lang wisten: dat vogels mateloos fascinerend zijn en dat hoe beter je leert kijken, hoe meer je begrijpt van de natuur en onze plek daarin. Of zoals wetenschapsjournalist Jennifer Ackerman schrijft in haar boek Zo doen vogels dat: ‘Wie getuige is van vogelgedrag in al zijn verscheidenheid, gaat ons eigen gedrag in een ander perspectief zien.’

Ik had ook verwacht dat sommige generatiegenoten me glazig zouden aankijken als ik opspring omdat ik even verderop een zwarte roodstaart gezien denk te hebben. Dat ze hun duim en wijsvinger in een L-vorm tegen hun voorhoofd leggen (‘loser’) als ik vertel dat ik op een zaterdagochtend vroeg ben opgestaan om vogels te kijken. Die vrees bleek terecht. En eerlijk gezegd begrijp ik het best, want nog niet zo lang geleden leek vogelen mij ook een sullig tijdverdrijf. Of laat ik het wat vriendelijker zeggen: iets voor eigenzinnige mannen met grijze ringbaarden en grote telelenzen voor wie de medemens moeilijker te doorgronden is dan deze gevleugelde wezens. Maar dat stereotype raakt in rap tempo achterhaald.

Op een zonnige maar frisse ochtend in april hangt er een zilveren nevel boven het Fochteloërveen, een natuurgebied op de grens van Friesland en Drenthe. ‘Dit is een van de weinige gebieden in Nederland waar het hoogveen niet is afgegraven’, zegt Anouk Stolte, terwijl ze een telescoop uit de achterbak van haar auto haalt. ‘Dat maakt het een geschikte habitat voor bijzondere broedvogels zoals het paapje.’ Dit is haar eerste officiële excursie als gids, vertelt de 29-jarige fysiotherapeut en vogelfanaat en ergens vind ik dat een geruststelling omdat het voor mij ook de eerste keer is dat ik onder professionele begeleiding ga vogelen. Stolte wil mensen laten zien hoe rijk de Drentse natuur is, al komt de animo voorlopig vooral van Randstedelingen. ‘De inwoners van deze streek vinden het vanzelfsprekend om buiten te zijn, daar hebben ze geen gids voor nodig, denken ze. Maar ze weten niet wat ze missen.’

Het statief van de telescoop zwiert door de lucht, als Stolte zich plots omdraait. ‘Ik hoorde een blauwborst.’ Ze spitst haar oren en tuurt naar het riet, verrekijker in de aanslag. Het is mij volstrekt onduidelijk hoe je in deze kakofonie van getjilp en gefluit de zang van een blauwborst kunt herkennen en na een paar minuten speuren geeft ze het op. De blauwborst laat zich niet meer horen.

Voor de vogelaar is luisteren belangrijker dan kijken. Dat vergt de nodige oefening, merk ik. Het gemakkelijkst zijn de onomatopeeën die hun eigen naam verklanken – de kieviet, tjiftjaf, koekoek, grutto. Ingewikkelder zijn de zangvogels met een breed repertoire, laat staan de soorten die ook nog andere geluiden kunnen imiteren. Zo kunnen spreeuwen scooteralarmen en slechtvalken nadoen en bootst de bosrietzanger de geluiden na van zo’n tachtig vogels. Gisteravond heeft Stolte de vogelgeluiden die we op het Fochteloërveen kunnen horen nog geoefend. ‘Iedere lente moet ik er weer even inkomen.’

Bij de kijkhut in het bos treffen we twee vrouwen, wandelschoenen aan, kijkers om de nek. ‘Nog wat moois gezien?’ vragen ze. Stolte somt op: ‘Kneutjes, geelgorsen, kraanvogels, paapjes.’ De vrouwen knikken: ja ja, zij ook. ‘En de blauwborst, hebben jullie die ook gezien?’ Nee, die niet. Wanneer we verder wandelen zegt Stolte dat ze dit soort gesprekjes steeds vaker voert en dat komt ook doordat de man-vrouwverhouding onder vogelaars elk jaar minder scheef wordt. ‘Ik wil niet generaliseren, maar mannelijke vogelaars zijn doorgaans wat minder sociaal’, zegt ze.‘Vroeger was ik altijd de enige vrouwelijke deelnemer bij vogelexcursies, verder waren het toch vaak mannen van zestigplus. Dat is echt aan het veranderen.’

