Op woensdag 2 maart 2022, zes dagen na de Russische inval in Oekraïne, komt er op een Amsterdams kantoortje boven het treinspoor van het Centraal Station een e-mail binnen. Hier huist de instantie die ‘het internet’ verschaft voor Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië. De entree, twee versleten metalen deuren, doet niet vermoeden dat hier een invloedrijke organisatie met internationale statuur zit. Al hangt er wel een glimmend zilveren bordje naast, met daarop in blauwe letters: RIPE Network Coordination Centre (RIPE NCC).

De e-mail verschijnt in de inbox van de baas, Hans Petter Holen, een man van middelbare leeftijd met kort wit haar en een vriendelijk gezicht. De ingescande brief beslaat twee kantjes met onderaan een blauwe stempel van de afzender: het Oekraïense ministerie van Digitale Transformatie. De kranten staan die ochtend vol met nieuws over de oorlog in Oekraïne: van baby’s die in schuilkelders worden geboren en de inname van de havenstad Cherson door Rusland tot Oekraïense vluchtelingen die al in Ter Apel binnenkomen. Ook de mail aan Holen verwijst naar de net uitgebroken oorlog.

‘Help ons de levens van de mensen in ons land te redden’, schrijft de Oekraïense minister Mykhailo Fedorov. De oorlogsmisdaden tegen Oekraïne worden volgens de minister mede mogelijk gemaakt door een Russische propagandamachine die desinformatie en haat verspreidt en aanzet tot geweld. Daarom doet de minister een beroep op de internetgemeenschap, met een ogenschijnlijk technisch verzoek: hij vraagt onder andere alle domeinen die eindigen op ‘.ru’ en ‘.su’ in te trekken. Aan ripe wordt het specifieke verzoek gedaan om het recht van Russen om hun IP-adressen te gebruiken in te trekken. Simpel gezegd vraagt de minister om heel Rusland van het web af te gooien.

Die e-mail was niet per ongeluk in de verkeerde inbox terechtgekomen: ripe heeft daadwerkelijk die macht. Het geeft bedrijven, overheden en soms ook individuen toegang tot het internet en kan diezelfde spelers de toegang ook weer ontzeggen.

Bij de publieke discussie over de grenzen van het internet gaat het vaak over het modereren van sociale media, het blokkeren van websites met kinderporno of zorgen over digitale surveillance door autocratische regimes. Want ook al is het web ooit opgezet met het idee om iedereen vrij met elkaar te verbinden, inmiddels stelt het dubieuze regimes net zo goed in staat hun eigen bevolking te monitoren en te overspoelen met propaganda.

Het internet is niet alleen een ‘vrije markt van ideeën’ of een ‘dorpsplein met een open riool’. Het is óók een fysieke structuur van eindeloos veel kabels die wereldwijd verbindingen leggen. Bedrijven aan weerszijden van al die kabels betalen voor het in stand houden van deze verbindingen.

Daarin is een belangrijke rol weggelegd voor Nederland, dat zich opwerpt als digitale toegangspoort tot Europa. Maar bij die ‘poortfunctie’ komen ook verantwoordelijkheden kijken. Wie registreert zich op het internet? Wie mag er toegang toe hebben en als we iemands tegoeden bevriezen in de vorm van sancties: hoe doen we dat dan op het internet?

Aan de hand van openbare data analyseerden Investico en Bellingcat voor Trouw en De Groene Amsterdammer ruim duizend bedrijven, organisaties en overheidsinstanties die door een directe of indirecte verbinding met Nederlandse spelers het internet op kunnen. We vonden bedrijven direct gelinkt aan autoritaire regimes en partijen die op internationale sanctielijsten staan. Zo leveren Europese internetproviders nog steeds diensten aan gesanctioneerde Russische banken, omstreden Iraanse en Chinese partijen en Russische bedrijven die de oorlog in Oekraïne faciliteren.

Zowel Europese internetaanbieders als Russische en Iraanse bedrijven hebben zich bij het Amsterdamse kantoor boven het station geregistreerd. Nederland beheert wereldwijd een van de grootste digitale infrastructuren. Internetadressen voor 76 landen in Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië staan hier ingeschreven. Maar de grenzen van het internet zijn, behalve een paar Europese regels zoals het verplicht blokkeren van kinderpornowebsites, dun geschetst. Ondanks sancties ziet Nederland geen heil in het verder begrenzen van het web.

