Na Syrië en de ‘moeder aller bommen’

Altijd in oorlog

Donald Trumps ‘America First’-nationalisme blijkt hem geenszins te weerhouden van militair ingrijpen in andere soevereine staten. Wat is er nog over van de traditie van Amerikaans isolationisme?

Medium 27792843503 b820b45a85 o
De geleide-raketonderzeeër USS Ohio arriveert in Busan, Zuid-Korea, 2016 © cWesley J. Breedlove / U.S. Navy / photo by Mass Communication Specialist 3rd Class

Hup met d e bommen en granaten. Zo ongeveer zou je de reactie kunnen samenvatten in de Amerikaanse politiek en mainstream media op het recente wapengekletter van president Donald Trump in het Midden-Oosten. Afgelopen donderdag dropte de Amerikaanse luchtmacht in Afghanistan de zwaarste niet-nucleaire bom ooit, de gbu-43/b Massive Ordnance Air Blast, afgekort de Moab en in de media liefkozend de mother of all bombs genoemd. Beelden van de ontploffing, waarbij 94 IS-strijders zouden zijn gedood, inspireerden een presentatrice op de rechtse tv-zender Fox News tot het commentaar: ‘Die video is in zwart-wit, maar wat je ziet zijn de kleuren van de vrijheid; dat zijn het rood, wit en blauw.’ Op de liberale tv-zender msnbc is de toon nauwelijks anders. Na de Amerikaanse luchtaanvallen op Syrië haalde anchorman Brian Williams zonder enige ironie een citaat van wijlen Leonard Cohen aan: ‘I am guided by the beauty of our weapons.’

Niet alleen waren beide militaire acties een succes, wat dat ook moge betekenen, ze waren ook prachtig. En waar Trumps presidentschap tot voor kort van alle kanten werd bekritiseerd, heette zijn gedrag plots ‘presidentieel’. Na hem maandenlang te hebben beschreven als een circusclown verklaarde buitenlandcommentator Fareed Zakaria op cnn, vlak na de aanval op Syrië: ‘Ik denk dat Donald Trump gisteravond president van de Verenigde Staten is geworden.’ Zo dringen tegengeluiden – of die nu van links (Glenn Greenwald, Corey Robin, Naomi Klein) of van alt-rechts (Ann Coulter, Richard Spencer) komen – nauwelijks tot de massa door.

In de politiek gaat het niet anders. In de doorgaans verdeelde Senaat schaarden Democraten én Republikeinen zich opeens achter de president. Niet dat er geen kritiek was. Zo wezen ter linkerzijde de senatoren Elizabeth Warren en Bernie Sanders op het ontbreken van een eindstrategie en toestemming van de internationale gemeenschap, en de libertarische Republikein Rand Paul verklaarde dat Trump toestemming aan het Congres had moeten vragen. Deze dissidenten baseerden hun kritiek echter niet of nauwelijks op een afkeer van militair geweld per se.

Dit alles schept, of bevestigt, het beeld van Amerika als een land dat graag oorlog voert of in ieder geval geen negatieve connotaties heeft bij militair en dodelijk ingrijpen buiten de eigen landsgrenzen. De in 2010 overleden historicus en publieke intellectueel Tony Judt verklaarde in 2008 de Amerikaanse oorlogszucht als volgt: ‘Vergeleken met de overige voorname strijdmachten van de twintigste eeuw hebben de Verenigde Staten relatief weinig soldaten op het slagveld verloren en bijna geen slachtoffers onder de burgerij gehad. Het gevolg daarvan is dat Amerika het enige ontwikkelde land is dat nog steeds het leger verheerlijkt en bejubelt, een vertrouwd sentiment in het Europa van voor 1945 maar tegenwoordig nagenoeg verdwenen.’ Dit is volgens Judt onder meer zichtbaar in ‘Amerikaanse politici en staatsmannen die zich omringen met symbolen van militaire moed’ – denk aan George W. Bush die na de invasie in Irak in een stoer pilotenjack op een vliegdekschip landde om ‘mission accomplished’ te verkondigen –, ‘terwijl commentatoren zich honend en minachtend uitlaten over landen die aarzelen zich in gewapende conflicten te mengen’.

De krijgszucht binnen het politieke en media-establishment leeft echter in veel mindere mate onder het Amerikaanse publiek. Weliswaar keurde 57 procent van de ondervraagden in een CBS News-peiling de luchtaanval in Syrië goed, maar dat bleek vooral ingegeven door walging over het vermeende gebruik van chemische wapens door het regime van Assad tegen burgers. Slechts achttien procent staat open voor grotere militaire betrokkenheid van de VS in Syrië, terwijl 41 procent aangeeft geen enkel militair ingrijpen te steunen. En mocht Trump opnieuw militair willen interveniëren, dan vindt zeventig procent dat hij daarvoor eerst toestemming aan het Congres moet vragen.

