De verloren glorie van Heerlen

Alsof Limburg zich schaamde

Bij de landelijke verkiezingen werd in Heerlen de PVV de grootste partij. Na het neerzijgen van de Lange Jan en de Lange Lies, de schoorsteenpijpen van de laatste mijn, is het met de werkgelegenheid nooit meer goed gekomen.

DE SCHACHTTOREN van de Oranje Nassau Mijn 1 achter het station is een van de laatste herinneringen aan het mijnverleden van Heerlen. De achtergebleven gebouwen en steenbergen van de mijnen werden door de stadsbestuurders beschouwd als littekens in het Limburgse landschap en waren vrij snel verdwenen. Het devies ‘zwart wordt groen’ is naar de smaak van de laatste oud-mijnwerkers al te rigoureus opgevolgd. De sluiting van de mijnen na 1965 kwam bij hen hard aan.
Een zwarte granieten zuil voor de Heerlense bibliotheek herinnert eraan dat de Romeinen Heerlen tweeduizend jaar geleden op een kruispunt van twee heerwegen hebben gesticht als de nederzetting Coriavallum. Het werd een belangrijke stad nadat geologen hadden vastgesteld dat er ontginbare kolenlagen in de Zuid-Limburgse bodem aanwezig waren. Op 30 maart 1898 werden de eerste kolen uit de Oranje Nassau Mijn 1 naar boven gehaald. De bevolking nam daarna snel toe. In 1812 telde Heerlen 3497 inwoners, in 1930 ruim 32.000. Voor het huisvesten van de mijnwerkers ontstonden nieuwe buurten zoals Treebeek, die in de volksmond koloniën werden genoemd.
Duitsers, Polen, Tsjechen, Joegoslaven en Kroaten beten als mijnwerkers en opzichters het spits af en leerden de Limburgers het vak en de gebruiken en uitdrukkingen, van Gluck auf tot koempel voor mijnwerker. De oud-mijnwerker Giuseppe Millevoi (74) is een zoon van een Kroatische mijnwerker uit Labin op het schiereiland Istrië. 'In 1923 waren de verdiensten daar zo laag’, vertelt hij, 'dat mijn vader als zeventienjarige jongeman naar Frankrijk trok en in de jaren dertig met een groep van tien man in Limburg neerstreek. Limburg beviel hun het best, omdat de arbeidsvoorwaarden goed waren en er beter op veiligheid werd gelet.’
Tot zijn zestigste werkte zijn vader op de Oranje Nassau 3 in Heerlerheide. Giuseppe, Pino voor de koempels, ging na de lagere school naar de lts, werd bovengronds monteur-bankwerker, maar ging toch de mijn in: daar werd beter verdiend. 'Ik heb bijna negentien jaar ondergronds gewerkt. Ondergronds had je heel veel verschillende technische beroepen. Dat gold ook voor de koempels die de kolen dolven. Je had een ploeg die de kolen losmaakte en mensen die zorgden voor het transport in door diesel- of elektrische locs getrokken lorries.’
Heerlen werd een rijke stad. 'Dat is het nu niet meer’, zegt oud-mijnopzichter Giel Theunissen (75) spijtig: 'Het ene na het andere particuliere of staatsmijnbedrijf opende zijn poorten. Dat heeft geleid tot één grote mono-industrie. De katholieke kerk zorgde er samen met de industriëlen voor dat in die situatie geen verandering kwam. Voor andere vormen van industrie was geen plaats in Zuid-Limburg. De kerk zag ook graag dat de mijnwerkers naast elkaar woonden in een huis met een tuintje. Dan hadden ze iets om in het gareel te blijven, postduiven te houden, en gingen ze niet naar de kroeg. De kerk was ook sterk betrokken bij het verenigingsleven en het voetbalelftal van Limburgia. Voordat je naar de mijnschool mocht, moest je eerst naar meneer pastoor voor het afhalen van een bewijs van onbesproken gedrag. De kerk bemoeide zich vroeger met alles wat los of vast zat.’