Ook internetpioniers houden vast aan het ideaalbeeld van een wereldwijd web dat een vrijplaats moet zijn voor iedereen, los van landsgrenzen, politiek en strategie. Mensenrechtenorganisaties vrezen dat het beperken van toegang tot internet voor bijvoorbeeld Russen, het land verder isoleert en burgers afsluit van informatie buiten de landsgrenzen.

Tegelijkertijd worstelen internetorganisaties met internationale sancties en regimes die soevereiniteit en controle willen over hun bevolking en dus over het internet. Door vast te blijven houden aan een beleid dat bedoeld was om internet te verschaffen aan iedereen, zijn we niet voorbereid op de dag dat het uit elkaar valt en de landsgrenzen ook het digitale domein zullen afbakenen.

Podcast Investico

Je gebruikt het elke dag de hele dag, maar denkt er waarschijnlijk nooit over na: het internet. Hoe is dat eigenlijk geregeld? En hoe werkt het precies? Tijdens deze aflevering van Speurwerk duiken Michelle Salomons, Linda van der Pol en Romy van der Burgh diep in het wereldwijde web. Dit onderzoek begint op een plek die het mogelijk maakt dat we elke dag online kunnen zijn, een plek waar je hoogstwaarschijnlijk wel eens een keer bent geweest: Amsterdam Centraal.

‘Je moet ons zien als een telefoonboek’, zegt ripe-directeur Holen. Hier registreren organisaties zich in ruil voor een nummer waarmee ze het internet op kunnen, die op hun beurt individuele burgers van internet kunnen voorzien. Zo weet iedereen welk nummer hij moet hebben voor een bepaalde verbinding. De Noorse Holen zit achter een ovale tafel in de kantoorruimte Grietje, naar Hans en Grietje. Ruimtes zijn hier vernoemd naar nationale symbolen uit de landen die ripe overziet. Recht tegenover Grietje is Pinokkio. Daaronder ligt de vergaderzaal Mozart, die uitkijkt op een pingpongtafel. ripe
heeft twintigduizend leden, verdeeld over 76 landen, en houdt nauwkeurig bij wie welk ‘internetnummer’ bezit én wie de eigenaren zijn van alle IP-adressen in deze landen. Elke klant betaalt jaarlijks 1550 euro voor een eigen stukje internet. Dat de Nederlandse organisatie bijhoudt wie de rechtmatige eigenaar is van een IP-adres is belangrijk, omdat er weleens in wordt gehandeld. En als jij jouw IP-adres hebt verkocht, zou de nieuwe eigenaar het zomaar kunnen gebruiken voor illegale downloads of het hosten van een website met illegale inhoud. Om te zorgen dat jij daar niet de schuld van krijgt, moet je de overdracht doorgeven aan ripe, die dat vervolgens aanpast in haar systeem.

Maar hoewel Holen zijn organisatie beschrijft als telefoonboek, gaat de vergelijking niet helemaal op. Er is vanuit Amsterdam-Centraal wel degelijk de macht om de ‘telefoonnummers van het internet’ te blokkeren. In theorie kan ripe een heel land afsluiten. Precies zoals de Oekraïners dat twee jaar geleden verzochten.

Tot de jaren negentig ligt die registratiemacht bij één man. Het internet staat dan nog in de kinderschoenen, het is in de decennia ervoor ontwikkeld door een kleine club academici. Als iemand een eigen netwerknummer of IP-adres wil, stuurt die een e-mail naar Jon Postel, een Amerikaanse computerwetenschapper met een grijze, pluizige baard en lang vlassig haar. Postel, of zijn minder bekende collega Joyce K. Reynolds, zorgt dan dat dit gebeurt.

Op 17 november 1988 wordt Nederland als eerste Europese land aangesloten op het mondiale internet. De Nederlandse informaticus Piet Beertema mailt Jon Postel en krijgt binnen twee weken antwoord van Postel zelf: zijn netwerk wordt aangesloten.