Het is het zoveelste voorbeeld van een fenomeen dat in de politieke wetenschap al jaren wordt aangestipt (en dat nagenoeg genegeerd wordt in de mainstream media): de discrepantie tussen publieke opinies en daadwerkelijk beleid. Het onderzoek op dit terrein toont onder meer aan dat het politieke establishment de onderste zeventig procent op de inkomensschaal negeert. ‘Hun opinies hebben geen invloed op beleid’, concludeerde Noam Chomsky in een eerder interview met De Groene. ‘Wie iets meer verdient, krijgt een beetje invloed. Maar het is een fractie van de één procent die de basis van het beleid bepaalt. Beleid houdt dus nauwelijks verband met de opinies van de bevolking. Dat zie je terug in de stemming in het land – van de boze extremisten ter rechterzijde tot aan de overblijfselen van wat ooit links was.’

‘Amerikanen maken zich alleen druk om economische kwesties. Militaire conflicten buiten eigen land vallen daar niet onder’

De historicus Brian Linn, als specialist in Amerikaanse militaire geschiedenis verbonden aan Texas A&M University, verwacht niet dat deze discrepantie snel tot grote onvrede zal leiden als het gaat om militaire interventie. ‘Amerikanen maken zich alleen echt druk om economische kwesties. Militaire conflicten buiten de eigen landsgrenzen vallen daar in hun ogen niet onder.’ Hij voegt eraan toe: ‘Als ik heel eerlijk ben: de meeste Amerikanen zijn sowieso niet bijzonder geïnteresseerd in het buitenland.’

Die relatieve onverschilligheid inzake militaire interventies zette halverwege de jaren zeventig in, toen de dienstplicht na het debacle in Vietnam werd afgeschaft, en raakte in een stroomversnelling na de val van de Muur in 1989, vertelt Linn. ‘De welvarende jaren negentig braken aan, waarin Amerika geen vijanden meer had en de liberale democratie wereldwijd de ideologische strijd zou hebben gewonnen.’ Ook andere factoren speelden een rol, zegt hij, zoals de enorme Amerikaanse militaire overmacht, met dank aan ’s werelds grootste militaire budget en technologische ontwikkelingen die oorlogshandelingen eerder een videospelletje doen lijken dan het dodelijke spel dat het in werkelijkheid is.

De aanslagen van 11 september 2001 vergrootten de desinteresse in overzeese oorlogen alleen maar verder, zegt Linn. ‘9/11 was een vrijbrief om landen aan te vallen die de neoconservatieven in de Bush-regering toch al in het vizier hadden. President Bush zei op nationale tv dat iedereen gewoon lekker moest gaan winkelen. Dat deed men.’ De publieke onverschilligheid over het buitenlandbeleid heeft volgens Linn een ironisch neveneffect: ‘Er is geen voedingsbodem en passie meer voor isolationisme, ooit een invloedrijke stroming in het nationale debat.’

Amerika werd pas in 1898 een mondiale militaire macht, hoewel nog geen toonaangevende, zegt Linn. ‘Dat was toen het de imperiale veroveringen van Cuba en de Filippijnen deed en in China intervenieerde. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het echt een dominante militaire wereldmacht. In het kader van de Koude Oorlog stationeerde het troepen overal ter wereld om de Sovjet-Unie en China te confronteren.’

Gelijktijdig met de opkomst van de Amerikaanse militaire macht deed isolationisme zijn intrede. Linn: ‘Meteen na de Burgeroorlog (1861-1865 – mvg) ontstond een tweedeling in militaire kringen. De marine vertoonde sterke imperiale neigingen, terwijl het leger sterk isolationistisch of continental was. Die tweedeling reflecteerde de sentimenten van de bevolking en hield aan tot ver na de Tweede Wereldoorlog.’ Veel prominente figuren uit het America First Committee, dat in 1940 werd opgericht en Amerika uit de Tweede Wereldoorlog wilde houden, waren legerofficieren.

Na de Tweede Wereldoorlog was het volgens Linn nog lang niet gedaan met de invloed van het isolationisme. ‘De populariteit van president Truman was tijdens de oorlog in Korea (1950-1953 – mvg) nog kleiner dan die van de jonge Bush tegen het einde van zijn ambtstermijn, of die van Trump nu. Mensen waren oorlog zat.’

