Altijd al bedreigd

Het Institut Néerlandais - de Parijse voorpost van de Nederlandse cultuur - gaat per 2015 sluiten. Die boodschap nam de nieuwe ambassadeur in Frankrijk, voormalig secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken Ed Kronenburg, op vrijdag 13 juli mee naar de kennismaking met het personeel van het instituut. Deze koude douche was een nieuw hoofdstuk van een crisis die al ruim een half jaar speelde.

Een dag eerder had Kronenburg het aan de Raad van Toezicht meegedeeld: het ministerie van Buitenlandse Zaken is voornemens de subsidie aan het Institut in zijn huidige vorm stop te zetten aan het einde van de subsidietermijn. In de praktijk: sluiting per 2015, om daarna, in lijn met het cultureel beleid in steden als New York en Berlijn, in samenwerking met culturele instellingen programma’s te organiseren vanuit de Parijse ambassade. De redenen: ‘Door de hoge vaste kosten van het instituut, in combinatie met krimpende budgetten voor buitenlandse culturele activiteiten, zijn te weinig middelen beschikbaar voor een hoogstaand cultureel programma.’ Woordvoerder Christoph Prommersberger van het ministerie is concreter: ‘Van de twee miljoen die jaarlijks naar het Institut Néerlandais gaat, is maar driehonderdduizend bestemd voor de programmering. Dat is niet efficiënt, als je het vergelijkt met vertegenwoordigingen in andere landen. In de nieuwe opzet gaat een veel groter deel van de subsidie naar cultuur.’

Buitenlandse Zaken deed de mededeling op een moment dat niemand op zijn plaats zat: de ambassadeur, tevens voorzitter van de Raad van Toezicht, is net enkele weken aangetreden, en de twee hoogste bestuurders van het Institut zitten om persoonlijke redenen thuis en worden vervangen door een interim-directeur, de minister is demissionair en het parlement met reces.

Het personeel, vertegenwoordigd door ‘woordvoerder’ Harry Bos - in rustiger tijden filmprogrammeur van het Institut - reageert boos op het nieuws: ‘We waren de afgelopen maanden in onderhandeling. Dat we de broekriem aan moesten halen, daar hebben we wel begrip voor, maar onze pogingen om aan de eerdere wensen van Buitenlandse Zaken tegemoet te komen worden in de wielen gereden. Dit is een dolksteek in de rug van het Institut.’ Het Institut heeft dan ook besloten tot het indienen van een bezwaarschrift. In een nieuwsbericht van 16 juli noemt het Insitut de besluitvorming ‘wederrechtelijk, onstaatkundig, ondemocratisch en een voorbeeld van bad governance’. Het vraagt het ministerie om een onderbouwing van de argumenten, en vooral om meer tijd - een zo controversieel besluit moet volgens de medewerkers na de verkiezingen door een nieuw kabinet genomen worden.

De Raad van Toezicht voelde zich, net als het personeel, verrast door de gang van zaken. Maarten Asscher, directeur van boekhandel Athenaeum en lid van de Raad van Toezicht: ‘Het besluit van Buitenlandse Zaken om de subsidie te beëindigen bleek van mei te dateren. Wij hoorden het zo'n zeven weken later. Dat betekende dat de Raad van Toezicht geen rol van betekenis werd toegedicht. Daaruit hebben we onze conclusies getrokken en zijn opgestapt.’ Hij betreurt het bovendien dat dit besluit genomen werd net nu het personeel bezig was het Institut ‘bij de tijd te brengen’ door het ontwikkelen van nieuwe initiatieven.