Vanaf de jaren negentig worden de werkzaamheden van Postel en Reynolds centraal geregeld. Wereldwijd worden er vijf internetregistratiepunten opgericht. Wanneer een van die vijf, ripe ncc, in 1997 zijn statuten bij de Nederlandse Kamer van Koophandel deponeert is het ideaalbeeld van het internet als losstaand systeem van geografische grenzen, politieke ideologieën of oorlog nog altijd intact.

Met de Koude Oorlog nog helder in het geheugen werd het wereldwijde web ontwikkeld met het idee dat het een atoomaanval zou moeten overleven. Daarom werd het zo gebouwd dat als er een deel wordt uitgeschakeld, dat automatisch wordt opgevangen door een stroom aan nieuwe verbindingen.

Dat zit zo. Het internet is een netwerk dat bestaat uit tienduizenden kleinere netwerken. Elk sub-netwerk heeft een uniek nummer, zie het als een eiland. Dat verbindt zich met andere eilanden. Samen vormt dit het internet. De routes tussen de tienduizenden eilanden lopen via kabels in vrolijke kleuren, hier reizen datapakketjes via haardunne vezels met de snelheid van het licht doorheen. Ze gaan vanaf een huis via de grond, door zeeën en oceanen naar netwerken op andere continenten. Omdat er zelden een directe verbinding is, reizen ze via kabelknooppunten, Internet Exchange Points (ixp). Hier ontmoeten de datapakketten elkaar in de Meet Me Room (mmr), en vervolgen ze hun route.

Wanneer iemand bijvoorbeeld de website van haar favoriete krant ververst, stuurt de computer een datapakketje. Als het eindstation Amerika is, gaat zo’n pakketje de ene keer via Katwijk naar Tuckerton, de andere keer van Beverwijk naar Shirley. Is de route naar Tuckerton om wat voor reden dan ook afgesloten, dan neemt het datapakketje een andere route om toch bij het Amerikaanse netwerk te geraken.

Als je zelf wil bepalen hoe jouw datapakketjes zich over het wereldwijde net verplaatsen en tussen welke organisaties de data wordt verstuurd, koop je een eigen netwerk, een eigen stukje internet. Hierop staan adressen, IP-adressen, waar weer websites op staan. Een groter eiland kan meer datapakketjes versturen, dus om datapakketjes via zo’n groter eiland dan jij te versturen, betaal je geld. Naast internetaanbieders kunnen ook bedrijven en zelfs individuen een eigen stukje internet kopen, bijvoorbeeld vanwege veiligheid of omdat ze zo snellere verbindingen kunnen leggen. Zo kocht het ministerie van Buitenlandse Zaken een eigen ‘eiland’ op het internet, net als klm en de gemeente Den Haag.

Naast dat Nederland wereldwijd een van de vijf internetregistratiepunten onderbrengt, komt het begin van deze eeuw steeds centraler te staan in de inrichting van het wereldwijde internet. In de hoogtijdagen van de dotcom-bubbel, als de waarde van aandelen in internetbedrijven exponentieel groeit (en later weer instort), worden twee trans-Atlantische zeekabels van de Amerikaanse oostkust naar Nederland gelegd. Data reist zo veel sneller dan via satellieten. Hierdoor wordt Nederland een aantrekkelijk doorvoerland voor datapakketjes en internetkabels, kunnen datacenters groeien en komen webhostingbedrijven naar Nederland.

Sommigen vrezen voor een hellend vlak als internetproviders preventief verbindingen stopzetten

Maar de ambitie van Nederland gaat verder dan het enkel onderbrengen van datacenters, de regering wil ook uitblinken in ‘connectiviteit’, Nederland: The perfect place to distribute your data. Net zoals Nederland een aantrekkelijk belastingklimaat ontwikkelde om bedrijven aan te trekken, registreren bedrijven hier ook graag hun internetnetwerk: Nederland is hiervoor een van de goedkoopste plekken ter wereld.

Ons land werpt zich op als internetparadijs en groeit in twintig jaar uit tot een van de grootste knooppunten ter wereld. The Netherlands: Digital Gateway to Europe, zo heet het ‘strategisch aanvalsplan’ van het ministerie van Economische Zaken uit 2013. Nederland moet het centrale punt worden om meer ict-investeringen en hoofdkantoren naar Nederland te halen. De buitenlandse investeringstak van de belastingdienst moet het ‘aanvalsplan’ gaan uitvoeren. In 2016 noemt toenmalig premier Mark Rutte in Zomergasten de Digital Gateway to Europe ‘een van de meest toonaangevende voorbeelden waar Nederland trots op mag zijn’.

