Frida Vogels, Dagboek 1954-1957; Dagboek 1958-1959

Altijd de buitenstaander

Frida Vogels

Dagboek 1954-1957

G.A. van Oorschot, 381 blz., e 25,-

Frida Vogels

Dagboek 1958-1959

G.A. van Oorschot, 565 blz., e 27,50

Het is hartje zomer 1958 als op een luxueus plezierschip op het Comomeer plotseling een lied schalt: «La donna pìu perfetta/ è come una sigaretta/ come il fumo se ne va». Niet afkomstig uit de Italiaanse opera, maar wat geeft het. Als het maar Italiaans klinkt, dan is het al gauw prachtig.

Frida Vogels (76) trok halverwege de jaren vijftig naar Italië, vond daar een Italiaanse geliefde, maar echt gelukkig werd ze nooit. Misschien omdat ze daar het talent voor mist. Het lied lijkt haar op het lijf geschreven, maar vermoedelijk vindt Vogels – zelf rookster – de tekst platvloers: «Ook de perfectste vrouw/ is als een sigaret/ als rook vergaat ze weer».

Medium niet 20nadenken

Frida Vogels figureert als de stuntelige studente Henriëtte Fagel in Bij nader inzien (1963) van J.J. Voskuil. Zelf werd ze als schrijfster al door een hele schare lezers bewonderd om De harde kern. Voor boek 2, Met zijn drieën (1993), ontving ze de Libris Literatuurprijs 1994_._ Typisch voor deze auteur is dat ze de prijs niet zelf in ontvangst wilde nemen. Vogels – die in Bologna woont en zowel werk van Cesare Pavese als van Primo Levi in het Nederlands vertaalde – is altijd op grote afstand van de pers gebleven. Des te curieuzer is het, om niet te zeggen paradoxaal, dat ze nu haar dagboeken publiceert. Er zit iets schaamteloos en opdringerigs in het publiceren van dit soort egodocumenten. Het lijkt een kiekeboespel, maar dan omgekeerd. Jarenlang kiest ze een verborgen bestaan en nu stalt ze haar hele hebben en houden voor de lezer uit: «fort-da» zou Freud dat noemen.

Waarom zouden andere mensen al haar diepste overpeinzingen en zielenroerselen willen weten? Toch niet alleen uit voyeurisme? In sexualibus kom je als lezer overigens van een koude kermis thuis, want exuberant kun je Vogels’ liefdesleven moeilijk noemen. Wel uitermate gecompliceerd. Je kijkt voortdurend in haar hoofd. Ga eens naar een psychiater en praat het van je af, denk je soms. Hoewel. Zonder ellende blijft het akelig stil in de literatuur – of litteratuur, zoals Vogels dit woord consequent spelt.

Van de zestien delen die uitgeverij Van Oorschot op stapel heeft staan en die de jaren 1954 tot en met 1991 bestrijken, zijn er inmiddels twee verschenen. Het voelt als een reusachtige berg die je moet beklimmen. Maar laten we niet overdrijven. In vergelijking met wat Søren Kierkegaard (1813-1855) vanaf zijn 21ste optekende – goed voor 22 delen van elk ongeveer vierhonderd bladzijden – is Vogels’ project nog bescheiden. Al weet je het met stille wateren nooit. Mogelijk heeft Vogels nog meer in petto.

Van de eerste twee delen valt al veel te genieten. Nog niet eens vanwege de minutieuze beschrijvingen van Vogels’ stemmingen of tobberijen. De kracht van haar dagboeken zit in de rake observaties van mensen en de literaire verbeelding van alle plaatsen waar ze komt. Van Frankfurt, Straatsburg, Parijs, Turijn, Milaan, Arezzo, Siena, Genua, Chieuti en Rome tot Kampen, Paterswolde, Delft en het vertrouwde Amsterdam. Schitterend zijn ook de vergelijkingen tussen Italië en Holland die ze uit de mond van haar Italiaanse man optekent. Ga eens naar de kapper en je ontdekt het verschil. Vreselijk zijn de scènes tussen die twee, bijvoorbeeld als hij haar een drankje aanbiedt, waarna ze twee flesjes Campari-soda wil, voor in de trein. Ruzie. Nooit mag het eens gewoon goed gaan, zo lijkt het.

