Essay: De wereld een openluchtmuseum

Altijd feest in het mensenpark

De wereld is een openluchtmuseum geworden, een enorm themapark waarin oorlog, ziekte, vuil en dood grote amusementswaarde hebben. En waar politiek, recht, kunst en filosofie tot vermaak van de moderne mens dienen. Leve de spelende samenleving!

Begin jaren zeventig streek een groep hippies neer in het Noord-Groningse gehucht Den Andel. Ze betrokken vervallen boerderijen of bouwden plaggenhutten, bakten hun brood zelf, haalden het beleg uit de wegberm en bedreven de vrije liefde soms in de tuin. Omdat de autochtone bewoners gek werden van deze culturele vluchtelingen, en van de zondagstoeristen, riepen ze de hulp in van De Telegraaf. In het paginagrote artikel dat volgde, en dat leidde tot de komst van nog meer zondagstoeristen, wees de hoofdonderwijzer van de plaatselijke School met den Bijbel ook op een positief gevolg van de invasie: «Als ik de kinderen tijdens geschiedenis vertel dat de mensen vroeger in hutten woonden, laat ik ze maar even naar buiten kijken. Ik hoef niet meer met ze naar het Openluchtmuseum.» Ruim een kwart eeuw later hoeft geen enkele onderwijsaanbieder daar meer naartoe met zijn studiehuisbewoners, aangezien het hele buitenshuise leven de gebruikswaarde stilletjes heeft verruild voor een educatief soort amusementswaarde.

Nu de klikkende burger zijn overlevingspakket kan kopiëren naar de harde schijf is de noodzaak om het verwarmde huis te verlaten nauwelijks nog aanwezig. Een geïnformatiseerd kabinet dat zijn onderdanen graag van de straat wil houden, stimuleert deze ontwikkeling. Het vrijwillige huisarrest wordt op allerlei manieren veraangenaamd: leuke televisiereclame onderbroken door als nachtkaarsen eindigende voetbalwedstrijden, verleidelijke computervirussen, een vertekenfilming van Derrick, huiswerkprofessoren, telefonische enquêtes waarbij je mag raden wie je bent, telebankieren met aan voetbaluitslagen gerelateerde spaarrentes en video’s met luchtoorlogen. Een stap naar de openlucht moet dus een meerwaarde hebben. Op de werkplek moet minimaal een golfputje aanwezig zijn.

Twee soorten mensen bevolken het onoverdekte deel van de buitenwereld: toeristen en figuranten. Laatstgenoemden zijn geen pottenbakkende of mandenmakende melkertiers, zoals in Arnhem, maar stoffelijke resten van het modernistisch-industriële subjectenwalhalla: politici, architecten, militairen, filosofen, boeren, rechters, fabrieksarbeiders en onderwijzers. Onder toeziend oog van als suppoosten vermomde journalisten mogen bezoekers de genoemde beroepen in naam van de interactiviteit zelf proberen uit te oefenen. Van alle zin ontdaan bestoken toerist en figurant de historische allesbrander. De geschiedenis is niet aan zijn einde gekomen, zoals een algemeen aanvaard misverstand luidt, maar is een ready-made geworden. In Manassas, Virginia, is een historisch theme park aangelegd waar bezoekers de geschiedenis, inclusief de slavernij (met als attractie een psychoanalytische uitleg van Martin Luther Kings droom) op een plezierige wijze kunnen herbeleven. De Amerikanen kunnen natuurlijk ook de Oude Wereld bezoeken, in hun ogen toch vooral een elegant soort Derde Wereld, om met de Franse actrice Isabelle Huppert te spreken.