‘Drieënhalf jaar geleden begon ik hier’, vertelt ripe-directeur Hans Petter Holen. ‘Ik had geen idee dat ik midden in grote politieke kwesties met oorlogen en sancties en alles terecht zou komen. Dat was mind-blowing.

Toch vreest ripe al jaren voor het moment dat politieke beslissingen het internet ‘raken’. De angst dat het uiteenvalt zit diep. Het spookbeeld is een ‘splinternet’, een gefragmenteerd internet. Sommige landen dreigen hier al mee: de Chinezen willen eigenlijk niet meegaan met een westers systeem en de Russen zijn langzaamaan bezig met hun eigen ‘ru-net’. Ook Iran experimenteerde de afgelopen tien jaar met zijn eigen net en keek of het los van het internationale web kon functioneren. Dat zorgt bij organisaties als ripe voor de vrees dat er een parallelle digitale wereld ontstaat waarin burgers minder of geen toegang meer hebben tot vrije informatie.

‘Dat is geen gedachte-experiment’, zegt Niels ten Oever, internetonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. ‘China zou een eigen systeem kunnen ontwerpen, waardoor er een Chinees en een Europees internet zou zijn.’ Door de grote angst om autocratische regimes te provoceren, komt dus niemand aan het internet. Ook probeert ripe zich als registratiepunt niet te mengen in politieke of ideologische thema’s en wil het een zo neutraal mogelijk gezicht opzetten, in de hoop op die manier te voorkomen dat landen zich afsplitsen van het internet.

Zo heeft Nederland de poort wagenwijd opengezet voor iedereen die via ons internet kan surfen. Maar hoewel het internet boven geografische grenzen uit lijkt te stijgen, spelen dezelfde dilemma’s uit de fysieke wereld ook hier. Als Europees land mogen we bijvoorbeeld bijna geen fysieke handel drijven met Noord-Korea, maar mag Noord-Korea dan ook geen verbinding maken met ‘ons’ internet? Of als Rusland Oekraïne binnenvalt, hoe moeten Europese internetproviders dan omgaan met het Russische internetverkeer dat over de Europese kabels loopt?

Deze geopolitieke vragen worden steeds belangrijker, maar er is vrijwel niemand die ze publiekelijk stelt. Noch bestaat er een goed beeld van wat voor verkeer er over Nederlandse netwerken loopt. Om te laten zien hoe datapakketten via Nederland de wereld over worden gestuurd en welke financiële transacties daaronder liggen, maakten Investico en Bellingcat een analyse van alle partijen die hun data via Nederlandse netwerken laten lopen, op basis van een website die al het internetverkeer live monitort. We keken uitsluitend naar de verbindingen waarvoor betaald moet worden, om zo te laten zien waar het vrije net schuurt met geopolitieke dilemma’s, internationale verdragen en sanctiewetgeving.

We vonden controversiële Russische partijen die klant zijn van een Europese provider. Zo stuurt het nucleair onderzoeksinstituut Kurchatov in Rusland zijn datapakketjes via de Britse provider retn. De huidige directeur van het onderzoeksinstituut staat dicht bij Poetin en publiceerde kort na de inval een statement waarin hij de invasie volledig onderschreef.

Ook de Russische Spoorwegen, die een belangrijke rol spelen in het vervoer van militairen, munitie en wapens naar het front in Oekraïne, stuurden tot voor kort een deel van hun datapakketjes via de Britse provider. Net als Headhunter, een grote vacaturewebsite waarop het Russische ministerie van Defensie huurlingen werft om te vechten op het slagveld. Het Nederlandse datacenter Hostkey verbindt zijn netwerken met het Russische TransTeleCom, dat op zijn beurt weer voorziet in het enige internationale internetnetwerk in Noord-Korea: Ryugyong-dong.