Herbert Berendse (67) had na terugkeer uit zijn diensttijd bij de marine als technisch vakman het gevoel dat er veranderingen op til waren in de mijnen. De kolenvoorraad was te groot. 'Ik kom uit Nieuw Einde, een dorpje dat tussen vier mijnen lag’, vertelt hij. 'Op de lagere school kon je in de eerste klas al zien wie er wel of niet naar de mijn gingen. Op de voorste rij zaten de leerlingen die naar de ulo of de mulo gingen, daarachter zaten de leerlingen die naar de ambachtsschool gingen. En daar weer achter alle leerlingen die naar de mijn gingen. Het was niet goed dat er geen andere industrie in Zuid-Limburg was. Als een andere industrie zich hier wilde vestigen, riepen de directies: “Stop! We hebben mijnwerkers nodig en geen fabrieksarbeiders!” Op al die kleine dorpen rond de mijnsteden werd door de mijnen geregeld wie er wel of niet naar de mijn ging.’
Dat was toch traditie? 'Ik vond het geen traditie om naar de mijn te moeten’, zegt Berendse. 'Mijn moeder had twee zusters, al hun mannen waren mijnwerker. De ene was een Belg, de andere een Duitser en mijn vader was een Hollander uit Amersfoort. Mijn neven in België en Nederland waren zonder één uitzondering allemaal mijnwerker. Het was wel een traditie, maar ik was er niet kapot van. Mijn vader is overleden aan stoflongen. Silicose. Mijn moeder wilde ook niet dat ik naar de mijn ging, maar ja, al je vrienden werkten er. Er was geen ander werk in Zuid-Limburg.’
Berendse was een jonge vent van 23, getrouwd, zoontje van een jaar, toen het doek viel voor de mijnen. Hij kon nog alle kanten op. Het werd een opleiding en plaatsing in de scheepsbouw in Dordrecht. Na een intermezzo in de textiel in Limburg sloot hij zijn werkzame leven af bij de afdeling telecommunicatie van KPN: 'Mijn schoonvader was slechter af en verdaagde in de WAO.’

FRANS DOHMEN was de voor het leven benoemde voorzitter van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond. Hij streefde meer naar verbetering van het materieel welzijn van de mijnwerkers dan naar het toenemen van hun mondigheid. Voor tienduizenden Limburgse mijnwerkers was hij de garantie voor welvaart die buiten Limburg niet te vinden was. Dohmen overleed op 81-jarige leeftijd in 1991 in Heerlen. 'Hij stond pal voor algemeen erkende zekerheden’, schreef Frans Koenen in het Limburgs Dagblad. 'Ze leken toen nog onaantastbaar: wie van school kwam kreeg een extra opleiding en ging naar de mijn. ’s Zondags ging je naar de kerk, aan Gods bestaan werd niet getwijfeld, aan de doodzonde evenmin. Het bier bleef koel en de duiven vlogen best. Schutterijen schitterden en de vruchtbomen leken wel eeuwig in bloei te staan. Frans Dohmen was niettemin een van de eersten die het einde van die zekerheden zag naderen.’
Op een bondsraadvergadering in 1962 waarschuwde hij ervoor dat de grote kolen producerende landen in de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal), West-Duitsland, België en Frankrijk, niet op de Limburgse kolen zaten te wachten. Koos Andriessen verklaarde daarna als minister van Economische Zaken de Limburgse mijnen tot 1970 kerngezond…
De kolencrisis was in de landen van de EGKS toen al een feit. Vergeten was dat Nederland vlak na de oorlog schreeuwde om kolen. Vergeten was dat Volendam mijnwerkers uitnodigde om ze te prijzen en te bedanken voor hun inzet aan het kolenfront. Er was sprake van een daling in de omzet van de sector vaste brandstoffen, van het aantal ondergrondse mijnwerkers en leerlingen en van de prijzen van de kolen die door de Limburgse mijnen werden geproduceerd. Bedrijven schakelden steeds meer over op de goedkopere aardolie. Europese kolen konden niet meer concurreren met kolen uit derdewereldlanden en de door steeds grotere tankers via het Suezkanaal aangevoerde olie. De Staatsmijnen namen tussen 1958 en 1959 al geen personeel meer aan. De Europese kolenmarkt was ontwricht. De situatie werd voor de particuliere mijnen eveneens onhoudbaar.