De nieuwe initiatieven van het personeel waren een reactie op het nieuws van afgelopen december dat drie afdelingen gesloten of verzelfstandigd zouden moeten worden: de taalcursussen, debat en literatuur. In de media werd dit breed uitgemeten; diverse betrokkenen lieten van zich horen - zo'n aftakeling was ongehoord voor een instituut met deze geschiedenis. Bij het Institut besloot het personeel de handschoen op te pakken en nieuwe plannen te maken waarbij tegemoet gekomen werd aan de wens van Buitenlandse Zaken om tweehonderdduizend euro te bezuinigen. Ze schreven nieuwe beleidsplannen voor de taalafdeling, gingen verder met de programmering en probeerden geld van externe financiers los te krijgen. Ondertussen bleef er overleg met de Raad van Toezicht om het onheil af te wenden. Marieke Wiegel, hoofd tentoonstellingen op het Institut: ‘Wij hadden als medewerkers niet het mandaat hiervoor, maar we hebben het in deze noodsituatie opgepakt.’ Voor een goede uitwerking kreeg het Institut niet de tijd, maar ook nu is het personeel bezig om te redden wat er te redden valt. Waarom is dat eigenlijk zo belangrijk?

HET INSTITUT NÉERLANDAIS is gevestigd in het centrum van de Franse politiek, aan de Rue de Lille_,_ op een steenworp afstand van l'Assemblée Nationale. Het was een geesteskind van de vermaarde kunstverzamelaar Frits Lugt, die na tien jaar onderhandelen in 1957 de Nederlandse staat zo ver kreeg om in Parijs een Nederlands cultureel instituut te openen. Het Institut werd opgericht om de Nederlandse cultuur aan een Frans publiek te tonen, en zo de toenadering tussen de landen te bevorderen - Lugt bedacht het plan nét na de Tweede Wereldoorlog. In de ruime halve eeuw van het bestaan groeide het organisch uit tot een instituut met vele functies: jaarlijks wordt er werk uit de internationaal geprezen collectie van Lugts Fondation Custodia - een verzameling tekeningen, prenten, schilderijen, boeken en kunstenaarsbrieven die nog steeds uitgebreid wordt en op afspraak bestudeerd kan worden - geëxposeerd. Daarnaast zijn er tentoonstellingen van moderne beeldende kunst, film, dans, muziek, theater, literatuur en debat. Het gebouw huisvest een bibliotheek en jaarlijks leren er zo'n zevenhonderd Fransen Nederlands.

De programmering trekt tienduizenden bezoekers per jaar, waarvan het overgrote deel - geheel naar Frits Lugts wens - Fransen. In Nederland is het niet bij een breed publiek bekend, maar dat is volgens Rudi Wester, directeur van 2003 tot 2009, ook niet de bedoeling: ´Volgens de statuten is het Institut Néerlandais bedoeld om de Nederlandse taal en cultuur onder de Fransen te verspreiden.‘

De geschiedenis van het Institut was roerig, waarbij perioden van tegenslag en voorspoed elkaar afwisselden. Hierbij was de persoon van de directeur vaak van groot belang. Jarenlang kwam deze uit de stal van Buitenlandse Zaken - de directeur was een diplomaat voor wie behalve het welzijn van het Institut ook zijn diplomatieke carrière belangrijk was. In 1998 werd er bewust gebroken met dit beleid; de nieuwe directeur, Henk Pröpper, kwam uit het culturele veld, net als zijn opvolgster Rudi Wester. Het Institut bloeide in die jaren op: het speelde een belangrijke rol in de verspreiding van Nederlandse kunst, en organiseerde druk bezochte debatavonden over thema’s als euthanasie, drugs en nationale identiteit.

Het Institut is altijd een beetje bedreigd geweest. Steeds opnieuw wordt de discussie over het voortbestaan gevoerd. Al decennia staan de hoge vaste lasten ter discussie - Buitenlandse Zaken betaalt de Fondation Custodia jaarlijks bijna vijfhonderdduizend euro voor de huur van het negentiende-eeuwse hôtel waarin het Institut gevestigd is. De huur is - volgens de woordvoerder van Buitenlandse Zaken - een belangrijke reden om tot stopzetting van subsidie te besluiten; al een tijd werd - zonder succes - geprobeerd Custodia te bewegen tot het verlagen van de huur. Custodia heeft volgens Buitenlandse Zaken niet genoeg meebewogen om het instituut te redden van de ondergang. Henk Pröpper zegt dat het tijdens deze overleggen inderdaad hard tegen hard gaat. Custodia stelt zich wel erg zakelijk op voor een stichting die zich hoeder van Lugts erfenis zegt te voelen.