Historische gebeurtenissen vinden er doorgaans twee keer plaats: de eerste keer als tragedie, de tweede keer, Gode zij dank, als komedie. Zo werd Parijs meteen na de Tweede Wereldoorlog bezet door de Duitse metafysica, waarna voor de zekerheid aan de westkant van de stad met La Défense een opgehoogde Maginot-linie werd gebouwd, wellicht bedoeld om Angelsaksische invloeden tegen te houden. In Engeland zelf heeft inmiddels de omgekeerde klassestrijd — de komische versie van het marxisme — van Margaret Thatcher gewoed waarbij treinreizigers de Great Train Robbery nog een keer konden meemaken, met ditmaal de spoorwegen zelf als roversbende, gelet op de voortdurende prijsstijgingen voor reizen die worden opgeleukt met een mededeling als: «Please do not open the door until the service has come to a complete standstill». Duizenden minder bedeelde Britten belandden in de roerige jaren tachtig op straat. Veel van hen zochten vervolgens hun heil op het platteland, alwaar ze zingend en dansend probeerden te overleven. Er ontstonden muziekgroepen als New Model Army en The Levellers, beide genaamd naar de legers van Oliver Cromwell die bestonden uit gedupeerden van de privatisering van de gemeenschappelijke gronden onder Henry XIII.

Replica’s van oorlogen neigen ertoe olijker te zijn dan het origineel. De koude schaakoorlog tussen Bobby Fischer en Boris Spassky uit 1972 kreeg twintig jaar later zijn amusante vervolgstart op een eilandje voor de Montenegrijnse kust, uitgerekend in de omgeving waar de Navo de Koude Oorlog kleinschalig probeerde na te spelen, maar daar nooit in slaagde. De bevrijding van Kosovo kende zijn hoogtepunt in Pris tina, waar de Russen, net als een halve eeuw daarvoor, eerder bij hun doel waren dan de geallieerden. Terwijl militaire middelen als een T-shirt, internet en Star Wars reeds hun amusementswaarde hebben aangetoond, zijn oorlogsrelieken de geschiedenis ingegaan als bezienswaardigheden, onder meer bezongen door de Sex Pistols: «I don’t want a holiday in the sun/ I wanna go to the new Belsen/ I wanna see some history/ ’cause now I got a reasonable economy.» Vernietigingskampen worden nog met de nodige ingetogenheid tentoongesteld — al vermoedde Willem Frederik Hermans in Het sadistisch universum dat Auschwitz te zijner tijd wel het decor zal vormen van een vrolijke musical —, maar Zuid-Libanon is een circusattractie en Adolf Hitlers conferentieoord Adelaarsnest in Berchtesgaden een pretpark.

Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog werd daar onder meer bedacht dat regisseur Veit Harlan een film moest maken over het even heldhaftige als kansloze verzet van de burgers van het Oost-Pruisische stadje Kolberg tegen Napoleons legers. Wegens een tekort aan figuranten liet Joseph Goebbels soldaten van het westfront plukken om te gaan acteren. Ruim een halve eeuw na dato heeft het Britse ministerie van Defensie zijn soldaten eveneens toestemming gegeven om te acteren in speelfilms, dit nadat Steven Spielberg de opnamen voor Saving Private Ryan aan de Ierse kust had geschoten omdat de Britten niet wilden meewerken. Ondertussen spelen Canadese veteranen nog altijd trouw de bevrijding na van Nederlandse dorpen, volgt het Kosovo Bevrijdingsleger de Calvin Klein-mode, treuren de Russen om de verkoop van vliegdekschip Minsk aan de Chinezen, die er een onzinkbaar pretpark van maken, worden Zweedse militairen opgeleid als informatiekrijger en krijgen de Amerikanen bijscholing van film- en computerindustriëlen. Oorlog moet vooral leuk zijn, dus zonder gesneuvelden, zodat er geen vlam hoeft te branden voor onbekende soldaten. Hooguit voor wat onbekende gijzelaars. Het «Oh, what a lovely war» waarmee de Britten de Eerste Wereldoorlog ingingen heeft nu eindelijk zijn ware gezicht gekregen door middel van pseudo-vechtersbazen in de hooligan-lijn en in totalkrieg-kleuren opgemaakte dames, warmgehouden door de revolutionaire kleding van Raf-heldin Ulrike Meinhof, zoals aangeprezen in het Deense damesmodeblad Damernes Verden, en in de navel beschoten met juwelen, navelstaren daarmee alsnog een positieve connotatie gevend. De stoep als catwalk.