De toenemende diversiteit is goed voor de wetenschap, constateert Jennifer Ackerman in Zo doen vogels dat: ‘Tot voor kort waren de meeste ornithologen mannen en richtte onderzoek zich voornamelijk op wat mannetjesvogels deden. De rol die de vrouwtjes speelden in de levenscycli van hun soort, van vrouwelijke sierlijke pluimages tot broedactiviteiten, werd gerelativeerd of genegeerd.’ Zo dacht men lange tijd dat complexe melodieën waren voorbehouden aan mannetjesvogels, totdat twee ornithologen, Karan Odom en Lauryn Benedict, deze theorie onderuit haalden: er zijn zat vrouwtjes die imposante liederen ten gehore brengen.

Op sociale media pronken vogelaars met hun fraaiste plaatjes. ‘Iedereen wil een nóg beter kiekje’

Sowieso profiteert de ornithologie van de groeiende interesse voor haar onderzoeksveld. Doordat meer mensen meedoen aan de nationale tuinvogeltelling ontstaat er een steeds beter beeld van hoe het gaat met de populatie huismussen (niet zo best) of roodborstjes (stukken beter). De waarnemingen die vogelaars online delen, bieden bruikbare gegevens voor onderzoekers. De BirdNET-app die ik gebruik om geluiden te determineren (een soort Shazam voor vogels) is een initiatief van het Cornell Lab of Ornithology, dat de nieuwsgierigheid van burgers wil belonen en benutten. En misschien nog wel belangrijker: hoe meer mensen begaan zijn met het lot van de natuur, hoe krachtiger de inspanningen om die te beschermen. Zonder ecologische geletterdheid geen ecologisch bewustzijn.

Als ik vroeger een zeldzame soort wilde doorgeven, moest ik het doen met een semafoon, zestiencijferige codes en ontcijferformulieren’, zegt Marc Plomp. ‘Tegenwoordig heb je satellieten waarmee je trekvogels kunt volgen, apps die je helpen om soorten te determineren en websites waarop je bijzondere waarnemingen kunt melden.’ Misschien krijgt hij vandaag wel een melding van een exotische dwaalgast, want het stormt behoorlijk op Texel en dan kunnen vogels uit koers raken en stranden op het Waddeneiland. ‘Het zou me niets verbazen als er een verdwaalde bijeneter gesignaleerd wordt’, zegt Plomp.

Veertien jaar geleden verhuisde hij naar het eiland dat altijd al zijn favoriete vakantiebestemming was en begon het Vogelinformatiecentrum in De Cocksdorp. ‘Texel is de gemeente met de meeste vogelsoorten van Nederland.’ We lopen een route die Plomp wel drie keer per week loopt, richting de vuurtoren helemaal op de noordkop van het eiland, waar de tapuiten in de konijnenholen broeden. Voor trekvogels is dit een geliefde plek voor een tussenstop, vertelt Plomp. ‘Ze komen vanuit West-Afrika en volgen de Europese kustlijn richting Scandinavië. Voordat ze de oversteek wagen over de Noordzee strijken ze hier een tijdje neer om uit te rusten en aan te sterken.’

Het hoogtepunt van de vogelbonanza is begin mei. Al jarenlang organiseert Plomp rond die tijd een ‘big day’, waarop verschillende teams in 24 uur tijd zo veel mogelijk vogelsoorten proberen te determineren. Het geld dat ze daarmee inzamelen gaat naar een goed doel – om vogels te beschermen, uiteraard. Dit jaar waren het de akkervogels die extra aandacht verdienden, want door het intensieve landbouwmodel hebben de patrijs, de ringmus, de veldleeuwerik en de blauwe kiekendief het zwaar te verduren. Achttien teams in heel Nederland zamelden 7500 euro in en de winnaar zag 143 verschillende vogelsoorten in één etmaal. De zesjarige Emma, die samen met haar oma een vogelkijkduo vormde, kreeg als jongste deelnemer een eervolle vermelding.

