Esther Kinsky schrijft zintuiglijk en met grote precisie © Heike Steiweg

In de Italiaanse regio Friuli vinden in mei en september 1976 twee zware aardbevingen plaats, waarbij bijna duizend mensen omkomen, tienduizenden hun huis verliezen en het landschap voorgoed verandert. De Duitse schrijver Esther Kinsky (1956) zocht voor haar derde in het Nederlands vertaalde roman Rombo, genomineerd voor de Deutscher Buchpreis 2022, zeven inwoners op uit een van de getroffen dorpen. Vanuit hen beschrijft ze de aanloop naar de bewuste 6 mei, het rommelen en donderen, de beving die precies twaalf seconden duurde, het puin, het verlies, de fabels, de angst en het bijgeloof. En, na een zomer lang repareren, de nieuwe beving in het najaar. ‘De herinnering is een dier dat blaft met vele bekken’, zegt Anselmo, die kind was tijdens de bevingen en nu gemeentewerker is in hetzelfde dal.

Alle zeven vertellen ze afwisselend in korte hoofdstukjes hun versie van de beving en de nasleep, spreektaalachtig, soms overpeinzend en beeldend. Mara, die voor haar oude moeder zorgde, vertelt: ‘Eerst die wind, die gierde opeens over het erf, er viel buiten iets om en ik kreeg het zo koud, heel plotseling. En toen dat geluid. Dat doffe rollen.’ Of Lina: ‘Toen ik voor het eerst overdag ons huis weer binnenging, zag ik stenen en brokken kalk op mijn bed liggen. In het halfdonker had je ze kunnen aanzien voor de contouren van een slapend wezen. Alsof ik daar lag, van steen, versteend.’

Niet alleen het landschap is brokkelig en fragmentarisch, ook de personages buitelen over elkaar heen. Telkens worden dezelfde ervaringen vanuit andere ogen beschreven, waardoor er nieuw licht overheen valt. Na de eerste beving zijn de meeste bewoners opgelucht dat er in hun dorp weinig vermisten en zoekacties zijn, maar dat klinkt anders in Anselmo’s kinderbeleving: ‘Ik lag in de auto en stelde me voor dat ik echt dood was. Later leek het me fijn om een van degenen te zijn die onder het puin vandaan werden gehaald. Dat was heel emotioneel, dan werd er geklapt en gehuild.’

Alleen de lezer weet dat er een tweede aardbeving dreigt

De herinneringen komen hortend en met veel herhalingen boven. Alsof een groep mensen door elkaar heen praat en je dan weer flarden van de een, dan weer van de ander oppikt. Deze meerstemmigheid is de draagbalk van het boek en geeft een reportage-gevoel: een onbevattelijke catastrofe in huiskamerformaat, teruggebracht tot anekdotes zoals die over een brommer waar jarenlang voor is gespaard, of een wegens werk verhuisde moeder die haar ‘aardbevingskind’ op bezoek krijgt. Hier zijn echte mensen aan het woord, families die door natuurgeweld, armoede, arbeidsmigratie in een ruwe wereld leven. Hier mixt Kinsky nieuwe genres: documentaireliteratuur, montageliteratuur.

Hoewel de meerstemmigheid je soms duizelt, plotliefhebbers hier worden uitgedaagd en je het op een gegeven moment wel weet met alle mortelstof, rotssplinters, muurbreuken en puin, daagt langzaam ook de ordening. Kinsky houdt een doordachte structuur aan en weet hoe ze de brokstukjes moet doseren. Korte, poëtische alinea’s over de geologische, botanische en natuurhistorische eigenschappen van het bergdal, sprookjes, fabels, fotografie en wetenschappelijke beschrijvingen wisselen de ervaringen af en krijgen zelf iets menselijks – zoals de Monte Canin, de berg die van alles getuige is en zich soms met lawines laat horen. Deze afwisseling verraadt een zorgvuldige compositie van zowel de herinneringen als de landschappen waarin ze zijn ontstaan.

De ‘landschapspassages’ scheppen afstand tot de ingestorte huiskamers, ze vertragen de handeling, een andere concentratie is vereist. Niet het menselijke leed maar de taal is de motor. Bijvoorbeeld wanneer de term ‘rombo’ wordt uitgelegd, het geluid waarmee een aardbeving begint en ‘waarmee alles veranderde, in één klap zoals dat heet, hoewel het eigenlijk een stoot was, het doffe, stompe uiteinde van een beweging die uit de verte kwam aanrollen’. Iedereen heeft dat geluid opgeslagen in het geheugen. Of wanneer de slachtoffers, ‘al was het maar door het fijne stof en gruis in hun haar, [beseffen] dat datgene wat hun zojuist is overkomen niet kan worden verholpen of goedgemaakt, omdat het buiten de categorieën goed en kwaad valt’. Kinsky schrijft zintuiglijk en met grote precisie, hierin herken je de dichter en vertaler.

In 2020, het jaar waarin ze de W.G. Sebald-prijs won, werd Kinsky’s roman Langs de rivier naar het Nederlands vertaald en genomineerd voor de Europese Literatuurprijs. In dit boek, een door haar zelf benoemde ‘terreinroman’, stroomt een rivier en vormen de plekken waar hij langskomt, net als het aardbevingsgebied in Italië, telkens de aanleiding voor reflectie, interpretatie en herinnering.

De manier waarop we herinneren wordt in Rombo nog meer gethematiseerd. Mooi is hoe tegen het einde de personages in elkaar haken en terugkomen in elkaars anekdotes. De wetenschap van de lezer dat er een tweede beving op komst is maakt hun ervaringen urgent, bijna ondraaglijk, en geeft de roman vaart. Sommige inwoners trekken weg na de laatste beving, naar de kust of het buitenland. Het dal herkennen ze haast niet meer als ze na jaren weer terugkeren. De herinnering is het enige wat nog over is. ‘In de begintijd van de geologie’, schrijft Kinsky, ‘bestond er een wetenschap die abissologie heette. De leer van de kloven, afgronden en holle ruimten, waarin opgesloten als in een amandelpit het vergetene zit, het kwijtgeraakte.’ Met dit boek schreef ze een gonzend verslag van alles wat onthouden en teruggevonden werd.