Vóór het begin van haar dagboek heeft ze op haar 22ste abrupt haar studie afgebroken, waarna ze haar Amsterdamse vrienden verlaat en naar Parijs vertrekt – zonder geld, zonder plan – om vrij te zijn en haar eigen leven uit te zoeken. Ze vindt werk en van haar eerste geld maakt ze – net als Goethe – een Italiaanse reis, een gelukstreffer. Alleen duurt geluk bij Vogels altijd maar kort. Met haar jongere broer Michiel wil ze zich in Italië vestigen, maar na een heftige breuk met hem besluit ze alleen naar Milaan te gaan. Geregeld moet ze terug naar Holland, naar haar moeder en vroegere studievrienden, haar geliefde in Milaan achterlatend. Aan het eind van het eerste deel is ze ineens getrouwd: op 10 december 1957. Achttien dagen later droomt ze voor het eerst van haar man, E., de ingenieur. Op 6 maart van datzelfde jaar sterft haar moeder.

In deel 2 denkt ze steeds vaker dat ze niet had moeten trouwen, maar zich beter had kunnen wijden aan het schrijverschap. Alsof ze doortastender had moeten zijn, net als Kierkegaard die de liefde opofferde aan een nog hoger doel. Bij Vogels is alles willy nilly, maar uiteindelijk toch niet. Ze schrijft genadeloos over zichzelf: «Gedachte over mijzelf: dat mijn neigingen zwak zijn, maar de overtuiging waarmee ik ze dikwijls zelf afkeur nog zwakker, zodat ik er toch aan toegeef.» Zo is ze in de huwelijksboot gestapt.

De schrijfster gaat veel om met de vrienden van haar man, maar voelt zich de eeuwige buitenstaander. Ze sluit zich dikwijls af, omdat ze er «bij voorbaat van overtuigd is dat ze er toch wel weer niets van zal snappen». Haar grote held, zij het op afstand, blijft «Han», de schrijver Voskuil die aan Het bureau werkt en die ze steevast opzoekt als ze Amsterdam aandoet. Aan haar studententijd doet het stopwoord «mieters» denken, dat ze voortdurend gebruikt en dat op de zenuwen werkt. Alsof je nu een dagboek leest waarin almaar vetcool staat.

Vogels doorspekt ook het tweede deel met aanzetten tot gedichten, maar die stellen vaak teleur. Ze gaan veelal over orde, herinnering en verlangen. Misschien komt al haar geschrijf voort uit een onmetelijke behoefte aan het zoeken naar ordening in een chaotische wereld: «Hier heerst orde, door een ramp verstoord.» De hunkering blijft heftig, ook al wordt haar leven nooit gezellig of simpel gelukkig. De mooiste passage betreft een droom over een stervende vogel: «Iemand zei me dat ik naar een dode vogel die op een tak zat moest gaan kijken. Ik vroeg me af of hij al echt dood was, of nog bezig met sterven; naarmate ik daaraan twijfelde bewoog hij zich, er kwam enige uitdrukking in de ooggaten, en hij ging op zijn rug liggen om te sterven, met zijn grijze zachte buik omhoog. Onmiddellijk waren tientallen andere vogels erbij om stukken vlees uit zijn buik te trekken. Hij kwam weer overeind om staande te sterven.»

Op het plezierjacht raakt Vogels zo met weerzin vervuld dat de begroeide bergen met hier en daar kale plekken tussen het groen haar doen denken aan een oude, schurftige aap of hond, en de lichtoranje gekleurde wolken aan sinaasappels. Veel mensen denken zoiets even, en dan verdwijnt het. Vogels heeft het opgeschreven. Gelukkig maar.