Alsof het niks is

Afgelopen weekend was het er weer: de luchtcirculatie.

Tijdens belangrijke schaatstoernooien vertelt commentator, ex-schaatser en liefhebber van statistieken en andere toegepaste wetenschap Martin Hersman het altijd, elke keer weer. Zodat we het goed onthouden.

Tijdens zo’n toernooi worden niet alleen de ritten verreden tussen twee schaatsers, maar tegelijkertijd wordt ook door andere schaatsers voortdurend in- en warmgereden op de inrijbaan. Die ligt aan de binnenzijde van de wedstrijdbaan. En alle schaatsers rijden dezelfde kant op, wat ook wel zo veilig is. Tegen de klok in rijden ze.

Schaatsen is tegenwoordig een overdekte sport, en de wedstrijden vinden plaats in een hal. Met een dak erop en de deuren dicht. Wat er dan gebeurt tijdens zo’n toernooi, legt Martin Hersman ons dan steeds weer uit, is dat de schaatsers met al dat inrijden de lucht in beweging brengen. In dezelfde richting als de schaatsers. Dat is de luchtcirculatie: een bescheiden wervelwind in de hal, tegen de klok in, als het ware een sympathieke rugwind voor de rijders.

Als je de lucht zou kunnen zien, dan zou je een ovale stroom meewind waarnemen, die circuleert door de hal, zodat er nog sneller geschaatst wordt geschaatst dan er al werd. Hoe meer mensen aan het inrijden zijn, hoe meer luchtcirculatie, en hoe sterker de meewind. (Daarom is het nadelig om helemaal aan het eind van een dag te moeten rijden. Dan zijn de anderen naar de kleedkamer of het café en is er veel minder luchtcirculatie dan in het begin van de ritten. Of helemaal geen.)

De lucht als medestander en ruggensteun-gever. De lucht die je vooruit duwt, je naar de finish begeleidt, met zachte hand.

Tegelijkertijd is de lucht de grootste tegenstander van de schaatser. Niet voor niets probeert hij of zij als het kan op de kruising vlak achter zijn tegenstander te rijden, want die ‘breekt de wind’ – alsof je tijdens een storm even in een portiek kunt gaan staan. Dat is voordelig, want de belangrijkste weerstand die de schaatser moet overwinnen is de luchtweerstand. Niet die van het ijs, of de zwaartekracht, of een gebrek aan zelfvertrouwen, maar de weerstand, de wrijving van de lucht.

(Daarom ga je in Calgary harder dan in Heerenveen: op een baan die ruim een kilometer boven de zeespiegel ligt is de lucht ‘ijler’, dus minder ‘dik’ en schaats je er makkelijker doorheen. Als de luchtweerstand nul zou zijn, zou de schaatser een snelheid van 350 kilometer per uur halen. Dat bedoel ik.)

Het is meer dan fascinerend. Gewone mensen zijn net schaatsers. We leven in de lucht. Soms dikke lucht. De lucht als een muur waar je doorheen moet. De lucht die ‘gebroken’ kan worden.

En daar lopen we gewoon de hele dag doorheen, alsof het niks is. Zonder enig respect voor de kracht ervan, zonder angst voor zijn vernietigende eigenschappen… We nemen de lucht veel te weinig serieus.

Want als je eenmaal beseft hoe sterk de lucht is, dan wil je hem niet tegen je hebben. Dan is het eind zoek. Je bent er namelijk de hele tijd aan blootgesteld. Je bent de hele tijd zijn weerstand aan het bevechten. Die is groot! En je weet nooit zeker wat er allemaal in zit. Dan ga je vanzelf denken aan wat de Talking Heads zongen, in het meesterlijke nummer Air, op Fear of Music, over de angst voor de lucht:

Where is that protection that I needed

Air can hurt you too

Precies! Je weet niet wat erin zit. Maar daar hoor je niemand over.

Some people say not to worry about the air

Some people never had experience with air

Rainer Maria Rilke liet zijn Malte Laurids Brigge optekenen, in zijn dagboek toen hij in Parijs was:

In elk bestanddeel van de lucht proef je ellende, in ieder zuurstofdeeltje herken je het verschrikkelijke. Je ademt het in met iets doorzichtigs; maar binnen in je slaat het neer, wordt het hard, krijgt het kantige geometrische vormen tussen de organen; want alles wat aan pijn en afschuw bezweken is op de gerechtsplaatsen, in de folterkamers, de gekkenhuizen, de operatiezalen, onder de brugbogen in de late herfst: dat alles is van een taaie onvergankelijkheid, dat alles leidt een zelfstandig bestaan en houdt, jaloers op alles wat leeft, aan zijn eigen verschrikkelijke werkelijkheid vast.

De lucht zit vol met alles. Met pijn en afschuw. Eng. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Lucht is sterk, sterker dan wat ook. Geur- en smaakloos en onzichtbaar bovendien. Ik vind hem eng.