In 1960 was er even sprake van herstel, maar in de gesprekken van de Mijnraad met Joop den Uyl, minister van Economische Zaken, kwam men tot de conclusie dat er voor de mijnzetel Maurits te Geleen geen toekomst meer was. Op 2 december 1965 sloot Den Uyl met de hoofddirectie van de Staatsmijnen een overeenkomst voor de sluiting van de Maurits binnen drie jaar. Op 16 december 1965 onderstreepte hij in Haarlem in zijn openingswoord voor de Conferentie over Energie voor de Europese Gemeenschap de dwingende noodzaak van het opstellen van een werkgelegenheidsplan in combinatie met de sluiting van de mijnbedrijven.
De zaken ontwikkelden zich daarna snel. Als econoom besefte Den Uyl dat de steenkolenwinning in Zuid-Limburg geen toekomst meer had. Als sociaal bewogen politicus koos hij voor een geleidelijke ontmanteling, die in de pas liep met de ontwikkeling van nieuwe werkgelegenheid voor de erbij betrokken werknemers in de oostelijke en westelijke mijnstreek.
De kogel was door de kerk. Op 17 december 1965 presenteerde Den Uyl de historische Nota inzake de mijnindustrie en de industriële herstructurering van Zuid-Limburg in de Stadsschouwburg van Heerlen. De sfeer was bewogen. Het viel hem zwaar. Het was een bleke, doodvermoeide bewindsman die het woord voerde, schreven de landelijke en provinciale dagbladen. Vol vuur riep hij iedereen echter op de handen uit de mouwen te steken. Den Uyl geloofde stellig dat er iets groots in Zuid-Limburg viel te verrichten.
Het stond voor hem vast dat de bepalingen van de Mijnnota voor de herstructurering van dit gebied voor velen hard zouden aankomen, omdat zij afstand zouden moeten doen van hun oude vertrouwde omgeving, hun status als trotse mijnwerkers en hun inkomen. Maar Den Uyl geloofde stellig 'dat hier in Zuid-Limburg nieuw werk en nieuw leven, nieuw samenleven zijn fundamenten zal kunnen vinden’. Het ging om het verlies van 45.000 arbeidsplaatsen. Nooit eerder verdween in Nederland zo snel een zo omvangrijke bedrijfstak in een klein gebied.
De oud-mijnwerker Manfred Haffkamp (73) was niet aanwezig op de gedenkwaardige bijeenkomst in de Heerlense Stadsschouwburg: 'Ik had nachtdienst, dan haalde je het niet. Maar het stond de volgende dag kilometers breed in de krant! Wie staat er eigenlijk achter ons, vroegen we ons af. Ik heb in elk geval nooit het gevoel gehad dat het de vakbonden en de directies van de mijnen waren. Vergeten wordt vaak dat de mijnsluiting niet alleen duizenden mijnwerkers trof, maar ook dertigduizend werknemers van de toeleveringsbedrijven voor de mijnen en voorts de bakker, kruidenier en de slager. Iedereen klaagde, want de mensen hadden minder te besteden. Vroeger kocht je met Pasen of Pinksteren een nieuw kostuum, dat was gebruikelijk. Daarna werd thuis gezegd dat je wel met het pak van vorig jaar kon uitgaan. Het was in het begin een magere tijd. Na een jaar of zes, zeven leek iedereen een beetje gesetteld en werd het leven wat makkelijker.’
Haffkamp vindt dat hij als allround vakman in de mijn in 1965 geluk heeft gehad: 'Zo uit de nachtdienst werd ik verwacht bij het centrale laboratorium van de chemische tak van de Staatsmijnen in Geleen. Daar liepen heren in witte jassen, stropdas, en pennen in hun borstzak. Dan raak je toch geïmponeerd. Het ging om een opleiding voor kunststoflaborant. Dat ben ik inderdaad geworden, maar de bovengrondse sfeer beviel me niet. Geen onderlinge solidariteit zoals in de mijn. Als nieuwkomer werd je gezien als toekomstige concurrent!’