‘Trump heeft geen serieuze ideeën over de Amerikaanse rol

Ondanks die afwijzende publieke opinie is Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog vrijwel onafgebroken in oorlog geweest dan wel betrokken bij militaire interventies of staatsgrepen. Dit kan moeilijk los worden gezien van wat president Dwight Eisenhower in zijn afscheidsspeech in 1961 de invloed van het ‘militair-industriële complex’ noemde, denkt Linn: ‘Eisenhower had de nominatie van de Republikeinse Partij gewonnen na een spannende strijd met Robert Taft, een uitgesproken isolationist. Hij was zich ervan bewust dat het Amerikaanse volk geen oorlog wilde. Dus was hij zeer behoudend met het gebruik van militaire macht. Hij viel Cuba niet binnen toen Castro daar aan de macht kwam, steunde de Hongaarse Revolutie van 1956 niet en hielp de Fransen niet in Vietnam.’

Maar Eisenhower voelde de druk vanuit de militaire industrie wel degelijk, zegt Linn: ‘Onder hun invloed maakte hij van Amerika wel een nucleaire macht. En dat legde de basis voor verdere militarisering van het presidentschap onder Kennedy, Johnson en Nixon.’

Volgens sommige historici was de zogeheten Colin Powell-doctrine een verkapte terugkeer naar het isolationisme. Linn twijfelt: ‘Powell formuleerde na 9/11 zeer strikte regels voor wanneer de VS zouden moeten ingrijpen in andere landen. Daarbij hoorde ook dat Amerikaanse grondtroepen nooit lang genoeg zouden blijven om als bezettingsmacht te worden gezien. Dat zou je als een vorm van isolationisme kunnen zien. Het probleem is alleen dat vervolgens het tegenovergestelde gebeurd is in Afghanistan en Irak.’ Een ander deel van de Powell-doctrine was dat Amerika in actie komt als het is aangevallen, zegt Linn. ‘Amerika was op 9/11 weliswaar aangevallen, maar niet door die staten.’

Met de verkiezing van Donald Trump leek het even of het isolationisme alsnog een comeback ging maken in de Amerikaanse politieke arena. Een belangrijk aspect van zijn campagne was immers het ‘America First’-nationalisme dat hij propageerde, een term die hij uiteraard geleend heeft van de gelijknamige isolationistische beweging uit 1940. Brian Linn heeft er nooit in geloofd: ‘Voor Trump heeft de term vooral economische betekenis. Het staat niet voor een geopolitieke doctrine of iets dergelijks.’ Die heeft Trump sowieso niet, aldus Linn. ‘Ik geloof niet dat hij serieuze ideeën heeft over de Amerikaanse rol op het wereldtoneel, behalve dat we niet zwak mogen overkomen. Dus riep hij tijdens rally’s dingen als “we are going to bomb the shit out of IS”, maar ook dat we alleen militair ingrijpen als het nationale belang direct in het geding is. Wel moet het militaire budget omhoog vanwege de dreiging van terrorisme. Er is geen touw aan vast te knopen.’

Linn begrijpt dat een deel van Trumps ultrarechtse aanhang teleurgesteld is over de luchtaanvallen in Syrië. ‘Zij steunden hem omdat hij de indruk wekte hun belangen boven buitenlandse belangen te stellen. America First. Daar hoort inmenging in een burgeroorlog in het Midden-Oosten niet bij. Die mensen voelen zich door hem verraden.’ Dat zijn ze ook, zegt Linn. ‘Maar uiteindelijk is dit geen invloedrijke groep. Dat weet Trump ook.’

Ook Peter Feaver, als specialist in civiel-militaire relaties verbonden aan Duke University en lid van de Council on Foreign Relations, denkt niet dat Trump ooit oprecht was in zijn isolationisme. ‘Rand Paul was dat wel tijdens de Republikeinse campagne, maar Trump nam het thema handig van hem over. Nu zien we dat Trumps presidentschap meer traditionele vormen aanneemt’, constateert de voormalige veiligheidsadviseur (2005-2007) van president George W. Bush verheugd. ‘Dat betekent dat Amerika een leidende rol neemt als een situatie, zoals nu in Syrië, om militair ingrijpen vraagt.’

op het wereldtoneel, behalve dat we niet zwak mogen overkomen’

Sinds het einde van de Koude Oorlog hebben Amerikaanse presidenten, al dan niet met toestemming van het Congres en zelden met instemming van de internationale gemeenschap, oorlog gevoerd in uiteenlopende landen, waaronder Irak (tweemaal, in 1991 en 2003), Somalië, Bosnië, Kosovo, Afghanistan en Libië. Vaak genoeg maakten deze interventies de bewuste situaties niet bepaald beter, waarvan de afzetting van Muammar Kadhafi in Libië wellicht het sprekendste voorbeeld is: na Barack Obama’s interventie volgden zes jaar van chaos, burgeroorlog en de opkomst van een tak van IS.