MAAR ER speelt meer; al vanaf het moment dat dit culturele instituut bij Buitenlandse Zaken gevestigd is, wringt er iets. En in tijden dat het ministerie enkele van zijn ambassades sluit, is het een kleine stap om ook dit instituut op te heffen.

De gevolgen van de constructie van het Institut Néerlandais als gelegenheidsalliantie tussen een particulier (Frits Lugt) en de staat laten zich na 55 jaar nog steeds voelen. Nederland had, en heeft, geen beleid aangaande culturele instituten in het buitenland, terwijl bijvoorbeeld Frankrijk - met instituts in meer dan honderd landen - dat wel heeft. Gevolg hiervan is dat de waarde van het instituut an sich steeds ter discussie staat. Henk Pröpper, tegenwoordig directeur bij De Bezige Bij, begreep dat bij zijn aantreden in 1998: 'Het was in Nederland lange tijd alleen bekend dat je er kamers kon huren, en dat er kunstenaars kwamen met mythologische verhalen over gezelligheid en samen eten. Maar toen was het een Nederlandse enclave in Parijs. Dat wilde ik veranderen: om een functie te hebben moesten we Fransen trekken. Het is een prachtig pand, de collectie is weergaloos.’

Een instituut past bij de Franse manier van denken, zegt Pröpper: ‘Fransen vinden instituten belangrijk; zij presenteren op die manier hun cultuur in de hele wereld.’ Volgens hem is het van groot belang je culturele diplomatie aan te passen aan het land. In Duitsland en Amerika, veel minder centralistisch georganiseerd, is zo'n instituut niet nodig. In Frankrijk is het cultureel netwerk ingericht langs de lijn van instituten: in Parijs zijn er momenteel 46 buitenlandse instituten.

Als directeur zocht Pröpper ook inhoudelijk aansluiting bij het land. ‘Ik wilde onderdeel worden van de Franse manier van denken. Daarom richtte ik me op debat en literatuur. In Frankrijk is de schrijver per definitie een intellectueel. Engagement is per definitie aanwezig.’ Na de debatten bleef er contact, en wisselden betrokkenen op allerlei niveaus informatie uit. Debatten kunnen volgens Rudi Wester in de nieuwe opzet - georganiseerd op de residentie van de ambassadeur - inhoudelijk nooit zo spannend worden als de fameuze debatten van het Institut. ‘De diplomatieke voorzichtigheid haalt er bij voorbaat al de angel uit. Bovendien is de residentie niet vrij toegankelijk voor het grote publiek.’

Een andere manier om werkelijk iets te betekenen in Frankrijk was om het Institut nadrukkelijk aan het begin van de culturele ‘keten’ te plaatsen: voortaan moest het Institut zelf tentoonstellingen bedenken, financieren en promoten. Op die manier kon werkte het Institut als ‘springplank’; wie er had geëxposeerd of opgetreden werd ontvangen in heel Frankrijk. Marieke Wiegel: ‘Die springplankfunctie is heel belangrijk. Er was een solotentoonstelling van de hedendaagse kunstenaar Guido van der Werve, en zijn werk is na deze tentoonstelling aangekocht door het Centre Pompidou en de Fondation Louis Vuitton. Hetzelfde is gebeurd met het werk van het Amsterdamse ontwerpbureau Thonik, dat na een presentatie op het Institut ook door Centre Pompidou in de collectie werd opgenomen.’ Het Institut maakte de afgelopen jaren ook bewust deel uit van de Franse culturele kalender; zo houdt het tijdens Paris Photo fototentoonstellingen, en kan het gebeuren dat een tentoonstelling aansluit bij het thema van een bijzondere expositie in het om de hoek gelegen Musée d'Orsay.