Voorbij hun gebruikswaarde veranderen de meest banale dingen uiteindelijk in een kunstwerk, variërend van een wc-pot bij Marcel Duchamp, een flesje water bij Wim T. Schippers tot een doosje schuursponzen bij Andy Warhol. Hoe verwarrend dit is, bewezen de Canadese douaniers die de Brillo Boxes op hun weg naar een tentoonstelling in Toronto als commerciële producten wilden belasten. Desgevraagd bepaalde een curator dat het inderdaad géén kunstwerken waren. Het is maar goed dat openbare ruimten, zoals luchthavens, op initiatief van onze staatssecretaris van kunsteconomie, worden volgehangen met kunstwerken die nu in de kelders stofhappen, zodat iedere bezoeker van de tentoongestelde wereld kan beargumenteren dat een door Rob Scholte beschilderd bierblikje kunst is.

Elk gebouw moet uiteindelijk een museum zijn. Zo hebben misdadigers, voor wie spanning en sensatie hogere motieven blijken te zijn dan hebzucht, ook recht op kunst, hetgeen door de Amsterdamse rechtbank goed is begrepen. De rechtsconsumenten aldaar kunnen, in afwachting van wat de rechters in de aanbieding hebben (elektronisch huisarrest dan wel onbetaald schoonmaken in een gevangenismuseum), genieten van Warhols Beatrix-litho’s of van de Billen van Bea, zoals de rode en gele rondingen in de twee grootste zittingszalen worden genoemd. Dat is handig, want de zittende magistratuur wordt steeds vaker geraadpleegd over de vraag wat kunst is. Tijdens de tentoonstelling Attack! verhuisde een foto met daarop een naakte vader en zijn even naakte zoontje van Arti et Amicitae naar de rechtbank, waar uiteindelijk werd geoordeeld dat het wél kunst was, en geen kinderporno, zoals de lokale televisiezender en het openbaar ministerie meenden. Soms maken rechters een uitstapje naar oude fabrieksloodsen, om te kijken hoe kunstenaars broeden in industriële monumenten waar vroeger bloed, zweet en tranen werden geplengd om de maatschappij op te bouwen die nu wordt versierd. Fabrieken veranderen in bioscopen en bioscopen in fabrieken. Er ontstaat een stormrampmuseum.

Net als de rechtspraak moet de politiek in een spelende samenleving ook leuk overkomen. Deze zomer kunnen toeristen voor het eerst zonder concreet politiek doel het Britse Lagerhuis bezoeken, het behouden huis waar debatten het midden houden tussen een retoricawedstrijd en een pantomimevoorstelling, vertolkt door Members of Parliament die On Liberty van nutsdenker John Stuart Mill hebben verruild voor de even smeuïge als literaire dagboeken van hun vorig jaar overleden collega Alan Clark. Deze afgevaardigde was de personificatie van Lord Goring, die in Oscar Wildes toneelstuk An Ideal Husband politieke bijeenkomsten zegt te adoreren omdat «they are the only place left to us where people don’t talk politics». Geen wonder dat Newsnight-presentator Jeremy Paxman elke vraag aan een politicus begint met de woorden: «Are you seriously contesting that…?»

Terwijl Tony Blair — die met PR niet proportional representation doch public relations bedoelt — lachend zijn land ruïneert, houdt zijn vakbroeder en collega-jurist Bill Clinton zich bezig met acteren, getuige de videoclip die hij heeft gemaakt van zijn laatste, eenzame dagen in het Museum van de Macht. Clinton, die een filmcarrière blijkbaar als een verlengstuk van de politiek ziet, wilde Oliver Stone vóór zijn, de Horst Tappert van Hollywood die zowel de aanslag op John F. Kennedy als de politieke zelfmoord van Richard Nixon wilde oplossen. Laatstgenoemd project ontmoette wrevel bij de nixonianen die hun geestelijke vader in zijn eigen theme park laten voortleven als een vredesapostel die uit vaderlandsliefde vuile vingers verkreeg. In Nederland daarentegen gaan mensen de politiek in om zichzelf schoon te wassen, bijvoorbeeld nadat ze door Willem Frederik Hermans zijn besmeurd met inkt, zoals Aad Nuis, of om deel uit te maken van een pretkabinet dat jubelend begrotingsoverschotten presenteert, oplossingen bedenkt voor niet-bestaande problemen en lacht om eigen stommiteiten.