Andere autocratische regimes surfen ook via Europese internetnetwerken. De Nederlandse tak van internetprovider Liberty Global, mede-eigenaar van Ziggo, kan bijvoorbeeld ongehinderd datapakketjes ontvangen van het omstreden China Unicom. Dit Chinese bedrijf is een grote telecomprovider in China, en actief betrokken bij de onderdrukking van de Oeigoeren in de regio Xinjiang. Liberty Global zegt in een reactie aan Investico zich te houden aan sanctiewetgeving en geen geld aan te nemen van Unicom voor het doorsturen van datapakketten.

Ondertussen geeft een ander groot Chinees telecombedrijf, dat ook verbinding maakt met het Nederlandse netwerk, IP-adressen aan een provinciaal internetnetwerk in Xinjiang. Daarop worden talloze websites in de lucht gehouden die eveneens lijken te verwijzen naar de onderdrukking van Oeigoeren. Bijvoorbeeld een website van een wol-productiebedrijf dat ‘gebruikmaakt’ van ‘overgeplaatste’ Oeigoeren. De websites op het netwerk staan vol met termen die hierop duiden: ‘surplus labor’ en ‘labor transfers’.

We vinden ook gesanctioneerde bedrijven. Zo hebben vier grote Russische banken die door het Verenigd Koninkrijk gesanctioneerd zijn een zakelijke overeenkomst met de Britse provider retn. Drie ervan zijn ook door de EU gesanctioneerd. retn ontkent in een schriftelijke reactie geld te verdienen aan deze klanten en stelt dat het ‘volledig in overeenstemming met alle relevante internationale sancties’ handelt. We vonden ook een Syrisch telecombedrijf, eigendom van de staat, dat datapakketjes stuurt van het gesanctioneerde Syriatel via onder meer Belgische en Amerikaanse internetaanbieders. Het Syrische bedrijf is weliswaar gesanctioneerd, het heeft ook de essentiële taak om telecomdiensten te leveren aan burgers. Dat is de reden dat de Verenigde Staten, ondanks sancties, die diensten toestaat. Zowel de Belgische als de Amerikaanse internetaanbieder ontkent hiervoor geld te ontvangen en zich te houden aan sanctiewetgeving, een derde Amerikaanse aanbieder reageerde niet op onze vragen.

Zijn al deze verbindingen gewoon hoe het internet werkt, of schenden Europese internetbedrijven de sanctiewetgeving door zaken te doen met gesanctioneerde organisaties? Het antwoord blijkt diffuus. Zes advocaten die we dit vragen hebben in eerste instantie ‘geen idee’. Ze verwijzen zelfs naar verschillende wetsartikelen waaruit een mogelijk verbod óf een uitzondering zou blijken. Yvo Amar, gespecialiseerd in economische sancties, vindt het bijvoorbeeld ‘echt een ingewikkelde vraag’. Hij vermoedt dat het mag als bedrijven een uitzondering hebben gekregen.

Het internet heeft nooit onder een vergrootglas gelegen, zegt een andere advocaat gespecialiseerd in telecomrecht, en hij concludeert uiteindelijk dat de wetgeving hierover ‘voor interpretatie vatbaar is’. Het draait volgens hem om de vraag: zijn het noodzakelijke diensten? Zo ja, dan kan een uitzondering gelden. Sanctie-advocaat Robbert de Bree vermoedt dat een uitzondering geldt omdat de verbindingen noodzakelijk zijn, maar weet het niet helemaal zeker. Wat het nog ingewikkelder maakt is dat ieder Europees land sancties weer anders interpreteert of zelfs andere sancties heeft, zoals in het Verenigd Koninkrijk.

Ook de Russische non-profitorganisatie Roskomsvoboda, die een open internet nastreeft, noemt het vraagstuk ‘heel ingewikkeld’. ‘Als het voor interne bedrijfszaken wordt gebruikt, is het verboden, maar als de verbinding burgers dient, mag het wel.’ Maar wát en met welk doel een bedrijf data via zo’n verbinding verstuurt is geen openbare informatie en dus niet te achterhalen.

Te midden van de onduidelijkheid over of deze verbindingen sancties schenden of niet, stuurt een kleine club partijen aan op heldere regels. Europarlementariër Bart Groothuis (vvd) vindt dat de internetgemeenschap een verantwoordelijkheid heeft om te reageren op een humanitaire crisis. Hij wil niet het hele internet platleggen, en ook een heel land afsluiten gaat wat hem betreft te ver. ‘Maar stel je voor dat we in oorlog komen met Rusland: de roep om sancties komt er dan zeker. Dan kun je maar beter nadenken over hóe we dat inrichten. We hebben daar nooit over willen nadenken, maar dat kan nu niet meer wachten.’