Eglazine, 9 mei, Lemelerberg © Martijn de Jonge / De Beeldunie

‘Vroeger durfde je je niet op het terras te vertonen met een verrekijker om je nek, dat is nu wel anders’, zegt Plomp. Hij vindt het fantastisch om te zien dat vogelen zo populair is onder de jeugd, want zijn lijfspreuk is dat in iedereen een vogelaar schuilt, en om te genieten van vogels hoef je heus geen duizenden euro’s uit te geven aan een telescoop. Het kan al plezier geven om te weten wat er zoal in je tuin vliegt, of om de geluiden te herkennen als je een rondje door het park loopt. Ik knik opgelucht, want soms vind ik het nogal intimiderend, de doorgewinterde vogelaars met professionele apparatuur die van heinde en ver komen als er ergens een bijzondere waarneming is gedaan, zoals laatst toen de zeldzame Ross’ meeuw was gesignaleerd op het noordelijk havenhoofd in Scheveningen. Het was een vreemd gezicht: het vogeltje dat rustig lag te zonnen op de pier, terwijl eromheen mannen met enorme lenzen zich verdrongen. Alsof de meeuw een persconferentie ging houden.

Plomp is er ook zo eentje, bekent hij: ‘Een tijdje terug kreeg ik een melding dat er in Zeeland een huisgierzwaluw was gezien. Die vogel lijkt op de gierzwaluw, maar dan met een witte stuit net als de huiszwaluw en die komt bijna nooit in Nederland.’ Dus sprong Plomp met een vogelmaatje in de auto en zetten ze koers richting het zuiden. Maar ter hoogte van Den Haag kregen ze te horen dat de huisgierzwaluw al een paar uur niet meer gezien was en dus waarschijnlijk was gevlogen. Ze maakten nog een tussenstop bij een bevriende vogelaar en reden weer huiswaarts. ‘Vlak voordat we weer de boot naar het eiland op wilden rijden kregen we een melding dat hij tóch weer gezien was’, vertelt Plomp. ‘We hebben alsnog de auto omgedraaid en zijn in één ruk naar Zeeland gereden.’ Het was het waard, bezweert hij. ‘We hebben de huisgierzwaluw prachtig kunnen zien. Die stond nog op mijn lijstje.’

Vogelen heeft iets competitiefs, het draait niet alleen om het aanschouwen van de wonderen der natuur, maar ook om het bijhouden van lijstjes, het zien van zo veel mogelijk bijzondere soorten en die het liefst vastleggen op een zo spectaculair mogelijke foto. Op sociale media pronken vogelaars met hun fraaiste plaatjes. ‘Iedereen wil een nóg beter kiekje’, zegt Plomp. Zeker de minder ervaren vogelaars veroorzaken daardoor overlast: ze dwalen buiten de paden, dwars door broedgebied, om de vogel net wat beter voor de lens te krijgen. ‘Het is vaak onwetendheid’, zegt Plomp. ‘Laatst vertelde iemand me trots hoe prachtig hij een vogel op de foto had gezet. “Ze kwam heel dichtbij en bleef maar zitten”, zei hij, “ze had zelfs wormpjes in haar bek.” Dan denk ik: komt het nou niet bij je op dat die vogel terug wil naar haar nest om haar jongen te voeden, maar dat jij in de weg staat?’

‘Nieuwe vogelaars zijn een bedreiging voor broedseizoen’, kopte het Algemeen Dagblad deze lente. Een boswachter waarschuwde dat beginnende hobbyfotografen te werk gaan ‘als paparazzi’: in waadpakken banjeren ze door de sloot om het nest van een roerdomp op de foto te krijgen, zonder zich te realiseren dat ze de schuchtere reigersoort daarmee verjagen. Het AD citeerde een ervaren vogelaar die wel een verklaring had voor de hausse van brutale natuurfotografen: ‘Mensen gaan niet naar terrasjes, niet naar de meubelboulevard. Ze gaan wandelen en dan willen ze ook foto’s maken.’

Een paar dagen na mijn bezoek aan Texel zie ik Plomp in een item van NH Nieuws. Het gaat over de lammergier die dood werd aangetroffen bij de voet van een windmolen. De vogelaar die hem daar vond zette een foto online, waarop hij de imposante vleugels van de gier uit elkaar spreidt terwijl de levenloze kop aan een slappe nek bungelt. De lammergier is een van de grootste roofvogels in Europa, met een spanwijdte van wel drie meter, en verblijft normaal gesproken in berggebieden. De dode vogel heette Angèle, werd in februari 2020 geboren in een Tsjechische dierentuin en drie maanden later als onderdeel van een herintroductieprogramma vrijgelaten in de Franse Alpen, met een ring om z’n poot en een gps-zendertje op zijn rug. Met dertienhonderd exemplaren in heel Europa is de lammergier een kwetsbare soort, dus de fatale botsing van Angèle kwam hard aan bij vogelliefhebbers. De kop boven het nieuwsbericht was een citaat van Plomp: ‘Deze gier is een martelaar voor alle vogels.’

