Altijd honger

In jeugdboeken wordt met regelmaat aandacht besteed aan de slechte positie van kinderen in derdewereldlanden, aan lijmsnuivende zwervertjes in de grote steden, kinderarbeid en analfabetisme. Het feit dat het ruim een eeuw geleden bij ons niet zo veel beter was, blijft tamelijk onderbelicht. Els Pelgrom schreef met Voor niks gaat de zon op (1982) een mooi verhaal over een dwars gebakken meisje dat een dienstje krijgt bij de rijken. En het schrijverscollectief gaf in 100 jaar geleden (1979) een levendig beeld van de sociale ongelijkheid in de negentiende eeuw. En natuurlijk hebben wij Afke’s tiental (1903), maar dat is armoede met een gouden randje.

Alle kleuren grijs van Kathleen Vereecken speelt eind vorige eeuw in Gent en is gebaseerd op de herinneringen van de overgrootmoeder van de schrijfster. Veertienjarige Lotte werkt als oudste dochter van een groot gezin in de vlasfabriek: om vijf uur op, tot ’s avonds ploeteren in een vochtige, ongezonde omgeving, nooit uitgeslapen en altijd honger. De op macht beluste voorman kan zijn handen niet thuis houden. Voor meisjes is het de eerste zorg niet zwanger te worden, zonder dat iemand precies duidelijk kan maken hoe dat in zijn werk gaat. De jongen die Lotte het hof maakt is een hartstochtelijke socialist die gelooft in onderwijs voor kinderen en in een wet die verhindert dat acht-, negenjarigen hun kindertijd overslaan in de fabrieken. In dat streven vindt hij zijn aanstaande schoonouders tegen zich, die alleen kunnen denken in termen van monden vullen en die zelf op nog jongere leeftijd aan de machines moesten.
Vereeckens verhaal heeft overeenkomsten met dat van Louis Paul Boon over de rode priester Daens, maar het politieke element speelt een aanzienlijk minder belangrijke rol en het perspectief is hier dat van een vrouw. Zonder literaire pretentie geeft de schrijfster een documentair getint beeld van het kinderbestaan, honderdtwintig jaar geleden. Ze weet dat mooi persoonlijk en huiselijk te kleuren door haar Lotte dicht op de huid te zitten: hoe voelt het om ’s ochtends nog even in de warmte van de andere kinderlijven te blijven liggen of om je kapotte werkhanden in de urine te houden, opdat je geen waterkanker krijgt. Er zijn de raadselachtige en beangstigende vrouwendingen als de eerste menstruatie en de miskraam van moeder, de opwinding van de kermis en de eerste zoen en het verdriet om een dood broertje.
Dat alles wordt rechttoe rechtaan verteld in een taal waar het Vlaams van alledag in doorklinkt. De krant is het gazet, de markt de foor, men gaat op café en een vriendin zegt streng: ‘Gij moet niet iedereen zijn goesting laten doen met u.’ De schrijfster weet compassie met haar hoofdpersoon op te roepen en daarnaast het beeld van een generatieconflict, dat heel anders is dan dat in de gestaag groeiende stapel jongerenromans. Daar worden hedendaagse vrijheden bevochten op het gebied van de disco, schoolprestaties en seksuele activiteit. Hier draait de strijd met de ouders om niet je hele leven te hoeven ploeteren ter wille van andermans welstand. Dat is een wezenlijk ander verhaal, dat onze twintigste-eeuwse verbazing en ontroering weet te wekken.