Daarom stuurt Groothuis in maart 2022, nadat Oekraïne verzoekt Rusland van het web te gooien, een open brief samen met 34 vooraanstaande mensen uit de internetgemeenschap. Net zoals het blokkeren van spam of cyberaanvallen zouden netwerken of IP-adressen van bijvoorbeeld het Russische leger of van propagandakanalen geblokkeerd kunnen worden, stelt dit gezelschap. De oproep kreeg vooralsnog geen concreet gevolg.

Na de Russische inval in Oekraïne zitten ze in Amsterdam met de handen in het haar. ripe blijft liever zo ver mogelijk weg van politieke vraagstukken. En dan komt er het verzoek van de Oekraïense minister om Rusland van het web te gooien, wat al snel terechtkomt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Vanaf dat moment wordt er achter de schermen druk gemaild tussen ambtenaren op de ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken. Van hoe ze deze kwestie niet moeten politiseren tot welk team verantwoordelijk is. In interne mails, opgevraagd op basis van de Wet open overheid, schrijven ambtenaren dat het ‘niet opportuun’ is om te reageren op een advocatenkantoor uit Amsterdam dat Oekraïne bijstaat. Ook de Europese Commissie klopt bij Den Haag aan voor details over Europese sancties. Mag ripe diensten verlenen aan telecomproviders in door Rusland bezette gebieden? Den Haag laat herhaaldelijke verzoeken vanuit Brussel een jaar lang links liggen. De Europese Commissie wil desgevraagd geen verder commentaar geven. ripe laat weten dat een aantal van deze providers geen directe leden zijn, een ander deel is niet gesanctioneerd.

Gelukkig heeft ripe korte lijntjes met de verantwoordelijke ministeries. Nog aan de vooravond van de inval, maar als de spanning aan de Oekraïense grens al oploopt, bespreken ambtenaren van Economische Zaken alvast hoe te reageren op eventuele sancties tegen Rusland. ‘Ondanks wat er nu allemaal gebeurt, wil ik aangeven dat we ervoor moeten waken om de kern van het internet te politiseren.’ Hiermee doelen de ambtenaren ook op de werkzaamheden van ripe. Het ‘digitale domein is geen geschikt domein om te belasten met sancties’.

Het lijkt voor buitenstaanders of de ministeries niet met dit dossier bezig zijn. En dat is ook precies de indruk die Buitenlandse Zaken wil wekken, blijkt uit interne mails. ‘Gezien de gevoeligheid en belangen van dit dossier zijn we ons inziens vooral gebaat bij de-escalatie. Daarbij helpt het niet om in gesprek te gaan.’ In de zomer van 2023 komt het ministerie tot de ‘voorgestelde lijn’ met als kern: ‘geen rol voor Nederland’.

RIPE vreest al jaren voor het moment dat politieke beslissingen het internet ‘raken’. De angst dat het uiteenvalt, een ‘splinternet’, zit diep

Buitenlandse Zaken gaat dus volledig mee met ripe: ‘Altijd apolitiek opereren omdat overal ter wereld toegang tot het internet moet kunnen worden gegarandeerd.’ Dat kan namelijk tot ingewikkelde situaties leiden zoals met Oekraïne, schrijven ambtenaren. En zodra de activiteiten van ripe worden beïnvloed door geopolitieke spanningen, ‘spelen we Rusland en andere autoritaire landen in de kaart’.

Zo is het besluit om het in Nederland gevestigde internetregistratiepunt buiten de sancties te houden in de luwte genomen. Hoewel ripe zich al sinds 2014 probeert te vrijwaren van sanctiewetgeving, geeft de inval van Rusland in Oekraïne de doorslag. In mei 2023 stuurt ripe een mail naar zijn leden waarin het nieuws wordt aangekondigd dat zijn diensten ‘strikt noodzakelijk’ zijn voor het leveren van ‘elektronische communicatiediensten’. Een maand later kunnen gesanctioneerde partijen uit Rusland weer alle internetdiensten van ripe gebruiken.