Er bestaat een spanningsveld tussen klimaatbeleid en natuurbescherming, weet Jonathan Franzen. De bestsellerauteur keek gek op toen een vogelbeschermingsorganisatie hem, zonder te vragen, presenteerde als een ambassadeur van een campagne om de opwarming van de aarde tegen te gaan, omdat dat ‘de belangrijkste bedreiging voor vogels in Noord-Amerika’ zou zijn. Franzen is weliswaar een fervent vogelaar en toont zich doordrongen van de ernst van de klimaatcrisis, maar achter deze actie kon hij zich niet scharen. De boodschap was misleidend, vond hij, want ‘niet één sterfgeval onder vogels kon worden toegeschreven aan de CO2-uitstoot’, schrijft hij in zijn essaybundel Het einde van het einde van de aarde. ‘Het verlies van leefgebied was in 2014 veruit het grootste gevaar voor Amerikaanse vogels, gevolgd door loslopende katten, botsingen met hoogbouw en bestrijdingsmiddelen.’

Wie vogels wil beschermen, kan zich dus maar beter richten op het tastbare gevaar, betoogt Franzen: op de ontbossing, het overmatige gebruik van pesticide en, in sommige gevallen, op de bouw van windmolenparken midden in migratieroutes van trekvogels. Het klinkt misschien egoïstisch, erkent hij, om je drukker te maken over vogels dan over toekomstige generaties, maar het probleem is dat de strijd tegen klimaatverandering alles overschaduwt en ten koste gaat van de strijd voor natuurbehoud. De klimaatcrisis kent geen simpele remedie, maar het beschermen van een regenwoud kan het verschil betekenen tussen leven en dood voor een zeldzame vogelsoort. Het ophangen van speciale nestkasten kan een beslissend steuntje in de rug zijn voor de populatie gierzwaluwen. In Nederland moet het ‘Aanvalsplan Grutto’ voorkomen dat de weidevogel die in 2015 werd verkozen tot nationale vogel uit ons land verdwijnt.

Als ik mijn verrekijker op zo’n gevederd schepseltje richt, denk ik even niet aan alle dieren die uitsterven

Er zijn al talloze actiegroepen die zich inzetten voor het klimaat, redeneert Franzen, laat vogelbeschermers zich beperken tot het beschermen van vogels, door zich hard te maken voor maatregelen die onnodige slachtoffers als Angèle kunnen voorkomen. Dat hoeft ook helemaal geen oorlog met de klimaatbeweging te betekenen, want er zijn eenvoudige oplossingen voorhanden: het zwart verven van een rotorblad kan een hoop botsingen voorkomen en er bestaan sensoren die de wieken automatisch stil kunnen zetten wanneer er trekvogels in de buurt zijn. ‘Om in de toekomst massale uitsterving te voorkomen, volstaat het niet om onze CO2-uitstoot te beperken’, schrijft Franzen. ‘Daartoe moeten we ook heel veel vogels nu in leven houden.’

Franzen is een lijstjesmaker, iemand die een speciale reis boekt naar Caribische eilanden en elke ochtend om half vijf zijn wekker zet om aan het einde van zijn verblijf alle inheemse vogelsoorten afgevinkt te hebben en die zich maar moeilijk over de teleurstelling heen kan zetten als net die ene zeldzame vogel zich niet laat zien. Hij schrijft: ‘Het lukt me doorgaans om dat dwangmatige tellen te rationaliseren als een onschuldig spelletje binnen de context van mijn passie, maar ik bén dus wel dwangmatig en dat maakt me in morele zin de mindere van vogelaars die het puur is te doen om het plezier van het kijken naar vogels.’