Das Fest ist Heidentum par excellence! Zelfs parlementaire enquêtes zijn een feest, merkte Bas van Putten op in Het Parool. Dat vonden de Bijlmer-enquêteurs ook en juichend ploften ze neer op de sofa van Paul de Leeuw om hun werk te evalueren. Kiezers beseffen ook wel dat het er allemaal niet zo vreselijk veel meer toe doet en beoordelen volksvertegenwoordigers op hun amusementswaarde. Ze dragen hun steentje bij door leuke demonstraties met ludieke acties. Bij verkiezingslijsten, als equivalent van het evaluatieformulier bij de uitgang van het Openluchtmuseum, gaat het er niet zozeer om wie de lijst trekt, als wel wie hem voortduwt. De Londenaren benutten de burgemeesterverkiezing als practical joke door te stemmen op Blairs aartsrivaal Ken Livingstone, bekend van de straatfeesten waar hij zijn hoofdstad begin jaren tachtig, tot afgrijzen van Thatcher, mee opleukte. Kiezen wordt sowieso steeds leuker! Een Amerikaanse jury besliste met een muntworp of een verdachte naar het gevang moest, Vietnamese gevangenen nomineerden ter gelegenheid van de 25-jarige overwinning op de Amerikanen lotgenoten voor amnestie, politicologen in spe van de Rooie Faculteit kiezen geen studentenraad maar hun lievelingsleraar en Tilburgse studenten kiezen tijdens college het mobiele telefoonnummer van hun docent.

Gelijk het politieke métier is ook filosofie van leer, via bezigheid, geëvolueerd naar amusement. «Once a philosophy, twice a perversion!» wist de Amerikaanse romancier Norman Mailer reeds. In de Nieuwe Wereld beschouwen filosofen hun vak als bron van geluk, Franse nietzscheanen spelen met de hamer, de Engelsen doen dat met de taal en de Duitsers bedrijven schandaaljournalistiek jegens een afvallige broeder. Nederlandse filosofen klonteren samen in kroegen waar niet wordt geschreven, zoals de existentiefilosofen deden, maar gebabbeld over het zojuist bij de ECI aangeschafte Zijn en Tijd van een metafysicus die op latere leeftijd voetballiefhebber werd. In Nederland heerst een wijsgerig gematigd zeeklimaat, geregeerd door getrouwde filosofen die niet in een blijspel acteren, zoals aangeraden door Friedrich Nietzsche, maar lezingen geven met titels als Filosofie kan ook leuk zijn, kalenders uitbrengen over de medische status van Nietzsche en deelnemen aan filosofiequizzen in Felix Meritis. Soms organiseren ze filosofische wandelingen in Amsterdam of Sils-Maria, het zomeroord waar Nietzsche 600 Fuss über dem Meere und viel höher über allen menslichen Dingen zijn horizon verruimde, niet gehinderd door geologische obstakels.

Wat het Zwitserse bergdorpje is voor nietzscheanen, Les Chauvins zal worden voor revisten, is Alpe d’Huez al jaren voor wielrenners. Ooit een vergeten bergdorpje met vijftien hotelkamers, een paar boeren en herders, nu 32.000 bedden rijk. De transhumance — een vorm van migratoire schapenhouderij waarbij men ’s zomers naar de hooggelegen bergweiden trok en ’s winters naar lager gelegen streken — heeft een nieuwe vorm gekregen: in de zomer gaan toeristen fietsend naar boven, in de winter skiënd weer naar beneden. Boeren zijn ook daar folklore geworden, bekeken door wielrenners en geplaagd door beren die de Franse overheid in een vlaag van dierenliefde heeft losgelaten. Waar het de communisten nooit is gelukt de boeren in te bedden in de industriële samenleving, daar hebben de kapitalisten ze wel een bestaansreden te geven, en wel in dienst van Natuurmonumenten als opzichter van het boerderijmuseum, omringd door speelbossen en spannende natuurgebieden met hobbykoeien en kampeerplekken.