Uiteindelijk slaagde de leergierige Haffkamp erin zich op te werken tot proces-monteur werktuigbouwkunde. 'Mooi werk, dat was iets wat mij lag’, zegt hij. 'Ben daarvoor ook bij TNO Delft op cursus geweest.’ Een hartinfarct dwong hem in december '97 met de VUT te gaan. Met veel plezier werkt hij nu als vrijwilliger in het Nederlands Mijnmuseum in het schachtgebouw van de Oranje Nassau 1 in Heerlen.
Voor heel veel mensen was de mijnsluiting een ramp, maar Giuseppe Millevoi vond het ook een zegen: 'Kolen delven was zwaar werk in een ongezonde omgeving. Er was veel uitval. Stoflongen. Toen er nog weinig aan stofbestrijding werd gedaan hebben vooral de oudere mijnwerkers daar zwaar onder geleden. Ze waren jaren gekluisterd aan de zuurstoffles. Ze konden niet liggend slapen, omdat ze dan geen lucht kregen. Ze hebben jarenlang in de keuken op een houten stoel met hun hoofd op tafel moeten slapen. Van die ellende zijn wij door de mijnsluiting verschoond gebleven.’
Zelf vond hij snel zijn weg bij het in Heerlen neergestreken Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). 'Ik ben er als hoofdambtenaar uitgestapt’, vertelt hij. 'Voor Limburg was de mijnsluiting natuurlijk een grote ramp. In één klap een hele bedrijfstak weg. Dat was de reden dat het CBS met het ABP (Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) in Heerlen is neergestreken en DAF in Born. Er zijn ook een heleboel bedrijven naar Limburg gekomen die elders niet goed draaiden, maar die hier het hoofd boven water konden houden dankzij de royale subsidies van de EGKS. Het ene na het andere bedrijf ging failliet toen er een einde kwam aan de subsidies. Het gevolg was dat vooral de oudere mijnwerkers gefrustreerd raakten, omdat ze opnieuw naar een baan moesten zoeken. Dat is voor een heleboel mensen een groot drama geweest.’
Oud-opzichters volgden cursussen om bij gemeenten opzichter te worden of uitvoerder in de wegenbouw. Voor het lagere personeel was dat niet weggelegd. Het werd dan ook een uittocht. De jongeren gingen pendelen naar Duitsland en België of trokken uit de mijnstreek weg naar de strokartonfabriek in Drenthe, de aluminiumfabriek in Delfzijl, de Hoogovens in IJmuiden, de scheepswerven in het Botlekgebied, de havens in het westen of ze emigreerden naar het buitenland. Er zijn ook oudere mijnwerkers in de Belgische mijnen gaan werken. Na 1965 zijn er binnen vier jaar 14.109 mensen uit de Limburgse mijnstreek vertrokken.
Giel Theunissen slaagde er met zijn achtergrond van mulo A en B in om in een half jaar op kosten van de Oranje Nassau Mijnen het diploma hts werktuigbouwkunde te behalen. Er kon hem daarna in de verhitte periode van de mijnsluiting niet veel meer gebeuren. Bij de chemische tak van de tot DSM omgedoopte Staatsmijnen werd hij chef in de ABS-fabriek. 'Van chemische stoffen werd daar een grondstof gemaakt voor hoogwaardige kunststofartikelen’, vertelt hij. Hij zwaaide daar in 1993 af toen bij DSM tweeduizend arbeidsplaatsen moesten vervallen. Gekozen werd om de oudere medewerkers met vervroegd pensioen te sturen. Theunissen is zich daarna in de Stichting CarboON, een vrijwilligersorganisatie van oud-mijnwerkers, blijven inspannen voor het conserveren van het verleden van de Limburgse mijnen. Dat leidde in december 2005 tot de opening door de minister van Onderwijs Maria van der Hoeven van het Nederlands Mijnmuseum in het schachtgebouw van de Oranje Nassau 1.
