Altijd de vreemdeling

Foto van Ian Buruma op de set van Nagisa Oshima’s film Empire of Passion uit 1978 © Ian Buruma / Atlas Contact

Tegen het einde van A Tokyo Romance, het verslag van de jaren die hij als twintiger doorbracht in Japan, schetst Ian Buruma een afschrikwekkend tafereel. Het is tijdens een met drank overgoten avond in een restaurant in Kyoto. De weken ervoor is Buruma door het land getrokken met het theatergezelschap van de legendarische Juro Kara, een gevierde acteur en regisseur. Hij heeft zelfs een klein rolletje weten te bemachtigen. Buruma speelt ‘Iwan de gaijin’ (Ivan de vreemdeling) en zijn punchline is dat hij op een zeker moment ‘I’m the midnight cowboy!’ moet uitroepen.

Dat doet weinig af aan de trots die hij ervaart om onderdeel te zijn van de theatergroep. In het restaurant in Kyoto is Buruma getuige van een geweldsescalatie die ermee eindigt dat Kara een enorme glazen asbak naar het hoofd van zijn vrouw slingert (die haar op een haar na mist). Het blijkt te veel voor Buruma, die zich tegen de regisseur keert met de woorden: ‘Zoiets doe je niet tegen een vrouw!’ Tegen alle codes in, want wie is hij immers om de sensei te vermanen? Wanneer Buruma Kara’s woedende ogen ziet beseft hij dat hij een onvergeeflijke fout heeft gemaakt. Op weg naar huis wrijft Kara het nog eens in: ‘Dus uiteindelijk ben je niet meer dan een ordinaire vreemdeling.’ Het is een sleutelscène omdat het zowel de diepe aantrekkingskracht tot het wezensvreemde van de jonge Buruma toont als de wijze waarop hij daarmee in Japan uiteindelijk steeds weer op een muur stuit.

De van oorsprong Nederlandse Buruma geniet een internationale reputatie als essayist en als auteur. Sinds vorig jaar is hij hoofdredacteur van de vermaarde New York Review of Books. Minder bekend is dat hij vanaf 1975 een aantal jaren in Japan verbleef. Hij wilde ontsnappen aan het Haagse milieu waarin hij opgroeide, ‘aan de gazonsproeiers, clubdassen, bridgeavondjes en het geluid van tennisballen in de zomer’. Via een mislukte studie rechten, een afgebroken kunstopleiding, een studie Chinees en een tussenjaar in Californië komt Buruma uiteindelijk terecht op een filmacademie in Tokio.

Het is niet het voor de hand liggende exotisme dat hem in Japan aantrekt: theeceremonies, zenboeddhisme of vechtsporten. Het is eerder het rauwe menselijke van de Japanse film en het theater. En anders wel de talrijke mogelijkheden tot transgressie die een stad als Tokio biedt voor een welopgevoede westerse jongen. De traditionele houten huizen waren tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest door Amerikaanse brandbommen. Moderne gebouwen verrezen, neonreclames knipperden de bezoeker tegemoet. ‘De schaduw van de oorlog had plaatsgemaakt voor koortsachtig hedonisme’, schrijft Buruma.

In Japan had ‘de schaduw van de oorlog plaatsgemaakt voor koortsachtig hedonisme’

Als betoverd trekt hij door de volksbuurten met hun overdaad aan visuele prikkels, theaters, platenwinkels, barretjes en cabaret. Het is het ‘vunzige, het obscene, het losbandige, het bloederige, het stinkende’ dat hem aantrekt. In tien vlot en beeldend geschreven hoofdstukken dompelt Buruma de lezer onder in de ‘uitzinnige’ aspecten van het Japan van de late jaren zeventig van de vorige eeuw, met steeds aandacht voor het overdadig erotische, het absurde en het groteske. De Japanse vriendin met wie hij vanuit het brave Leiden de reis gemaakt heeft ruilt hij al snel in voor een bestaan van met drank overgoten etentjes en feesten, waarbij hij vrouwelijke en mannelijke bedpartners afwisselt. ‘Japan’, zo schrijft hij, was ‘wezensvreemd, over the top, merendeels ondoorgrondelijk, pervers erotisch, nogal angstaanjagend en totaal onvergetelijk.’ Buruma’s gids in die dagen is de Amerikaan Donald Richie, een openlijk homoseksuele auteur en filmcriticus die in de jaren veertig het benepen Ohio had ingeruild voor een bestaan in het relatief tolerante Japan. Er is een schitterende scène van een gemeenschappelijk bezoek aan een van de talrijke pornobioscopen in de wijk Shitamachi. Bij het naar buiten gaan stuiten ze op een middelbare man in vrouwenkleren die uit het toilet stommelt. Zodra hij Richie herkent buigt hij diep en zonder enige ironie naar de sensei – hetgeen Buruma ertoe aanzet zich af te vragen of er dan niet toch iets als onschuld in deze stad bestaat.

De rol van outsider werpt Buruma terug op zichzelf. Tegelijk opent de status van westerse vreemdeling ook allerlei deuren bij de Japanse culturele elite. Hij komt eenvoudig in contact met grote cineasten, fotografen en theatermakers van die dagen. Hij wordt gecast voor een rolletje in een film van de legendarische regisseur Akira Kurosawa, loopt stage bij de beroemde fotograaf Kinuyo Tanaka.

Tegelijk is het ook weer alsof hij daarmee een bocht afsnijdt. Want in zijn omgang met deze meesters hoeft hij zich niet volledig te voegen naar het hiërarchische meester-leerlingsysteem. De prijs voor de vrije omgang is dat hij altijd de gaijin blijft, hoewel hij er óók naar snakt volwaardig lid van de groep te worden. Het is onderdeel van een dieper verlangen zijn westerse individualiteit te ontstijgen – de rode draad van Buruma’s memoires. ‘Droog’ noemen Japanners dat, met het Engelse woord ‘dry’. Daar tegenover plaatsen ze ‘nat’ (wet). Dat is de groep, de clan, de hiërarchie – met de yakuza, de Japanse maffia, als meest sprekende voorbeeld. Maar ook de theatergezelschappen waarin Buruma zich beweegt hebben die ‘natheid’.

Wat de twintiger Buruma bovenal zoekt is de confrontatie met de ‘absolute Ander’ – in Japan in grote hoeveelheden voorradig. Neem de Menselijke Pomp, een albino man die een excentriek circus in Tokio leidt dat Buruma een tijdlang fotografeert. De kunst van de man bestaat eruit dat hij twee goudvissen doorslikt, een gele en een oranje, en die dan vervolgens op commando weer ophoest. Maar wanneer Buruma de man en zijn familie in de provincie opzoekt wacht de desillusie. Het blijkt een familie als elke andere, in een huis als elk ander, met aardige, hartelijke mensen zoals je die overal ter wereld aantreft. Er is geen ‘absolute Ander’. Het is de belangrijkste les die hij in Japan leert.