Alsof het voorbij is

Ik lig al een tijdje wakker als ik van verre de bezorger van de Volkskrant de straat in hoor komen. Ik slaap op zolder, met open raam, en alles wat op straatniveau aan geluid wordt geproduceerd, tinkelt haarscherp naar boven.

Het is een rustige straat, dat scheelt. Het meest onrustwekkende geluid van de afgelopen jaren was het middernachtelijk uitblijven van het geluid van terugkerende kroegtijgers, feestgangers of hoe je ze maar moet noemen. Ik kon het geratel van hun fietsen uittekenen, wist precies wie van de twee het was die ik eindelijk de sleutel in het slot hoorde steken, en meestal was dan ook de ander wel in aantocht. Met hun vertrek uit huis hebben mijn oren een ander herkenningspunt gevonden. De krantenjongen dus, altijd fris uit de veren. Hij klinkt alsof hij samen met zijn broer van ver is gekomen. Ze hebben eerst het land bewerkt, cassaves geplukt, de hut aangeveegd, en daarna de zegen van de stamoudste meegekregen om de westerse mens van dienst te zijn bij diens ochtendritueel. Ik kan het niet verstaan wat ze tegen elkaar zeggen, maar ze hebben stof voor tien. Onafgebroken en ongestoord is hun dialoog, de hele straat door, op de achtergrond het geklepper van de brievenbussen. In werkelijkheid weet ik inmiddels dat hij een telefoon in zijn oren heeft, en handsfree aan het bellen is. Is hij niet aan het bellen, dan hoor ik zijn muziek schetteren.

Niet dat er altijd een reden moet zijn om wakker te liggen, maar nu lig ik na te denken over La vie d’Adèle. Twaalfde week! adverteert de bioscoop, en de zaal zat gisteravond bomvol. Terwijl mijn dochter naast me in slaap stortte, wilde ik dat de film nooit ophield. En wilde ik vooral dat het weer goed kwam tussen Adèle en Emma. Ik wil altijd dat het goed komt, het liefst eigenlijk dat het goed blijft. ‘Ik snap niet wat ze in die chick met dat blauwe haar ziet’, gaapte mijn dochter in de pauze. ‘Ik vind die man van d’r werk leuker.’

Ik lig in mijn bed hardop te kreunen als ik denk aan de tweede helft, begeleid door de obsceen ronde klanken van de krantenjongen die door het slaapkamerraam naar binnen buitelen. Droevig eiland droevig volk, dichtte Cola Debrot over Curaçao, eind jaren zestig vorige eeuw, toen de opstand uitbrak en Willemstad afbrandde. Droevig eiland zonder tolk. Niet dat deze jongen van Curaçao komt, maar evenzogoed zou ik hem willen troosten. Klep klep, doet de brievenbus. Klepperdeklepklep, die van de buren.

‘Ik mis het om je aan te raken’, zegt Adèle. ‘Ik weet dat jij het ook mist.’

Emma kijkt weg, laat haar hand pakken, zoenen, bijten, opslokken, binnen een paar seconden lijken ze weer in elkaar te willen verdwijnen, alleen zitten ze nu in een café en hebben ze hun kleren nog aan. Tot Emma zich terugtrekt.

‘Ik wil het niet’, zegt ze.

‘Hou je niet meer van me?’

Emma schudt het hoofd.

‘Weet je zeker dat je niet meer van me houdt?’

Mijn dochter vertrekt geen spier. ‘Ik vind het altijd wel interessant om te zien hoe het mis gaat’

Emma zegt: ‘Ik voel een oneindige tederheid voor je, en dat zal altijd zo blijven.’

Oneindige tederheid! Dat is niet genoeg! (Dit zeg ik, terwijl Adèle in stilte haar verlies neemt.)

Dat liefde kan ophouden, het is onverteerbaar, maar mijn dochter naast me in de bioscoopstoel vertrekt geen spier. ‘Ik vind het altijd wel interessant om te zien hoe het mis gaat.’

Vroeger was La notte van Antonioni mijn lievelingsfilm, maar ik geloof niet dat ik die nu nog zou willen zien. Het zijn fases, schrijft Julian Barnes in Alsof het voorbij is. Eerst wil je dat een film of boek je leven op z’n kop zet. Later wil je dat ze iets weldadigers doen, namelijk je vertellen dat alles in orde is.

La vie d’Adèle heeft zo’n speciale kwaliteit dat de acteurs samenvallen met de personages die ze spelen. Ik wil nog steeds niet ophouden naar hun gezichten te kijken. Het is makkelijk om de regisseur te verdenken van de ‘male gaze’ die zich verlustigt in eindeloze seksscènes, zoals Lorrie Moore dat deed in The New York Review of Books, maar in retrospectief is de seks de voorbode van het verlies. Alleen zo kan de intensiteit worden begrepen.

De vriendin die de film ook heeft gezien, mailt me. Of ik al wist dat ze siliconen nepvagina’s aanbrachten voor ze gingen draaien. Ik neem het voor kennisgeving aan, zoals ik over wel meer zaken die anderen uit hun doen brengen mijn schouders ophaal. Ik kies mijn eigen momenten van ontnuchtering.

’s Avonds staat de krantenjongen op de stoep. Dat wil zeggen: ik herken hem als hij mij de beste wensen namens zijn werkgever in de handen drukt. Eventjes kan ik mijn blijdschap niet op. Geef hem zoveel geld alsof er toch nog een broer is met wie hij het moet delen.

‘Ik hoor jou ’s ochtends’, zeg ik tegen hem.

‘Ik jou ook’, zegt hij, en verdwijnt weer in de nacht.

Ik denk dat hij dacht dat ik hem gelukkig nieuwjaar wenste.