Terugziend op de verhitte periode van de mijnsluiting, waarin duizenden mensen ander werk moesten vinden, komt Theunissen tot de conclusie dat dit in Heerlen het eenvoudigst is geweest voor de groep die op de mijnen 'schrijvend’ bezig waren: klerken en kantoorpersoneel. Die konden overstappen naar het CBS, het ABP en andere naar Heerlen overgekomen hoogwaardige bedrijvigheid. 'Het grootste probleem was het vinden van werk voor de mensen met de handjes’, zegt hij.
Onbehagen, verdriet en verbittering werden daarna in veel gevallen de onafscheidelijke metgezellen van mijnwerkers die zich moesten schikken in werk waar ze niet geschikt voor waren en die daarna in de WAO verdwenen of gedwongen werden weer opnieuw te beginnen toen veel van dat soort nieuwe bedrijvigheid weer verdween. Voor de mijnwerkers betekende het in veel gevallen het accepteren en wennen aan ander en vaak monotoon werk.
'De mijnwerkers waren trotse zelfbewuste mensen’, licht Theunissen toe. 'Ze zorgden er in het kolentijdperk voor dat de kachels bleven branden, de centrales stroom leverden en de fabrieken bleven draaien. Het waren mensen die in de mijnen een bepaalde vrijheid hadden bij de uitoefening van hun beroep. Ze moesten de kolen uit de koel halen, zoals het gat werd genoemd waaruit de steenkool werd gedolven. Hoe ze dat deden maakte eigenlijk niks uit. Als ze die kolen er maar uit haalden en wel op een veilige manier. Bij hun nieuwe werk hadden ze niks te willen. Ze moesten zorgen dat de machines bleven draaien. In de textielfabriek moesten ze met gynaecologenhandschoenen werken, omdat de garens aan hun ruwe handen bleven hangen. Monotoon was ook het werk voor de oud-mijnwerkers bij Volvo (DAF) in Born. De hele dag dezelfde bouten vastdraaien en ramen inzetten. Ja, díe mensen hebben het heel erg zwaar gehad.’
Bern Quadackers (66) werkte al bij het Limburgs Dagblad toen de Oranje Nassau 1 als laatste mijn in Heerlen op 31 december 1974 werd gesloten. Hij was een goede voetballer bij een plaatselijke vereniging en de voorzitter van die club was bedrijfsleider bij die krant. Volgens Quadackers zijn er tijdens de mijnsluiting vooral veel mijnwerkers van 45-plus tussen wal en schip gevallen. 'Velen van hen zijn met alle gevolgen van dien naar de WAO afgevoerd. Die deden uit valse schaamte, omdat ze niet meer werkten, thuis de deur niet meer open als er werd gebeld.’
In 2007 organiseerde de SP nog de grootste demonstratie uit de geschiedenis van Heerlen, voor het optrekken van de pensioenen van de mijnwerkers en betere vergoedingen voor degenen die met silicose de mijn hebben moeten verlaten. Het heeft niet mogen baten.
'De mijnsluiting is niet zo gelopen als ons was voorgespiegeld’, zegt Quadackers. 'Daar bestaat nog steeds veel onvrede over. We hebben heel abrupt afscheid moeten nemen van de mijnen. Het was alsof Limburg zich voor de sluiting van de mijnen schaamde. Alles moest zo snel mogelijk verdwijnen. Over de grens in België en Duitsland vind je prachtige musea van de mijnen. Hier is bijna niks meer. Het museum dat wij in het schachtgebouw van de Oranje Nassau hebben opgebouwd is het weinige wat ons van de mijnen in Heerlen rest. Het gebouw valt gelukkig onder Monumentenzorg en de Unesco-lijst van beschermde gebouwen. De steenberg van de Maurits is voor een groot deel begroeid met bomen en omgewalst tot een skibaan van vijfhonderd meter waarop je ’s zomers en ’s winters kunt skiën. In Kerkrade staat nog een kleine schacht. Alles viel weg, ook de vele mijnwerkersverenigingen. Dat geldt ook voor de invloed van de katholieke kerk. Vroeger moesten we als schoolkinderen verplicht biechten. Het behoort allemaal tot het verleden. Het lijkenhuisje van de Staatsmijn Wilhelmina in Landgraaf werd in 1969 tot ons verdriet een transformatorstation. In 2002 is het tot onze voldoening heringericht als Gedachteniskapel voor de 1455 mijnwerkers die in de loop der jaren in Zuid-Limburg verongelukten.’