Hoewel onduidelijk is of een Europese internetaanbieder verbinding mag maken met een gesanctioneerd Russisch netwerk, is het in elk geval wél toegestaan voor gesanctioneerde Russen om hier een netwerk aan te schaffen. Vrijwel alle gesanctioneerde partijen die we vonden in onze analyse zijn geregistreerd bij ripe.

De uitzondering geldt alleen voor de sancties tegen Russen. In andere landen speelt weer een ander probleem. Zo accepteren westerse banken niet graag betalingen vanuit landen als Iran en Syrië. Daarom bedacht ripe de simpele oplossing om organisaties vanuit deze landen voorlopig vrij te stellen van betalingen. ‘Niet omdat het niet is toegestaan om geld van hen te ontvangen, maar omdat we geen problemen met onze banken willen krijgen.’ ripe zoekt momenteel naar manieren om toch betalingen te ontvangen van ‘hoogrisico leden’. Zo kijken ze bijvoorbeeld naar een mogelijkheid om via een bankrekening in Dubai, waar ripe ook een kantoor heeft, de betalingen uit bijvoorbeeld Iran of Syrië te ontvangen. Zo kunnen ze de betalingen voor lidmaatschap op den duur tóch innen.

‘We schrijven organisaties niet uit. Dat is heel belangrijk voor ons’, zegt Athina Fragkouli, hoofd juridische zaken bij ripe. ‘Want dan zouden leden, zoals internetgebruikers, daar last van hebben.’

Terwijl RIPE zich afzijdig probeert te houden, komt de verantwoordelijkheid bij andere partijen te liggen. In afwezigheid van duidelijke sturing en juridische kaders gaan internetaanbieders en datacenters zelf aan de slag. Door het ambigue beleid sluit de ene provider een gesanctioneerd bedrijf wél af en gaat de andere daar ongestoord mee door.

Ook het Amsterdamse kabelknooppunt ams-ix, dat na de inval in Oekraïne weliswaar een aantal Russische klanten afsloot, tast in het duister over welke activiteiten precies strafbaar zijn. ‘Het is interpretabel’, zegt directeur Peter van Burgel. Hij vroeg Den Haag om verduidelijking, maar die laat de interpretatie juist aan het bedrijfsleven zelf.

Zo maakt de Britse provider retn nog steeds verbinding met gesanctioneerde partijen. Hostingbedrijf i3D.net besloot zelfs vooruit te lopen op sancties. Het bedrijf zette in 2022 alle zaken met Softcloud op, dat een Iraans IT-bedrijf zou helpen met het bouwen van een afgesloten Iraans netwerk. ‘Toen we hoorden wat Softqloud deed, hebben we de verbinding stopgezet’, zegt een medewerker. Een maand later legde de EU sancties op aan het Iraanse bedrijf.

Ook de Amerikaanse internetprovider Cogent besloot twee jaar geleden, vlak na de invasie van Rusland in Oekraïne, de verbindingen stop te zetten met meerdere Russische bedrijven. Hoewel ceo Dave Schaeffer aan de telefoon vanuit de Verenigde Staten vertelt dat de beslissing niet het gevolg was van sancties maar van cyberaanvallen, vermoeden internetprofessionals en engineers anders.

Sommigen vrezen voor een hellend vlak als bedrijven als Cogent preventief verbindingen stopzetten. Ten minste één Nederlands datacenter, Iron Mountain in Haarlem, zegt dat al te doen en alle Russische klanten te weren vanwege mogelijke sancties. In een mailwisseling schrijft het bedrijf later dat het beleid is om altijd ‘de wetten na te leven’ in de landen waar het zakendoet.

En zo komt de echte wereld toch langzaam het internet binnen. Datacenters en internetbedrijven bepalen hun eigen beleid, terwijl internetpioniers vasthouden aan een oud beeld waarbij het wereldwijde net heel decentraal is geregeld en niemand verantwoordelijk is voor het geheel.

‘Het ideaalbeeld van het internet is dat overheden hier maar beperkte soevereiniteit op kunnen uitoefenen’, zegt Harry Oppenheimer, onderzoeker aan het Institute on Global Conflict and Cooperation in Washington. ‘Door de tijd heen zien we dat steeds meer landen, vooral autoritaire regimes, toch controle willen over het internet. Ook bij democratische landen zien we dat sommige willen dat het internet in hun land een afspiegeling is van hun waarden.’