Niet dat dit de winnaar van de Nobelprijs voor de vrede van 2009 tot een isolationistische duif transformeerde. In Obama’s laatste jaar als president, zo berekende nationale-veiligheidsspecialist Micah Zenko onlangs op de website van de Council on Foreign Relations, dropten de VS 26.172 bommen in Afghanistan, Irak, Syrië, Pakistan, Jemen, Somalië en Libië, waarvan het merendeel (24.287) in Irak en Syrië, in het kader van Operation Inherent Resolve (oir), de campagne tegen IS. De Amerikaanse mainstream media maakten er niet veel woorden aan vuil, zoals deze bombardementen ook niet tot grote debatten in het Congres hebben geleid.

Net als Linn denkt Feaver dat isolationisme dan ook geen grote rol meer speelt in het Amerikaanse politieke leven, alleen heeft dit volgens hem weinig te maken met de invloed van het militair-industriële complex of de afschaffing van de dienstplicht en het invoeren van een beroepsleger. ‘Na de Tweede Wereldoorlog zagen ook isolationisten in dat de kosten van afzijdigheid te hoog zijn. Amerika was nooit als militaire en economische supermacht uit die oorlog gekomen als we ons afzijdig hadden gehouden. Sindsdien is isolationisme geen optie meer. Daar is de wereld ook te groot voor geworden.’

Isolationisme mag dan als intellectuele stroming nauwelijks nog invloed hebben, in menig opzicht is Amerika geïsoleerder van de wereld dan ooit, stipt Linn aan. ‘Niet in cultureel of economisch opzicht’, voegt hij eraan toe. ‘Maar wel in geopolitiek en moreel opzicht. De ironie daarvan ontgaat me niet.’ Die geïsoleerdheid uit zich onder meer in Amerika’s onwrikbare steun voor Israël. Onlangs nam de Veiligheidsraad Resolutie 2334 aan, de zoveelste oproep aan Israël om een einde te maken aan de onwettige nederzettingen op Palestijns en Arabisch grondgebied. Twaalf landen stemden voor, alleen Amerika onthield zich van stemming. En Israël wist: ons zal geen strobreed in de weg worden gelegd.

Waar Amerika ook steeds meer alleen in staat is klimaatverandering, een kwestie die uiteraard ook geopolitieke gevolgen heeft. Waar het land zich onder Obama in elk geval in woord bereid toonde klimaatverandering serieus te nemen, is dit onder Trump overboord gegooid. De Environmental Protection Agency, de milieuwaakhond van de VS, wordt geleid door de klimaatscepticus Scott Pruitt. Minister van Buitenlandse Zaken Rex Tillerson is een oud-ExxonMobil-topman. En het Congres wordt gedomineerd door de Republikeinen, die in meerderheid ontkennen dat de mens een hand heeft in klimaatverandering, als ze het bestaan van klimaatverandering überhaupt erkennen.

Nog een paar vlakken waarop de Amerikanen zich onderscheiden, vooral van hun westerse bondgenoten: de massale gevangenzetting van eigen burgers (vooral minderheden), de losse wapenwetten (en de vele vuurwapendoden), het vasthouden aan de doodstraf en het gedogen van martelen. Voeg daarbij de oorlogen in Afghanistan en Irak, de ruim achthonderd Amerikaanse militaire bases verspreid over de hele wereld en het onder Trump opgeschroefde antagonisme jegens Rusland (na een vriendelijk begin), Noord-Korea en China en het is niet meer dan logisch dat in de rest van de wereld de Verenigde Staten (24 procent) als de grootste bedreiging van de wereldvrede worden gezien, zo bleek uit een mondiale peiling door WIN/Gallup, op ruime afstand gevolgd door Pakistan (8 procent), China (6 procent), Noord-Korea, Israël en Iran (5 procent). Zelf zien de Amerikanen Iran als grootste bedreiger van de wereldvrede.

Natuurlijk is de geopolitieke isolering van Amerika niet volledig, schreef Noam Chomsky in december 2016: ‘Zoals erg duidelijk werd uit de reactie op Trumps verkiezingsoverwinning kunnen de VS rekenen op de enthousiaste steun van xenofobisch ultrarechts in Europa, inclusief zijn neofascistische elementen.’ In dat rijtje passen volgens Chomsky tevens rechts in Latijns-Amerika, de dictaturen van de Golf en Egypte, en natuurlijk Israël en de autoritaire regimes die zich niet druk maken om de schending van mensenrechten door dat land.

De linkse intellectueel ziet zo een nieuwe wereldorde ontstaan die er heel anders uitziet dan de heersende doctrines ons doen geloven, waarin Amerika als leider van de vrije wereld een ‘kracht voor het goede’ is. Chomsky: ‘Meteen na de verkiezing van Trump zagen we hoe de Duitse bondskanselier Angela Merkel het voortouw nam door Washington de les te lezen over liberale waarden en mensenrechten. Inmiddels kijkt de wereld naar China voor leiderschap in het redden van de wereld van een klimatologische catastrofe, terwijl de VS, wederom in schitterende geïsoleerdheid, zich wijden aan het ondermijnen van deze pogingen.’