Het wereldrecord van het grootste aantal ‘gespotte’ (excusez le mot) vogels in één jaar staat op naam van een Nederlander, Arjan Dwarshuis. In 2016 reisde hij tijdens zijn ‘Big Year’ de wereld rond en zag hij 6852 vogelsoorten en zamelde hij geld in voor Birdlife International. Op zijn website staat ‘birding is not a hobby, it’s a way of life’ en in de Vogelspotcast probeert hij zijn vriend en podcastmaker Gisbert van Baalen in te wijden in die manier van leven. De formule werkt aanstekelijk, vooral omdat Van Baalen een nieuwsgierige leek is, net als ik. Als de twee een mooie vogel zien klinken ze een beetje als Alexander Klöpping die een nieuw gadget uitprobeert: ‘Wauw! Wat gaaf!’ ‘Dit vind ik heel tof!’ De zin ‘het mooie aan vogels kijken is…’ maakt Dwarshuis in bijna elke aflevering op een andere manier af.

De fotogenieke blauwborst (Luscinia svecica) is bijzonder geliefd onder vogelaars met telelenzen © Martijn de Jonge / De Beeldunie

Bij onze ontmoeting, bij de oeverlanden aan de rand van het Amsterdamse Bos, zegt hij: ‘Dat is het mooie aan vogels kijken: het delen van kennis en samen zo’n waarneming doen. Dat is gewoon vet.’ We hebben zojuist de zeldzaamste roofvogel van Amsterdam voorbij zien vliegen: de wespendief. Op het display van zijn camera wijst Dwarshuis me op de opvallende kenmerken: de zwarte baan op de ondervleugels, de gebandeerde buik en de koekoekachtige kop. ‘Dit is echt een knaller’, zegt hij. ‘Voor jou is dit zeker een nieuwe soort?’ Inderdaad, een wespendief had ik nog niet eerder gezien.

Als tiener stond Dwarshuis ‘voor, na en soms ook tijdens schooltijd’ tussen de oude mannen bij de telposten in Scheveningen. Zij leerden hem op welk geluid je moet letten en hoe je verschillende vogels in vlucht kunt herkennen. Op zijn vijftiende reisde hij samen met een vriendje naar het oosten van Turkije om vogels te kijken, wat veel klasgenoten maar raar vonden. ‘Ik begreep nooit waarom vogelen zo’n stoffig imago had’, zegt Dwarshuis. ‘Voor mij was het altijd al het mooiste wat er bestaat. Gelukkig beginnen meer mensen dat door te krijgen. Zelfs de jongens die mij vroeger uitlachten vragen me nu of ze een keertje mee mogen op excursie.’ Dwarshuis moet hen teleurstellen: tot aan de herfst zit hij volgeboekt.

‘Wie zijn omgeving kent, de dier- en plantensoorten om zich heen herkent, stelt zich steeds vaker bloot aan verdriet’, schrijft Helen Macdonald in haar essaybundel Schemervluchten. Omgekeerd is de ecologische teloorgang voor een ongetraind oog moeilijker waar te nemen. Natuurlijk wist ik dat de Nederlandse natuur onder druk staat, maar als ik op de Veluwe wandelde zag ik mooie bossen en verheugde ik me op een mogelijke ontmoeting met een edelhert of een wild zwijn. De landschapspijn wordt pas invoelbaar als je ziet wat er allemaal verloren gaat, als je jaar in, jaar uit aandachtig naar je omgeving kijkt en begrijpt hoe ecosystemen werken. Vogels zijn een graadmeter voor de staat van de natuur: dat de populatie zomertortels hard achteruit gaat, is een indicatie dat het slecht gaat met de biodiversiteit op het platteland. Dat het aantal buizerds flink is toegenomen, betekent dat er genoeg prooidieren zijn.

‘Het is deprimerend om je te realiseren dat sinds de jaren negentig het aantal dieren in open gebieden met de helft is afgenomen’, zegt Dwarshuis. ‘Op voedselarme zandgronden, zoals de Veluwe, is die afname zelfs zeventig procent. Alles verzuurt daar door de stikstofuitstoot, waardoor er te weinig kalk in de insecten zit en jonge pimpelmeesjes hun pootjes breken in het nest. En dan heb je ook nog eens klimaatverandering die als een zwaard van Damocles boven alles hangt en het verdwijnen van regenwoud uit de Amazone…’ Voor zijn eigen gemoedstoestand richt hij zich daarom op de Nederlandse natuur en daar ziet hij ook positieve ontwikkelingen: ‘Had je me twintig jaar geleden gezegd dat er in 2021 twee roedels wolven en twintig broedparen zeearenden in ons land zouden zijn, dan had ik je voor gek verklaard.’

