Noodzaak of onmogelijkheid?

Altijd halverwege

Nederland is toe aan utopisch denken, betoogt socioloog Willem Schinkel, want het politieke debat is op sterven na dood. Niet doen, reageert filosoof Hans Achterhuis: dat is spelen met vuur. Een briefwisseling.

Medium tuinderklein

Beste Willem,

De vraag die mij werd voorgelegd, blijft ongemakkelijk aanvoelen: ga als gedoodverfd anti-utopist in discussie met Schinkel die in De nieuwe democratie bij vlagen een vurig pleidooi voor utopisch denken houdt. Mijn gevoelens van aarzeling en ongemak hebben vooral te maken met de grote mate van instemming met delen van jouw tekst. Wat een fraaie analyse van het populisme als politieke factor, wat een verrassende beschouwing, niet van de persoon maar van ‘het principe Wilders’!

Ook schreef ik vaak de letters H.A. in de marge van jouw tekst. Dat heeft niet te maken met mijn eigen persoon, maar het betreft plaatsen waar je naar mijn mening de visie van Hannah Arendt over de politiek, waar ik mij op dit moment mee bezighoud, indirect met voorbeelden illustreert en onderstreept. Meer dan genoeg instemming dus, maar nu toch maar de kritiek.

Waarom, luidt mijn grote vraag, kleed je je beschouwingen in het gewaad en de logica van de utopie? Door dat te doen, lever je je uit aan een vertoog met min of meer vaste wendingen, dat achter je rug om je tekst gaat bepalen. Zelf heb ik dat vroeger ook gedaan. Ik meende dat het mogelijk was om het politiek-filosofische denken van neomarxisten als Marcuse en Sartre geheel los van de context van in dit geval de marxistische utopie te presenteren. Ik heb ontdekt dat dit onmogelijk is. Net zo goed als het praktische communisme van Lenin bleken Marcuse en Sartre ook denkenderwijs in gewelddadig en soms in totalitair vaarwater te belanden.

Dit is wel het laatste waar ik jou van beschuldig. Maar dat is ook omdat jouw utopie vaag en algemeen blijft. Alles moet anders, maar hoe en in welke richting weiger je, overigens op respectabele gronden, aan te duiden.

Ik geef enkele voorbeelden van jouw verstriktheid in de utopische logica. Zelden heb ik zo’n negatieve beschouwing over de toestand van ons land gelezen als het hoofdstuk over Museum Nederland, waarmee je boek begint. Maar dat past bij de utopie. Sinds Thomas More zijn eigenlijke beschrijving van het gelukzalige eiland Utopia vooraf liet gaan door een uitzichtloze beschrijving van het Engeland uit zijn tijd vind je dit schema bij elke utopie: het licht van een betere en totaal andere werkelijkheid kan alleen maar helder schijnen als je de bestaande realiteit inktzwart schildert. Zelf voel je hier kennelijk ook nattigheid. Verschillende keren roep je namelijk min of meer wanhopig uit dat je geen pessimistisch boek wilt schrijven, maar dat je helaas met dit sombere sfeerbeeld moet beginnen.

Een tweede voorbeeld van je worsteling met het vertoog van de utopie biedt jouw herhaalde verzuchting dat een utopie niet kan en mag worden verwezenlijkt, dat ze is gebaseerd op een verlangen dat onderdrukt moet worden omdat het bedreigend kan uitpakken. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar voor mij leidt dit tot een afwijzing van de utopie. Jij doet als intellectueel daarentegen toch een oproep voor utopisch denken dat niet verwezenlijkt mag worden. Ik vind dat innerlijk tegenstrijdig en te gemakkelijk.

Op dit punt heb ik de discussie al eens gevoerd met de Leidse politiek denker Marius de Geus. Deze groene utopist geeft ook grif toe dat utopieën gevaarlijk zijn en totalitair kunnen uitpakken. Ook hij streeft utopieën na, die nooit helemaal gerealiseerd mogen worden. Mijn simpele tegenwerping is dat in de geschiedenis utopieën nooit zo hebben gefunctioneerd. De verworpenen der aarde kwamen alleen in opstand omdat ze geloofden in de beloofde utopische toekomst. Wanneer ze te horen hadden gekregen dat de utopie nooit bereikt mocht worden, was er van hun indrukwekkende strijd ongetwijfeld geen sprake geweest. Alleen een geëngageerde individuele intellectueel kan het zich veroorloven utopisch te denken en tegelijkertijd te erkennen dat de utopie onbereikbaar is en moet zijn. Maar Willem, dan moet je niet verbaasd zijn dat je utopische boodschap weinig gehoor vindt.