Het knelpunt ligt volgens Oppenheimer bij het feit dat het internet enerzijds een infrastructuur en bron van informatie is waar iedereen toegang toe moet kunnen hebben, maar dat het anderzijds ook economisch ontzettend waardevol is. Dat is waar het wringt met bijvoorbeeld internationale sancties. Je wil gesanctioneerde bedrijven economisch raken, maar als je ze op het internet raakt, zorgt dat er tegelijkertijd voor dat de toegang tot informatie en daarmee politieke vrijheid van burgers wordt ingeperkt.

Maar als bedrijven, zoals nu, hun gang kunnen gaan op het internet, heeft dat ook gevolgen. Europese en Amerikaanse bedrijven faciliteren ongestoord gesanctioneerde partijen en autoritaire regimes. ‘Het is absurd te bedenken dat hier geen publiek debat over wordt gevoerd’, zegt Oppenheimer. ‘Zéker in Nederland, waar de grootste beslissingen rond het internet worden genomen: jullie hebben Europa’s grootste exchange point in Amsterdam, en ripe, Nederland is hét internetknooppunt.’

Het Nederlandse internetbeleid blijft intussen hangen op grote woorden als vrijheid en openheid. Aan de ene kant is dat logisch, het verschaft toegang tot informatie en voorziet steeds vaker in eerste levensbehoeften zoals het draaiende houden van een ziekenhuis. Maar de online wereld is niet alleen een technische noodzakelijkheid. Het is óók een economische handelsplaats. En vanuit dat perspectief doet het denken aan de manier waarop de Nederlandse overheid zich lang opstelde in de discussie over mondiale belastingontwijking.

Toen Nederland vanaf 2014 genoemd werd als een van de grootste belastingparadijzen ter wereld, vond toenmalig staatssecretaris Eric Wiebes dat het allemaal wel meeviel. ‘We waren eeuwen geleden al een doorvoerland, we zijn dat nog steeds, we zijn de grootste internethub ter wereld en Nederland is ook een doorvoer in geldstromen, maar dat maakt Nederland absoluut geen belastingparadijs’, zei Wiebes.

Uit angst voor het uiteenvallen van het internet blijft beleid over het voortbestaan ervan hangen in woorden als ‘neutraal’ en ‘apolitiek’ om zo geen standpunt in te hoeven nemen wanneer er oorlog uitbreekt of mensenrechten geschonden worden. Nederland zet daarmee een bekende belastingparadijs-pet op: die van ‘doorvoerland’, waarbij verantwoordelijkheid voor wát er precies doorgevoerd wordt niet bij ons ligt.

Onderzoeksverantwoording

Voor dit onderzoek hebben we een analyse gemaakt van de verbindingen tussen Autonomous Systems. Autonomous Systems zijn de bouwblokken van het internet. Door met Autonomous Systems te verbinden krijgt een computer een IP-adres. Autonomous Systems vergelijken we in dit artikel met eilanden. Bij het Nederlandse RIPE kun je een Autonomous System, inclusief een set IP-adressen, aanschaffen waar je jaarlijks voor betaalt. De openbare website bgp.tools houdt continu alle verbindingen bij die Autonomous Systems maken. We hebben uitsluitend gekeken naar twee type verbindingen (upstream- en downstream-verbindingen), waarvan experts zeggen dat het vrijwel zeker een financiële transactie betreft. Er is altijd een percentage dat de verbinding mogelijk een ‘vrijwillige dienst’ kan zijn, in dat geval ligt er alsnog een zakelijke transactie aan ten grondslag.

Op de website van Investico staat een uitgebreidere onderzoeksverantwoording. Zelf aan de slag met deze data? Bellingcat maakte een handleiding.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken zegt dat de interpretatie van de legaliteit van RIPE NCC’s activiteiten langer duurde ‘dan gewenst in dit soort gevallen, wat onder meer samenhing met het opvragen van bepaalde informatie en plannen van daaropvolgende besprekingen’.

Dit artikel is tot stand gekomen met een bijdrage van Sophie Polm.