‘Je moet je voorstellen’, gaat Dwarshuis verder, ‘in de jaren zeventig ging het heel slecht met de moerasnatuur. De blauwborst was extreem zeldzaam. Maar we zijn slimmer met de natuur gaan werken, bijvoorbeeld met het “Ruimte voor de rivieren”-project, waardoor er nieuw moerasgebied ontstond en de waterkwaliteit sterk verbeterde. Kijk naar de Noordwaardpolder in de Biesbosch, waar dijken zijn doorgestoken om natuurlijke uiterwaarden te creëren. Tien jaar geleden was dat nog intensieve landbouwgrond, nu broeden er meer dan tweehonderd paren veldleeuweriken en doken er uit het niets acht gruttobroedparen op, terwijl die soorten het heel moeilijk hebben. Zo’n project laat zien: het kan wel. Voor het draagvlak helpt het enorm dat meer mensen interesse tonen voor vogels en de Nederlandse natuur. Dan heb ik het niet over die mannen in midlifecrisis die in camouflagepak met hun camera dwars door broedgebied lopen, maar op mensen die, net als jij, gewoon beter willen leren kijken.’

Mijn goede voornemen als aspirant-vogelaar is om vogels te kijken op de manier die Jonathan Franzen moreel superieur acht: niet om records te breken, maar voor het plezier. Ik wil me niet laten meeslepen door het wedstrijdelement, maar me blijven verwonderen over deze afstammelingen van de dinosauriërs die, in de woorden van Jennifer Ackerman, ‘heilige huisjes omver gooien en allerlei regels overtreden’ en ‘een bom leggen onder onze overtuiging dat onze soort uniek is’. Ik zou ook geen echte vogelaar worden, bezwoer ik. Het was gewoon een leuke coronahobby, een mooi excuus om wat vaker naar buiten te gaan en beter te weten wat je daar allemaal ziet. En zo begon het ook: met uitstapjes naar het park, verrekijker verscholen onder de jas en dan zoeken naar spechten en bloomklevers. Even omrijden als je in de buurt bent van een natuurgebied. Wat gratis basiscursussen volgen op de website van Vogelbescherming Nederland, zodat je de zang van een koolmees kunt onderscheiden van die van een winterkoninkje.

Maar voor je er erg in hebt sta je op een dijk bij het Zuidlaardermeer naast een rij telescopen, omdat daar een bijzondere witvleugelstern is gesignaleerd en krijg je van een man met een grijze ringbaard de tip dat je even verderop tussen het riet een paar steltkluten op het nest kunt zien. En in de auto terug naar de stad maak je een lijstje van de vogels die je hebt gezien, de meest bijzondere bovenaan. Eindelijk de blauwborst zien zingen, dat fotogenieke vogeltje dat je kende van de plaatjes op sociale media. Als het in dit tempo doorgaat, zet je volgend jaar je kerstbonus opzij om een Swarovski-kijker te kopen.

Het kijken naar vogels is ontspannend en opwindend tegelijk. Als ik mijn verrekijker op zo’n gevederd schepseltje richt, denk ik even niet aan alle dieren die uitsterven of bossen die tegen de vlakte gaan, maar krijg ik ontzag voor de wildernis om me heen. We delen onze parken en steden met deze wezens die uit een andere wereld afkomstig lijken. De ooievaar die in de zomer door het gras tussen de picknickende parkbezoekers stapt, op zoek naar eten voor zijn pasgeboren kuikens, vliegt een paar maanden later duizenden kilometers richting zijn West-Afrikaanse winterverblijf. De stadsduiven in de winkelstraat zijn het product van miljoenen jaren evolutie.

‘Het drastische anders-zijn van vogels is wezenlijk voor hun schoonheid en hun waarde’, schrijft Jonathan Franzen in het essay Waarom vogels ertoe doen. ‘Ze zijn altijd onder ons, maar nooit aan ons onderworpen. Ze zijn de enige andere dieren die in de loop van de evolutie heerschappij over de aarde hebben gekregen, en hun onverschilligheid jegens ons zou er een ontnuchterende aanwijzing voor moeten zijn dat wij niet de maat van alle dingen zijn.’