#1: Dromen

Altijd blijven dromen

Op 9 november bestaat Kinderen voor Kinderen veertig jaar. Elke maand nemen Feike Dietz en Laurens Ham een thema onder de loep uit de 522 KvK-liedjes die inmiddels zijn geschreven. Deze keer: droomliedjes, oftewel hoe geëngageerd kun je kinderdromen maken?

Toen Kinderen voor Kinderen in 2009 dertig jaar bestond, werd er een enquête gehouden. Wat waren volgens de fans de beste KvK-liedjes aller tijden? Weinig mensen zullen verbaasd zijn geweest over de top-2: ‘Op een onbewoond eiland’ (KvK2, 1981) op 1, ‘Ik heb zo waanzinnig gedroomd’ (KvK1, 1980) op 2. Deze blijkbaar niet te evenaren klassiekers uit de twee vroegste afleveringen hebben iets met elkaar gemeen: ze verbeelden de kinderwens om de ontnuchterende alledaagse werkelijkheid te ontvluchten en in te ruilen voor een utopische droomwereld.

De kinderen in ‘Op een onbewoond eiland’ beleven tegenslag na tegenslag – lekke banden, vastgelopen trams en kapotte geisers – en fantaseren erover uit te wijken naar een onbewoond eiland. In dat luilekkerland hoef je niets: je ligt gewoon een beetje ‘op je luie haidewiets’ en niemand legt je een strobreed in de weg. In ‘Ik heb zo waanzinnig gedroomd’ droomt een meisje ervan een soort popster te zijn die buitensporig ‘mooi-mooi-mooi’ is, aan de lopende band ‘ca-ca-ca-cadeaus’, zoenen en aandacht krijgt, en populair is bij iedereen (‘iedereen wil met je mee’; ‘Iedereen zei: hou je van mij?’). Alles draait in beide utopische fantasiewerelden om het kind, dat zorgeloos en vrij is, en wie het geluk simpelweg komt aanwaaien. Andere mensen staan niet in de weg, en áls ze er toch zijn, dan zijn ze helemaal ondergeschikt aan de wil van het kind.

Ook in latere KvK-liedjes komen veel dromende kinderen voor: kleine optimisten die bij tegenspoed geloven dat er een betere wereld mogelijk is. Dat zie je bijvoorbeeld in het legendarische ‘Brief aan Ernst’ (1983), een reactie op Doe Maars ‘De bom’. Toetsenist Ernst Jansz sprak zich in die nummer-1-hit uit 1982-1983 cynisch uit over kernbommen: ‘Laat maar vallen dan / het komt er toch wel van / het geeft niet of je rent’. Dat fatalisme vindt een zelfverklaarde Doe Maar-fan helemaal niets. Haar ‘Brief aan Ernst’ is een oproep aan Jansz om voortaan niet meer zulke angstaanjagende liedjes te schrijven waar zij ‘een beetje bang’ van wordt: ‘Doe Maar Ernst, maar niet zo somber Ernst’. Mogen kinderen alsjeblieft blijven hopen op een mooiere toekomst?

Het meisje in ‘Gratis pizza’s’ (1998) blijft geloven in een bestaan vol bloeiende woestijnen en onderzeese schatten – o ja, en elke dag dus gratis pizza als het kan. Die laatste toevoeging geeft aan het liedje natuurlijk iets consumentistisch. Toont dit liedje het kind als een zelfingenomen mini-consument in plaats van als liefdadige mensenredder – de rol die de kinderen in de tachtiger jaren vaak kregen toebedeeld? Dat is de ontwikkeling die de YouTube-reeks De Snijtafel in KvK denkt te herkennen (zie ons openingsstuk).