Een derde bezwaar tegen jouw intellectuele spel met de utopie is dat je nergens schijnt te onderkennen dat we al in een min of meer gerealiseerde utopie leven: het neoliberalisme. De utopisch-revolutionaire kracht ervan ontgaat je volledig. Margaret Thatcher is voor jou bijvoorbeeld een simpele conservatief in plaats van een gedreven politica met een utopische boodschap die sterk aansprak en dat, ondanks de crisis, nog steeds doet. De neoliberale utopie was volgens haar grote verkondiger, Friedrich von Hayek, een alternatief voor de socialistische utopie. Ik denk dat je de verleidingskracht ervan moet analyseren voordat je meteen met een nieuwe utopie komt. Zo blijven we maatschappelijk over elkaar heen buitelen met utopische uitersten. Daartegenin zou ik met anti-utopisten als Orwell en Camus willen pleiten voor een politiek van maat houden en simpel fatsoen in plaats van verleidelijke vergezichten. Dat klinkt ongetwijfeld saai en bescheiden, maar het zou wel eens spannender en moeilijker kunnen zijn om een hierop gebaseerde politiek te ontwerpen dan te dromen van grootse en meeslepende utopieën.

Hans Achterhuis

Beste Hans,

De verworpenen der aarde kwamen alleen in opstand omdat ze geloofden in de beloofde utopische toekomst

In the meantime I cannot agree with everything that he said, for all his undoubted learning and experience. But I freely admit that there are many features of the Utopian Republic which I should like – though I hardly expect – to see adopted in Europe’ (More, T. (1965 [1516]), Utopia, Londen, Penguin, p. 132)

Je retoriek is die van de filosoof, de wijze oude man met ervaring, die ooit ook utopisch dacht maar daar met goede redenen van teruggekomen is, en die de jeugdige overmoed met ervaring en redelijkheid weerspreekt. Dat is een irritante retoriek, maar irritatie vat ik doorgaans in systeemtheoretische zin op: als prikkeling tot aanpassing. Utopische verbeeldingskracht is eigenlijk precies dat: productieve irritatie.

Omdat je retoriek echter niet los van de inhoud van je brief staat, wil ik er nog iets langer bij stilstaan. Het lijkt erop dat in een grote mea culpa-beweging alles wat zich op de een of andere manier van utopische verbeeldingskracht bedient, weggemaaid wordt. Ik maak dat eerlijk gezegd vaker mee: intellectuelen die eind jaren zestig deelden in een toen heersende vorm van utopisme, en die sindsdien het licht hebben gezien. Het leidt ertoe dat ze alles wat tegenwoordig geschreven wordt nog slechts in de achteruitkijkspiegel kunnen interpreteren.

Ik voel me op geen enkele manier verwant met de utopisten van de jaren zestig en zeventig. Integendeel: ik denk, met de Franse sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello, dat wat zij voorstelden als anti-systeemwaarden – autonomie, creativiteit, innovativiteit et cetera – de ideologische inauguratie van een postfordistische vorm van kapitalisme heeft bespoedigd. Des te tragischer dat mensen die zich destijds antikapitalistisch opstelden nu de hele optie van ‘vergezichten’ de deur uit doen om, zoals je zegt, nog slechts te ‘pleiten voor een politiek van maat houden en simpel fatsoen’. Het lijkt verdacht veel op Mark Rutte: ‘Visie is als de olifant die het uitzicht beneemt.’

Als je nu in de jaren zeventig aan de kant van de toen zo populaire ‘utopisten’ stond, en dan nu meedoet in de distantiëring en veroordeling van diezelfde mentaliteit – een distantiëring die bij iedereen die zich niet destijds al tot ‘rechts’ rekende de vorm van de biecht aanneemt – is het dan niet zo dat je steeds met de heersende wind mee waait? En dat is nu precies wat het open houden van een utopische horizon tegengaat. Een politiek die veronderstelt dat er geen fundamentele alternatieven mogelijk zijn, terwijl de huidige politiek en economie natuurlijk zelf ooit radicale alternatieven waren, vervalt in een gevaarlijk antidemocratische houding.

Dat is precies waarom het absurd is Thatcher als utopist te beschouwen: ‘There is no alternative’ is een slogan die vijandig is aan het hele idee van de utopie! Net zoals alle utopisme dat de utopie wil verwerkelijken geen utopisme meer is. Neoliberalisme – dat overigens bij ons vooral in combinatie met neoconservatisme of communitarisme voorkomt: het devies is én individuele verantwoordelijkheid en markt, én gemeenschap en nationale cultuur – is in de eerste plaats een ideologie, en wel de ideologie die behelst dat er geen ideologie meer is, dat een ‘politiek van maat houden en simpel fatsoen’ de enige redelijke optie is.

Wat ik zonder meer waardeer in je brief is de aansporing helder te verwoorden wat ik onder utopische verbeeldingskracht versta. Laat ik eerst zeggen wat het volgens mij niet is. Het is niet een poging een bestaand systeem af te breken en er een alternatief voor in de plaats te realiseren. Daarom is je kritiek op mijn utopisme vreemd. Je stelt dat alle utopisme slecht, zelfs gevaarlijk is. Vervolgens constateer je dat ik een utopisme voorsta dat niet gevaarlijk is en dat zich niet wil laten realiseren, maar dan verwijt je me inconsistentie – alsof je liever hebt dat ik een gevaarlijke variant aan zou hangen omdat ik dan tenminste consistent zou zijn! In dat kader is het ook vreemd dat je me een dystopisme verwijt dat je bij alle utopisme aan het werk ziet, en vervolgens zelf pleit voor een politiek à la Orwell.

De waarheid is natuurlijk dat er meerdere visies op de utopie zijn. De utopie van More is die van Fourier niet. Kenmerkend voor de utopie is wat mij betreft de tweeledige lading van eu-topos en ou-topos: bedoeld wordt een niet bestaande plaats, die als oriëntatiepunt dienst kan doen bij een niet-aflatend streven naar het goede leven. Juist het fictieve karakter van de utopie moet de wens in toom houden te claimen dat het goede leven voor eens en altijd bereikt kan worden, of dat het gerealiseerd is of gaat worden.

Het is pas in de moderne tijd dat het idee ontstaat dat utopieën gerealiseerd kunnen worden. Daarom denk ik dat het een dubieuze, en te idealistische lezing van de geschiedenis is om te stellen, zoals je in je brief doet, dat ‘de verworpenen der aarde’ alleen in opstand kwamen ‘omdat ze geloofden in de beloofde utopische toekomst’. De belangrijkste reden voor opstanden in de geschiedenis is toch vooral brood geweest. Dat zou je mijn utopisme ook kunnen verwijten: het is in zekere mate elitair. Eerst komt het eten, dan de utopie.

De redenen dat ik voor een utopische verbeeldingskracht pleit, zijn divers, en ik put uit soms ogenschijnlijk incompatibele bronnen waarvan ik er hier twee wil noemen. Enerzijds is er, zoals Walter Benjamin zegt, een ‘zwakke messianistische kracht’ die iedere generatie kenmerkt. Er is het diepe besef dat het bestaan tussen revelatie en verlossing geworpen is, en de messianistische verlossing is voor altijd onzeker, uitgesteld en als zodanig een actieve kracht. Anderzijds is de moderne maatschappij, met de systeemsocioloog Luhmann geredeneerd, een maatschappij die evolueert via tegenstellingen. Dat is hoe stuurcapaciteit gegarandeerd wordt. Het is bovendien een maatschappij die, vanwege het feit dat de toekomst beslissingsafhankelijk gemaakt is, voortdurend met risico en met toekomst in het algemeen worstelt. Toekomst wordt permanent in het heden actueel gemaakt.

In dat geval biedt een utopische verbeeldingskracht een kader waarbinnen dat gedaan kan worden op een manier die uitstijgt boven de politiek van het loutere probleemmanagement. Het is de reductie van politiek tot probleemmanagement die de belangrijkste aanleiding tot populisme is, en een utopisch geïnspireerde politiek biedt het geëigende alternatief voor zulke depolitisering. De invulling ervan is niet aan intellectuelen – ze zouden maar ‘gevaarlijk’ genoemd worden – maar aan politici met een roeping. Zulke politiek is wezenlijk democratisch, want zonder alternatieven wordt het idee van vrijheid uitgehold – wat is vrijheid anders dan het hebben van alternatieven? Het democratische project van de moderniteit behelst dat de maatschappij tegen zichzelf in denkt. Utopische verbeelding is daarvoor een eerste kandidaat.

Elke utopie die mij bekend is, ziet zichzelf als het enige Alternatief

Willem Schinkel

Beste Willem,

Het ziet ernaar uit dat onze discussie meer in algemene zin over de utopie dan over jouw boek gaat. Die handschoen neem ik graag op, al is de ruimte voor zo’n breed onderwerp hier helaas beperkt. Misschien moeten we toch maar eens gezamenlijk solliciteren voor een vervolg op deze discussie in het kader van de grote manifestatie Utopia, die deze herfst in Leiden plaatsvindt.

Toch een opmerking vooraf. Ik weiger geframed te worden als een teleurgestelde utopist uit de jaren zeventig. In die tijd schreef ik De markt van welzijn en geluk, wat me, om het zacht te zeggen, door de utopisten uit die tijd niet in dank werd afgenomen. En aan de door Bolkestein geïnstigeerde cultuur van mea culpa heb ik nooit meegedaan. Integendeel, ik heb mij steeds openlijk bij herhaling een kind van de jaren zestig genoemd. Dat doe ik nu nog. Wel heb ik geprobeerd te achterhalen wat er toen mis ging naast het vele positieve waar ik in mijn achteruitkijkspiegel tevreden op terugblik. Voor mij ligt dit eerste in het utopisch denken en – in het verlengde daarvan – in de lichtvaardige manier waarop men in theorie maar soms ook in de praktijk met geweld omging.

Laat me met dit laatste thema, waar ook jouw indrukwekkende proefschrift over gaat, beginnen. Je verwijzing naar Benjamin en het messianisme roept onherroepelijk de associatie op met het door hem positief beoordeelde ‘goddelijke geweld’ dat met de komst van de Messias verbonden kan zijn. Het voorbeeld ervan is voor de Duitse filosoof ‘Gods gericht over de bende van Korach’, zoals dat beschreven wordt in het boek Numeri uit het oude testament. Korach, Nathan en Abiram hebben zich over de leider Mozes beklaagd en moeten daarom sterven. De grond splijt onder hen open en met hun have, vrouwen en kinderen worden zij verzwolgen. Wanneer de Israëlieten hierop verontwaardigd reageren, wordt het goddelijk geweld pas echt schrikwekkend. God zendt een plaag waardoor 14.700 mensen omkomen.

In jouw proefschrift Aspects of Violence bespreek je deze tekst van Benjamin uitvoerig en kritisch. Maar de schrik en de afkeer die ik erbij voel tref ik bij jou nergens aan. Voor mij zitten deze gevoelens inderdaad diep: in de meeste messianistische en utopische teksten die ik ken, proef ik een gewelddadigheid die mij doet huiveren. Ik geef graag toe dat de lichtvaardige theoretische omgang met geweld dat ingezet mocht worden voor het goede doel, waarvan in mijn omgeving in de jaren zestig en zeventig sprake was, mij hier parten speelt.

Een volgend thema: als we elkaar van inconsistenties gaan beschuldigen, moet mij toch wel van het hart dat ik die meen aan te treffen in jouw opmerkingen over Thatcher en het neoliberalisme. Je schrijft – en ik ben het daar helemaal mee eens – dat de huidige politiek in het verleden een radicaal alternatief was, dat nu gerealiseerd is. Dat is precies wat Thatcher verwoordde met haar ‘There is no alternative’. Er was namelijk maar één alternatief, dat voor Thatcher te vinden was in de utopie van Friedrich von Hayek.

Dit is een overbekend thema uit de geschiedenis van de utopie. Elke utopie die mij bekend is, ziet zichzelf als het enige Alternatief. Ik zie op dit punt echt geen enkel verschil met de werking van de utopieën van More en Fourier. Kort nadat de tekst van More verschenen was, begon een Spaanse humanistische bisschop in Mexico de indianen samen te brengen in dorpen die ontworpen waren volgens de voorschriften uit Utopia. Dit boek vormde voor hem geen breed utopisch vergezicht, waarbinnen zich verschillende mogelijkheden aftekenden, maar een blauwdruk die opgelegd moest worden. Dat geldt ook voor de Phalange, het beroemde utopische bouwproject van Fourier. Wie daar een millimeter van afweek, werd uit de beweging gegooid. Kortom: juist het kenmerk van de utopie is dat er geen alternatief is.

Jouw stelling dat ‘alle utopisme dat de utopie wil verwerkelijken geen utopie meer is’, lijkt ook de hele geschiedenis van de utopie te ontkennen. Ze lijkt mij inderdaad elitair, omdat ze onrecht doet aan de vele – soms, maar lang niet altijd – utopisch geïnspireerde revoltes en revoluties uit het verleden. Tot onze theoretische bagage uit de lange jaren zestig behoorden de nodige historische studies over revoltes en revoluties, van de Romeinse Plebejers tot het ontstaan van de Engelse working class. Wat mij is bijgebleven, is dat het hier nooit in de eerste plaats om brood ging, maar om morele waarden als maatschappelijke erkenning, zelfrespect en rechtvaardigheid.

Ik vind het cynisch om hier Brecht te parafraseren door te stellen dat het brood bijna altijd voor de moraal, de idealen en ook de utopie ging. Tussen twee haakjes Willem, ik hoop dat je uit deze laatste opmerking ziet dat ik ambivalent sta tegenover de werking van utopieën in de geschiedenis, die ik zeker niet alleen negatief beoordeel.

Hierbij aansluitend moet ik, op het gevaar af pedant te klinken, toch opmerken dat ik jouw verklaring van de term ‘utopie’ nog nergens in de literatuur ben tegengekomen. Het spannende bij More, die het begrip uitvindt, is dat het om een kruising gaat van eu-topos en ou-topos, de goede plaats en geen plaats. De meeste interpretatoren gaan er ook vanuit dat het hier om een modern verschijnsel gaat, waarbij een vast terugkerend punt is dat het gerealiseerd kan worden. Ik zou het op prijs stellen om ook over deze historische situering van het utopisch denken en handelen een keer uitgebreid verder van gedachten te wisselen.

Leven is het verleden steeds weer creatief inzetten in het permanent verbeelden van een toekomst die nog komen gaat

Hans Achterhuis

Beste Hans,

Je eindigt je laatste brief met het voorstel om van gedachten te wisselen over wat je noemt ‘de historische situering van het utopisch denken en handelen’. Dat lijkt me goed, want je brief mondt ook voor mij uit in vragen die daarmee van doen hebben. Hoe de utopie te denken? Wat doen we wanneer we utopische verbeeldingskracht aanwenden? Dat zijn de fundamentele vragen waarop we, getuige de uitwisseling van argumenten, van mening verschillen.

Ik wil daaruit vooral de relatie tussen denken en historisch bewustzijn belichten. Wat is, bijvoorbeeld, ‘de geschiedenis van de utopie’? Allereerst is dat een machtsgreep: een poging de geschiedenis te reduceren tot een afgesloten geheel van gebeurtenissen die min of meer objectief vast te stellen zijn, en waaruit vervolgens morele richtlijnen af te leiden zijn. Dat is immers wat je doet: je presenteert wat je noemt ‘de’ geschiedenis van de utopie, en leidt daaruit morele en politieke waarschuwingen voor ‘utopisch denken en handelen’ af.

De visie op de geschiedenis op basis waarvan dat gebeurt, is wat Benjamin de ‘mythische geschiedenis’ noemt: geschiedenis als een lineair verlopend geheel van gebeurtenissen, een ruïneus geheel van dode feiten.

Daartegenover stelt Benjamin het ‘dialectisch beeld’, waarin verleden en heden, als in een flits, samenkomen. Dat betekent dat er niet slechts één versie van de geschiedenis is. Wat geschiedenis is, is afhankelijk van het heden waarin het verbeeld wordt. Het verleden is niet een dood geheel dat eeuwig passief blijft; het is constructiemateriaal voor de verbeelding van de toekomst. Iets soortgelijks is bij Nietzsche te vinden. In Vom Nutzen und Nachteil der Geschichte für das Leben maakt hij een onderscheid tussen een ‘antiquarische geschiedschrijving’, die het verleden als een bak vol verzamelbare historische feiten ziet, en een geschiedschrijving die dienstbaar aan het leven is.

Als je dus ‘de geschiedenis van de utopie’ schrijft en daaruit denk- en handelingsimperatieven afleidt, bestrijd ik de hele mogelijkheid van je onderneming. Het hele idee dat More’s zestiende-eeuwse geschrift precies hetzelfde belichaamt als Fouriers negentiende-eeuwse phalansterieën komt op mij mythisch over. Het komt voort uit een denkhouding die het denken en de geschiedenis fundamenteel miskent – hoe dominant die denkhouding in de moderniteit ook zijn mag. Je beschrijft misschien de geschiedenis van een woord, maar zeker niet die van een concept.

Sterker nog, en dat is historiografisch zeker niet mijn uitvinding: ‘de’ geschiedenis is er niet. Er zijn partiële en partijdige perspectieven. Partieel omdat wie onderdeel is van de geschiedenis nooit de geschiedenis ‘objectief’, als van buiten, kan kennen, ook al omdat hij of zij blind is voor de eigen positie binnen de geschiedenis. Partijdig omdat kennis over de geschiedenis ingezet wordt voor particuliere doelen, zoals het pleidooi voor gedepolitiseerde politiek. Dat is wat jij noemt ‘een politiek van maat houden en simpel fatsoen’ – wat wonderwel parallel loopt met een neoliberale visie op een politiek zonder werkelijke alternatieven. Jouw kritiek op het neoliberalisme mondt zo uit in een visie op politiek die uitermate compatibel is met neoliberale politiek. De reden daarvoor is dat je de utopie fixeert en de productiviteit ervan voor het leven miskent.

Precies omdat de verbeelding van de werkelijkheid, ook die van de geschiedenis, onderdeel is van de werkelijkheid en van de geschiedenis moet die verbeelding niet streven naar het onmogelijke, zoals een objectieve weergave van de geschiedenis van de utopie. Die verbeelding hoort bij het leven en moet in dienst staan van dat leven. In dienst staan van het leven, dat betekent altijd: complexiteit waarborgen. En dat betekent contrasterende perspectieven ontwikkelen, alternatieven paraat houden, nooit vervallen tot het idee dat er geen fundamentele alternatieven zijn. Leven is permanent het ontwerp van zichzelf, dat mede via de verbeelding loopt van dat wat niet is maar toch kan oriënteren. Denken is daarom – en noodzakelijkerwijs – performatief. Het is geen verslag, maar een ingreep.

Zelfs wanneer denken claimt in het geheel niet in te grijpen, is het een machtsgreep die doorgaans, gehuld in de valse bescheidenheid van de neutraliteit, de legitimiteit van de bestaande orde bevestigt. Zo’n visie op de plaats van het denken geeft ruimte om valse utopische claims te ontmaskeren. Dus nee, het neoliberalisme is per definitie geen utopie, omdat we de utopie definiëren als een eu-topos die tegelijk een ou-topos is, een niet-plaats. Het laatste, atopische element betekent dat de utopie alleen maar als alternatief kan bestaan, en dat het nooit gerealiseerd kan zijn – laat staan het enig mogelijke. Het is niet zaak een objectieve geschiedenis van de utopie te schrijven en te constateren dat de claim van ‘neoliberalisme’ (van wie?) een gerealiseerde utopie te belichamen, correct is. Integendeel! Het gaat erom de utopie te behoeden voor zulke toe-eigening, die de potentialiteit van de utopie tot actualiteit reduceert.

Het gaat er in het denken om de wereld anders te conceptualiseren; niet haar op ‘objectieve’ wijze te conceptualiseren. Het gaat er niet om concepten te bevriezen en ze door de geschiedenis te volgen, maar ze actief mede te produceren! Het gaat er niet om geschiedenis te zien als dat wat alleen maar achter ons ligt, maar ook als dat wat steeds op creatieve wijze in het heden opgenomen moet worden. Daarin hebben wetenschap en filosofie een belangrijke rol als verbeeldingsmachines. Op het gevaar af iets te citeren dat niet tot ‘de literatuur’ over de utopie hoort, vind ik hier inspiratie in Donna Haraway wanneer die zegt dat ‘science has been utopian and visionary from the start; that is one reason “we” need it’.

Laten we dus vooral niet claimen te weten wat de utopie is. Laten we onderzoeken wat de potentie van de utopie is. Leven is het verleden steeds weer creatief inzetten in het permanent verbeelden van een toekomst die nog komen gaat. We hebben behoefte aan niet-plaatsen. Blijvende behoefte, dus wanneer geclaimd wordt dat we de niet-plaats bezetten, moet het denken de utopie heruitvinden, reconceptualiseren, terugkapen, weer vrij maken voor verbeelding van alternatieven. Het heden is niet het eindpunt van de geschiedenis. De utopie is het medium waarbinnen het heden, steeds weer, verschijnt als halverwege de reis. Dat is, heel fundamenteel, de onderkenning van leven: zich creatief ontwikkelend, steeds vooruitgrijpend op mogelijke toekomsten, altijd halverwege.

Willem Schinkel


De tentoonstelling Utopia 1900-1940: Visies op een nieuwe wereld, t/m 5 januari, Lakenhal, Leiden. Op 19 november organiseert De Groene Amsterdammer samen met De Lakenhal in SPUI25 een debat over utopisme in deze tijd: noodzaak of onmogelijkheid?