Niet alleen demografisch gaat de vergroening van de steden hand in hand met de vergrijzing van het platteland, waar allemaal aaibare Ruigoordjes ontstaan, bedoeld voor educatieve doeleinden. Edutainment is ook het toverwoord waarmee pedagogen kinderen naar het gezellige studiehuis lokken, en ze daar veilig aangekomen leren rekenen door middel van voetbaluitslagen, topografie aan de hand van burgeroorlogen, sexy scheikundelessen laten volgen en literatuur bijbrengen op basis van een recente absurdistische, door de makers zelf als nouvelle vague bestempelde verfilming van George Orwells 1984. Onderwijl volgen huisvrouwen in supermarkten kooklessen, drinken junks er gratis koffie en komen vrijgezellen er voor een afspraakje. Op hun beurt gaan ziekenhuizen lijken op winkelcentra, waar hele wachtlijsten naartoe gaan voor een gezellige, leerzame, operatie. Het valt mee dat een harttransplantatie nog geen onderdeel uitmaakt van een OK-show, zoals beschreven door Rob van Erkelens in Het uur van lood. In een Rotterdams ziekenhuis krijgen zorgconsumenten na afloop al wel een polaroidfoto mee van zichzelf en de chirurg. Gratis, in tegenstelling tot de foto na het bezoek aan de Efteling of na een pleziervaart in de Amsterdamse grachten, de open riolen die ooit bedoeld waren om vreemdelingen juist búiten de stad te houden. Niet toevallig is de Amsterdamse afvalverwerking onlangs toegevoegd aan de lijst attracties voor afvaltoeristen, die in de toekomst mogelijk zullen landen op een vuilnishoop in zee, mocht Schiphol het voorbeeld van Hong Kong volgen. Op straat fietsen de joyriders op Kronans, felgekleurde tweewielers die tot voor kort bestemd waren voor Zweedse computerkrijgers, en maken ze lomo’s, onscherpe afbeeldingen geschoten met oude Russische fototoestellen die nu een hip leven doormaken, van rijdende fietswrakken, zijnde de Amsterdamse variant van de Trabant. «Wat banaal is geweest, kan met het verstrijken van de tijd fantastisch worden.» Susan Sontag zei het al.

En zo amuseren de mensen in het openluchtmuseum zich tot aan hun dood. Sterker, de dood is een attractie op zich geworden, een lucratieve onderneming. De Egyptenaren zijn hun voorvaderen nog dankbaar dat ze de koningen hebben gemummificeerd, iets dat door de sovjets is afgekeken. Helaas mocht het gebalsemde lijk van Lenin zich voornamelijk verheugen op het bezoek van Russische hippies met wie dit lid van de high society ooit de liefde deelde voor geestverruimende «Psychedelitsny Griby». In Parijs is de begraafplaats Père Lachaise een toeristische A-locatie geworden, mede door toedoen van Jim Morrison, het prijsdier van de flower power voor wie de dood zijn enige vriend was. Het valt mee dat er nog geen marihuanaplanten groeien, zoals op de begraafplaats in het Poolse Szewna. Nederlandse lijkverwerkende postindu striëlen kijken hier met interesse naar en willen van hun dodenakker het liefst een levendig Museum van de Dood maken, en van een begrafenis een dodenfeest, een term die reeds in het werk van Gerard Reve te traceren is om door Manfred Langer en Peter Giele te worden gepraktiseerd.

Een Texaanse terdoodveroordeelde zag zijn eigen dood vooral als een bron van inkomsten en wilde via internet kaarten voor zijn executie veilen, een plan dat slechts werd gehinderd door logistieke problemen. In Duitsland zouden boulevardfilosofen morele bezwaren tegen zo’n veiling hebben gemaakt, niet te vergelijken met hun tamme pleidooi voor de menselijke waardigheid als reactie op het tentoonstellen van dode lichamen in het Mannheimse Landesmuseum für Technik und Arbeit, niet lang geleden. De expositie Körperwelten was een ode aan Andreas Vesalius, die als eerste een volledig skelet had geprepareerd en rechtop gezet. Volgens de anatoom was zijn laboratorium de plaats waar de dode de levende te hulp schiet. Zou hij ooit hebben gedacht dat de dode dat zou doen om de levende te amuseren?