HOE IS DE waarde hiervan te duiden? Buitenlandse Zaken kiest voor een puur economisch model: de kosten van het instituut wegen niet op tegen de baten. Het kan efficiënter. Henk Pröpper: ‘Het is de afgelopen drie, vier jaar een algemeen gevoel geworden dat alles onmiddellijk en vrij concreet in financiële termen moet worden uitgedrukt.’ Pröpper vindt dat niet de juiste manier: ‘Voorheen was het taboe om culturele zaken economisch te duiden, maar het is natuurlijk wel van belang dat je je waarde aangeeft.’

Volgens Pröpper was er nog een belangrijke kanteling in het denken van Buitenlandse Zaken: ‘Nederland had een voortrekkersrol. Maar het idee dat we onze verworvenheden aan de wereld moesten tonen kwam na de moorden op Fortuyn en Van Gogh onder druk te staan. Ik zag het bij Buitenlandse Zaken veranderen. Daar heerste daarna de stemming: wat hebben we de wereld nog te vertellen. Dat is die eeuwige Messiasrol van Nederland. Ik zei: je kunt ook iets leren van de wereld.’

De sluiting van het Institut Néerlandais is volgens Henk Pröpper een nieuw akkoord in het steeds verder geïsoleerd raken van Nederland. Het naoorlogse ideaal van Frits Lugt, toenadering tussen de beide landen door culturele uitwisseling, komt juist in deze tijd onder druk te staan.

Bij velen leeft het idee dat het Institut een slechte naam had bij het ministerie. Rudi Wester hoorde dat binnen het ministerie het beeld bestond van het Institut als ‘een ingekakte boel met medewerkers die geen centimeter willen bewegen en waar alleen oude mensen komen’.

Het huidige politieke gesternte is niet positief voor het Institut, dat ten onder lijkt te gaan aan Hollandse zuinigheid. Een woordvoerder van het ministerie reageerde verbaasd op de vraag of er andere dan financiële motieven meegespeeld hadden in de beslissing het Institut te sluiten. Wat werd er bedoeld met aanpassen aan de typisch Franse situatie? Volgens oud-directeuren Pröpper en Wester is een vertegenwoordiging zonder institut nauwelijks levensvatbaar in Parijse culturele wereld. Buitenlandse Zaken ziet dat anders. Maar wellicht is dat voor Nederlandse politici moeilijk te begrijpen. Een illustratief verschil: waar Mark Rutte in augustus 2011 Dance Valley bezocht, was een van de eerste dingen die president Fran_ç_ois Hollande deed een tentoonstelling van beeldend kunstenaar Daniel Buren bezoeken.

Zelfs de huidige, wellicht definitieve, crisis is niet nieuw voor het Institut. In 1989 zegde de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken, de latere minister Ben Bot, de huurovereenkomst met Custodia op nadat de stichting de huur had willen verhogen. Daarmee werd het Institut per juli 1990 opgeheven. Ook dat gebeurde in een periode dat niemand op zijn stoel zat - op het Institut en de ambassade was er een wisseling van de wacht, en het parlement was, waar hoorden we het eerder, met reces. Toen kwam er protest op hoog niveau: tweehonderd Franse en Nederlandse dichters en denkers ondertekenden een steunbetuiging. Een debat in de Kamer leidde tot nieuwe onderhandelingen tussen Buitenlandse Zaken en het Institut. Destijds met succes. Zit een herhaling van dat scenario erin? Dat is te hopen, vindt Maarten Asscher: ‘Je kunt het maar één keer opheffen. Het komt nooit meer terug.’


Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre