George Stubbs

Altijd het paard

George Stubbs was een groot paardenschilder, maar had eveneens een scherp oog voor sociale verhoudingen en menselijke ijdelheden.

NEW YORK – George Stubbs (1724-1806) hield van paarden, wat heet: hij was geobsedeerd door de beesten. Hij hield van hun knokige benen, van hun gespierde flanken, van hun glanzende vacht. Bij Stubbs is de knol altijd doel. Zijn paarden hebben geen retorische functie; het zijn geen generatoren van heroïek zoals de strijdrossen van Rubens, en ze hebben niet de doodsverachting van de uit modder en stof opgetrokken kolos waar Rembrandt zijn Poolse ruiter op neerplantte. Het zijn evocaties in de texturen van het paardenlichaam: van de vacht, van de ribben; van de pezen, de spieren, de aders; van de waaiervormige staarten en de vochtige ogen die manisch rollen in hun kassen.

Die anatomische kennis kwam Stubbs niet aanwaaien. Hij had een ijzeren wil en een maag van gewapend beton. In 1756 bivakkeerde hij achttien maanden in een boerderij in Noord-Lincolnshire waar hij zich onledig hield met het ontleden van paardenkarkassen. Niet gehinderd door de stank (als zoon van een Liverpoolse leerlooier was hij wel wat gewend) en de morbide aanblik van de blootliggende ingewanden stripte hij de beesten kaal tot op het bot. Zijn bevindingen publiceerde hij in The Anatomy of the Horse (1766): een verzameling gedetailleerde gravures – gefundenes Fressen voor schilders, wetenschappers én paardendokters.

The Anatomy of the Horse zette Stubbs in één klap op de kaart als dé paardenschilder van Engeland. Hij werd een graag geziene gast op de Britse landgoederen, waar hij edellieden portretteerde naast hun snelste renpaard of trouwste jachthond. Het dierenportret was voor de Britse aristocratie een beproefde manier om haar gecultiveerdheid te tonen – toch ogen de graven en de jockeys naast de imposante beesten vaak aandoenlijk iel.

Artistiek heeft Stubbs bij leven nooit veel waardering gekregen. De pas opgerichte Royal Academy riep het klassieke historiestuk uit tot toonbeeld van meesterschap en verbande het dierenportret naar de kelders van de artistieke hiërarchie. Zo kon het gebeuren dat Stubbs door een veel minder getalenteerde tijdgenoot als Henri Fuseli (die van die boze gnoom op een slapend wicht) werd afgeschilderd als een curieuze plaatjesmaker.

Wie de kleine tentoonstelling bekijkt die The Frick Collection in New York deze lente aan Stubbs wijdt, kan zich alleen maar verbazen over zoveel onbegrip. De zeventien schilderijen tonen niet zozeer een dierenschilder, als wel een schilder van het hele Engelse landelijke leven; een schilder bovendien die gezegend was met een scherp oog voor sociale verhoudingen en menselijke ijdelheden.

Stubbs maakte zijn opdrachtgevers nooit echt belachelijk, hij schilderde ze met milde ironie. Kijk maar eens naar Thomas Smith Senior and Thomas Smith Junior of the Brocklesby Hunt, with the Hound Wonder (1776), waarop vader en zoon Smith gezellig een dagje uit rijden zijn. Hoewel, gezellig? Junior zit fier in het zadel en heeft er duidelijk zin in, maar Senior hangt op zijn ros als een ingedeukte zak aardappelen. Het is het bekende verhaal van tanende macht, en hongerige nieuwe generaties. Zoon verslaat vader. Oedipus op hoeven.

George Stubbs: A Celebration opent met een portret van een guitig aapje dat bezig is een perzikboom leeg te snaaien, de toeschouwer schuldbewust aankijkend. Het schilderij heeft iets van een statement, en zo is het waarschijnlijk ook bedoeld. Niet alleen maakt het korte metten met Stubbs’ imago als schilder van louter paarden (hij schilderde ook leeuwen, cheeta’s, maki’s, elanden en zelfs een neushoorn), ook kan het gelezen worden als metafoor voor de taak die de schilder zich had gesteld. De schilderkunst is altijd de aap van de natuur geweest en ‘to peach’ stond voor de Britten gelijk aan voor de gek houden – in dit geval: voor de gek houden met kwast en verf.

Lukt dat? Half. Stubbs’ stofbeheersing en anatomie zijn superieur, maar zijn gevoel voor verhouding laat hem nogal eens in de steek. Op A Lion and Lioness (1778) is de kop van de leeuwin veel te klein voor het lichaam, en lijkt de leeuw op de achtergrond door de onhandige plaatsing wel een jonkie terwijl de manen toch echt duiden op een volwassen mannetje. Ook heeft Stubbs moeite met de suggestie van beweging: zijn voorstellingen staan stil. Een paard in volle galop stelde hem voor grote problemen. Hij schildert het dan ook altijd in dezelfde positie: de voorpoten naar voren, de achterpoten naar achteren, voetjes van de vloer. Een exacte registratie van een dravend paard zou pas een eeuw later mogelijk worden, toen Edward Muybridge zijn bekende fotoserie publiceerde.

Stubbs was toen al lang vergeten.

George Stubbs (1724-1806): A Celebration

The Frick Collection, New York, tot en met 27 mei