De droomliedjes uit KvK wijzen een andere kant op: de vroege varianten daarvan lijken juist minder oog te hebben voor andere mensen dan later het geval is. Zet de egocentrische droom uit ‘Ik heb zo waanzinnig gedroomd’ maar eens tegenover de gelijkheidsdroom in ‘Wereldbol’ (2000): ‘Nooit meer mensen op de vlucht / Nooit meer kogels door de lucht / Nooit meer armoe, sloppenwijken / Iedereen elkaars gelijke’. En de koloniale fantasie uit ‘Op een onbewoond eiland’ werd in ‘Als de wereld nou van mij is’ (2013) ingeruild voor een utopie zonder onderdrukking en machtsmisbruik: ‘Geen kind dat hoeft te huilen / Voor zijn leven hoeft te schuilen / En iedereen die voelt / Wat nou écht met geluk wordt bedoeld / Zorgeloos’.

Hoe vrijblijvend blijven de kinderdromen, kortom, in recente KvK-liedjes? Een vergelijking tussen ‘Als ik de baas zou zijn van het journaal’ (1985) en de veel recentere pendant ‘Als ik minister-president zou zijn’ (2011) laat zien dat de kinderen een verantwoordelijker rol op zich nemen.

In het eerste liedje sluiten de kinderen liever de ogen voor narigheden in de wereld: als zij het voor het zeggen hadden, dan kwam er een alternatief journaal met alleen maar gezellig nieuws over pasgeboren lammetjes en lieve tandartsen. De kinderen in ‘Als ik minister-president zou zijn’ hebben veel grotere ambities: zij willen de narigheid zélf uitbannen, door een land te gaan besturen waarin niemand meer ongelukkig is of pijn lijdt. ‘Als de wereld nou van mij is’ is nauwelijks minder ambitieus. ‘Op de televisie zie ik wat ik liever niet zie’, zingen de kinderen daar. Ze willen niet de ogen sluiten voor alle problemen, zoals in ‘Als ik de baas zou zijn van het journaal’ – zij willen dat de ellende zelf eindigt.

Terwijl de koorkinderen zich in recente liedjes meer geroepen voelen om een droomwereld werkelijkheid te maken, ontbreekt het ze aan iets: de macht om wezenlijk iets te veranderen. Uit alle droomliedjes spreekt een geloof dat het beter kan, maar ook het besef dat de kinderlijke krachten beperkt zijn. ‘Als de wereld nou van mij is […] / Had ik dat nou in m’n handen’ – het is een verlangen dat helaas geen werkelijkheid kan worden. Want ‘ach, wie hoort een kinderstem?’ Er zit voor het kind dus niets anders op dan vergeefs te blijven dromen: ‘Ik doe m’n ogen dicht en wens’.

Het meisje in ‘Wereldbol’ is een van die kinderen die zich zo machteloos voelt. Ze droomt dat haar eigen kamer een wereld is: het dekbed is in haar fantasie een berglandschap, de vloer vol uitgeschopte schoenen is de zee vol schepen. In haar eigen domein heeft zij de macht:

Als m’n kamer nu de wereld was
Kon ik bepalen dat
Van de deur tot aan het raamkozijn
Je nergens oorlog had
Dat er voor iedereen te eten was
Genoeg voor groot en klein

Maar de werkelijkheid is hard: buiten de vier muren van haar kamer heeft zij niets meer te zeggen. Je zou er moedeloos van worden: kinderen zien volgens KvK beter dan wie ook wat de wereld nodig heeft, maar ingrijpen lukt ze niet. Ook in ‘Kinderogen’ (2019), een nummer van de recentste KvK-aflevering, komt dit probleem weer voorbij: kinderogen zijn in staat om de mensen op de wereld als gelijken te zien, maar daarmee raakt de ongelijkheid in de wereld niet opgelost.

Het kind zit in een fuik. In de loop van veertig jaar is het zich – in ieder geval in de droomliedjes van Kinderen voor Kinderen – steeds verantwoordelijker gaan voelen voor wereldwijde gelijkheid. De kinderogen zien haarscherp, maar de kinderstem heeft geen gewicht. Het kind kan alleen maar dromen – en zal dat ook blijven doen, want optimisme is volgens deze liedjes het kind eigen. En zo schikt het kind zich in zijn rol om te blijven zingen van een betere wereld die slechts een droom blijft, omdat alleen kinderen hem kunnen zien.