HEERLEN zelf is sterk veranderd. De skyline wordt niet langer bepaald door de Lange Jan, de 135 meter lange schoorsteen van de Oranje Nassau 1, en zijn zusterschoorsteen Lange Lies. De Lange Jan bood weerstand toen hij op 21 augustus 1976 werd opgeblazen. Hij viel verkeerd. In zijn val nam hij een hoogspanningsleiding mee, zodat een groot deel van de stad van stroom werd verstoken.
Er is een nieuwe generatie opgegroeid die niets meer heeft met de tijd van de mijnen. De laatste generatie mijnwerkers verdwijnt uit het zicht. De SP, traditioneel sterk in de stad, is met negen zetels de grootste partij in de Heerlense raad, al verloor ze twee zetels bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Het CDA bleef toen tweede met zes zetels, de PVDA ging van acht naar vier, de Stadspartij bleef op vier zetels, de VVD op drie, Leefbaar Heerlen zakte van drie naar twee en Trots op Nederland kreeg één zetel. Maar bij de landelijke verkiezingen werd de PVV de grootste partij van de stad. De partij van Wilders, die niet aan de gemeenteraadsverkiezingen meedeed, haalde ruim twintig procent van de stemmen; de SP bleef daaronder hangen.
De nieuwe wijk Zeswegen met het omliggende park is gebouwd op de afgegraven steenberg van de voormalige Oranje Nassau 1. De stad heeft een woon-, auto- en kantorenboulevard en krijgt in de omgeving van het NS-station een door de Heerlense kunstenaar Michel Huisman ontworpen nieuw stadshart dat twee woonwijken met elkaar moet verbinden en aandacht vraagt voor het mijnverleden van Heerlen.
Heerlen maakt met negentigduizend inwoners deel uit van Parkstad Limburg, een samenwerkingsverband van acht gemeenten om de kansen en mogelijkheden van de regio te vergroten. Eenvoudig is dat niet. Van het tien jaar geleden aangelegde grensoverschrijdende bedrijventerrein Avantis van zeventig hectaren tussen Heerlen en Aken is pas zes hectare verkocht. Van de gedroomde duizenden banen zijn er zevenhonderd vervuld.
In het Nederlands Mijnmuseum in het schachtgebouw van de Oranje Nassau 1 koesteren de oud-mijnwerkers de geschiedenis van de Limburgse mijnen, de afgesloten schacht, het gereedschap en de sortering steenkool. Alles is aanwezig om te kunnen vertellen over de kameraadschap en solidariteit als voorwaarde om in de mijn te overleven. 'Vorige week vroeg een bezoeker of in de Heerlense mijnen dodelijke ongelukken zijn gebeurd’, zegt Manfred Haffkamp. 'Ja, tweemaal dertien doden in 1928 en 1947 in de Hendrik. Iedere derde zondag wordt in de mijnwerkersparochie Sint Antonius van Padua in Heerlen een mis voor hen opgedragen. Elk jaar gaan we op 4 december op Sinte Barbara, onze schutspatrones, in processie naar de Gedachteniskapel in Landgraaf.’
Giel Theunissen coördineert de binnenkomende aanvragen voor lezingen op scholen. Ze bestaan uit degelijke kost over oorsprong en groei van de kolenmijnen. Nooit geweten dat vroeger de lorries met kolen door paarden werden getrokken: 'Ze bleven tien jaar beneden. Daarna gingen ze naar boven. Ze waren dan wel blind.’ Ter dood veroordeelden kregen in sommige landen als 'boetelingen’ de kans in de mijnen met het opsporen van het mijngas hun leven te redden of verliezen. Aandacht wordt besteed aan het leven van vroeger van de mijnwerkersfamilies. Zaterdags gingen de kinderen in de teil. Daarna werd de pungel, het in een blauwgrijs geblokte handdoek gerolde vuile werkgoed van vader, in de teil gewassen. Het water in de teil was dan nog altijd goed genoeg om de planten in de tuin te besproeien.