Hoofdcommentaar

Altijd homodag, altijd papadag

De ChristenUnie schuifelt ideologisch schoorvoetend richting 1968. In dat jaar kantelde de samenleving in het voordeel van de homo- en vrouwenemancipatie. Bij wet werd bepaald dat vrouwen binnen het huwelijk niet langer ondergeschikt zijn aan de man. Homoseksuelen begonnen met hun coming out hun seksuele geaardheid aan de buitenwereld te tonen. Liefde voor de eigen sekse: voor behoudende christenen bleef het een zondige gruwel. En vrouwen die huis en haard verlieten om hun échte baan in te wisselen voor betaald werk, konden beter uit de kerkbanken wegblijven.

Veertig jaar later is de worsteling met deze twee groepen bij de ChristenUnie zichtbaar. Het rapport van de Commissie Representatie van de ChristenUnie is een product geworden van verlegenheid met homoseksualiteit.

Als regeringspartij doet de ChristenUnie water bij de wijn. Een homovijandig imago kan de partij zich ten opzichte van de coalitiepartners niet permitteren. Homo’s weigeren kan bovendien botsen met de discriminatiewetgeving. Tegelijkertijd moeten de orthodoxe broeders en zusters die een strikte bijbeluitleg naleven, niet geschoffeerd worden. Voor hen is sodomie een grotere zonde dan diefstal.

De commissie heeft zich gebogen over het probleem of homoseksuelen een politieke functie in de partij mogen bekleden. Alleen al die vraag opwerpen, illustreert dat de partij erkent dat zich óók binnen de eigen gelederen sodomieten bevinden.

Maar uit de conclusie van dit onderzoek blijkt hoe heikel het onderwerp blijft. Ja, een homo kan en mag een zetel namens de ChristenUnie bezetten. Homo’s moeten zich zelfs ‘veilig en welkom’ voelen binnen de partij. De homoseksuele praktijk verdient formeel geen genezing meer. Maar evengoed dient de seksuele geaardheid van een afgevaardigde niet te botsen met de partijlijn, die hij ‘geloofwaardig’ dient uit te dragen. Hoewel partijleider en vice-premier André Rouvoet zegt dat de partij met dit rapport ‘een duidelijke keuze heeft gemaakt’, zal dit onderwerp in de praktijk knap lastig blijven. Bij een sollicitatieprocedure wordt geen ‘zondelijst’ gehanteerd, maar zal wel de ‘levenswijze’ van de sollicitant worden meegewogen. Daar blijft het uitgangspunt de Bijbel, waarin onder meer het verhaal van de verderfelijk mannen van de stad Sodom. En dat betekent in praktijk: als christenhomo met politieke ambities kun je maar beter geen partner hebben of nichterig gedrag vertonen. Beter zwijgen dan jokken. Voor de kerkganger is het homostandpunt bovendien meer dan vaag en zal het ongetwijfeld leiden tot twisten en klassieke huichelarij.

En dan de kwestie van werkende vrouwen. In zijn hoedanigheid van minister van Jeugd en Gezin kan Rouvoet ook op dat vlak niet anders dan pragmatisch opereren. De vrouw met een sloot kinderen thuis is wensdenken van vóór ’68, en hij zal dat dan ook niet bepleiten. Maar Rouvoet, zelf vader van vijf kinderen, streeft wel naar méér baby’s (nu gemiddeld 1,7) om straks de kosten van de vergrijzing op te vangen. Dan moet hij ook realistisch zijn over oplossingen die passen bij werkende ouders.

Op de Gezinsconferentie 2008, getiteld De kracht van het gezin, zei Rouvoet vorige week dat hij een tiendaags kraamverlof voor vaders wil bestuderen. Dat idee komt niet voort uit de koker van de Haagse politiek – daar vergt het kinderopvangdebacle nu alle aandacht – maar uit de weerbarstige dagelijkse realiteit van werkgevers en werknemers. Het internationale bedrijf PricewaterhouseCoopers voerde onlangs een tiendaags verlof voor vaders in.

Nu is de landelijke bepaling twee dagen. Dat is een wettelijk gedrocht en niet meer van deze tijd. Het kind is geboren, de vader mag twee dagen aan de nieuwe geur in huis wennen en dan weer snel terug naar de werkvloer, de moeder achterlatend met een kloeke kraamhulp die het heft thuis in handen neemt. Met het korte verlof voor vaders wordt de kiem gelegd voor de latere zorgverhoudingen in het gezin. Zestig procent van de werkende vrouwen werkt in deeltijd, zodat zij de rest van de werkweek zelf de verantwoordelijkheid voor de kinderen kunnen nemen. De meerderheid van de mannen daarentegen blijft fulltime werken. Nemen zij de opvang van hun kinderen voor hun rekening, dan heet dat ‘oppassen’ en de verloren werkdag heet ‘een papadag’.

Die kloof in verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheidsgevoel tussen mannen en vrouwen wil Rouvoet best onder ogen zien. Hij toont zijn beste wil: hij zal werkgevers aanspreken op ‘hun welbegrepen eigenbelang’ om werknemers te binden met manieren om werk en gezin bestendig te combineren. Maar dat is het maximum, en dat schiet natuurlijk niet op.

De houding van de politicus Rouvoet is zo christelijk zuinig. Geen royale acceptatie van homoseksualiteit en geen erkenning van het geschipper van werkende ouders. Wat is het belang van het kind? Dat het zich in de puberteit niet hoeft te schamen voor zijn seksuele voorkeur. En van het gezin: dat vaders alle ruimte krijgen om er voor hun kinderen te zijn. Homodag en papadag moeten elke dag mogelijk zijn – en geen afwijking van de norm. Zodat die irritante termen uiteindelijk kunnen worden afgeschaft.