Het lot van de eendagshaan

‘Altijd maar die schaduw van die haantjes over ons heen’

Hoewel iedereen wil dat het doden van eendagshaantjes stopt, worden wereldwijd jaarlijks nog steeds vijf miljard kuikens vergast of verhakt. Nieuw onderzoek lijkt een uitweg te bieden.

Elke dag dat je een haankuiken niet meer hoeft te voeren is een besparing © Ricardo Rojas / REUTERS

Zelfs bij een voorzichtige schatting zijn de cijfers ontzagwekkend: wereldwijd vijf miljard kuikens per jaar. Bijna veertien miljoen per dag. Die donzige, gele diertjes waar we prentenboeken mee vol zetten. ‘Piep piep’ is het geluid dat ze maken, vertellen we onze kinderen. Met Pasen liggen vitrines bezaaid met knuffels ervan. Op kinderboerderijen kun je kuikens vasthouden, ermee knuffelen. Van de naïeve Calimero tot het oude 3FM-logo: kuikens zijn een symbool van nieuw leven, schattigheid en onschuld.

Vijf miljard, dus. Zoveel kuikens – haantjes – gaan elk jaar op de eerste dag dat ze uit het ei kruipen in de vergasmachine of de verhakselaar. Of je nou biologische eieren koopt, biodynamische of de goedkoopste in het supermarktschap. Bij vrijwel alle soorten eieren worden in de lange keten van de leghenindustrie haantjes gedood.

Een ‘bijproduct’, zo heten de haantjes in die miljoenenindustrie. Die heeft er niets aan. Haantjes leggen geen eieren. En het zijn kuikens van een andere soort dan die de vleessector gebruikt, waardoor het vlees taaier is en het meer kost ze groot te brengen. Dus daar gaan ze, nadat ze uit het ei komen en het geslacht is bepaald. Met zijn tientallen tegelijk de shredder in.

En dat gebeurt al zo’n vijftig jaar. Het kuikendodenprobleem is een steeds terugkerende discussie in Nederland en andere westerse landen. In 1993 al stuurden boze dierenartsen een brief naar de regering met de oproep aan deze praktijk een halt toe te roepen. In 2008 gaf toenmalig minister van Landbouw Gerda Verburg (cda) de Wageningen Universiteit (wur) opdracht onderzoek te doen naar alternatieven. De laatste maanden lijkt opnieuw beweging te komen in de discussie. In Zwitserland is per dit jaar het shredderen van kuikens verboden (vergassen niet). Frankrijk kondigde in januari een versnipperverbod af vanaf eind 2021. Supermarktketen Aldi wil in zijn Duitse winkels vanaf 2022 geen eieren meer hebben waarvoor haantjes zijn gedood.

In Nederland tekenden landbouworganisatie lto, de Dierenbescherming, politiek en bedrijfsleven zes jaar geleden al een convenant waarin ze zich toelegden op onderzoek naar een alternatief en beloofden, als dat alternatief er eenmaal is, het ook daadwerkelijk toe te passen in de kuikenbroederijen.

En toch. Het grootschalig doden van haantjes gebeurt nog steeds. In Nederland, waar kuikens niet verhakseld maar wel vergast worden, gaat het om veertig miljoen kuikens per jaar. Hoe kan dat, terwijl er al zo lang discussie over is? Wie je ook spreekt – wetenschap, dierenwelzijnsorganisaties, maar ook de industrie zelf – allemaal zeggen ze: we willen dat dit stopt. En daarna: een oplossing is echt dichtbij.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast gaat Kees van den Bosch in gesprek met Guus Ritzen over de vijf miljard haantjes die wereldwijd direct na hun geboorte worden gedood. Hoe kan dit voorkomen worden en wat zijn de ethische dilemma’s? Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Het doden van eendagshaantjes is een gevolg van het alsmaar intensiever worden van de pluimveehouderij in de twintigste eeuw, zegt Bart Gremmen. Als hoogleraar ethiek in levenswetenschappen aan de wur houdt hij zich al jaren bezig met het haantjesprobleem. Eerstejaarsstudenten dierwetenschappen die zijn vak volgen, krijgen de opdracht mee te denken aan een oplossing voor het vraagstuk.

Voor de Tweede Wereldoorlog had een boer maximaal tientallen kippen, zegt Gremmen. Die werden voornamelijk gebruikt voor eieren. Vlees was duur. Legden de kippen geen eieren meer, dan slachtte de boer ze. ‘Na de oorlog nam de vraag naar voedsel toe. Ontwikkelingen op het gebied van voeding, stallenbouw, vaccinaties en antibiotica maakten het mogelijk tienduizenden kippen per bedrijf te houden.’ Zo werden eieren en vlees goedkoper. Dat wakkerde de vraag aan, wat weer de productie opjoeg. Pluimveebedrijven werden massabedrijven.

Bovendien: wetenschappers ontdekten dat je met genetische selectie kon doorfokken op bepaalde gewenste eigenschappen van een kip. In de pluimveehouderij ontstond een tweesprong. Met aan de ene kant legkippen, die werden doorgefokt op het leggen van zo veel mogelijk eieren in zo weinig mogelijk tijd. En aan de andere kant vleeskippen, die snel groeiden en binnen een paar weken veel filet aan de botten hebben.

Intussen hadden pluimveehouders geleerd hoe je kuikens kort nadat ze uit het ei komen kon ‘seksen’, dat wil zeggen het geslacht ervan bepalen. Voorheen zat er niks anders op dan de haantjes groot te brengen en ze te slachten. Nu konden de boeren ze vrijwel direct uitselecteren. Dat maakte het houden van kippen weer een stapje efficiënter. Elke dag dat je een haankuiken niet meer hoeft te voeren, is een besparing.

Zie daar het lot van de haantjes in de leghenindustrie. Het doorfokken en de specialisatie in leghennen en vleeskippen betekende dat uit legkippen geboren haantjes geen economisch nut meer hadden. De beste oplossing: ze zo snel mogelijk doden.

Een filmpje op Dumpert laat zien hoe dat er in het grootste deel van de wereld aan toegaat. Het piepen van tientallen kuikens is nog net te horen boven het motorische wieken van de hakmessen en het zoemen van de loopband waar ze op staan. Om de beestjes heen liggen lichtbruine schalen van de eieren waar ze niet lang ervoor uit zijn gekropen. De band voert ze steeds verder. De kuikens kijken verdwaasd rond, alsof ze net wakker zijn geworden.

Sommige kuikens proberen te fladderen met hun nog niet volgroeide vleugels, andere zetten voorzichtig een stap. En dan, aan het einde van de band, vallen ze allemaal in een gore put van tollende messen, eierschalen, bloed, ingewanden en gele haartjes. Zoemmmmmmm. Eén seconde en het is klaar.

En dat is waar we anno 2020 nog steeds zijn. Met elke stap waarmee de intensieve pluimveehouderij nog intensiever en efficiënter werd, zwom ze dieper een ‘morele fuik’ in, zegt hoogleraar Gremmen. Oftewel: een moreel lelijke plek waar niemand blij mee is, waar niet direct een schuldige voor aan te wijzen is, maar waar je ook niet makkelijk uit wegkomt. Gremmen: ‘Als de leghenindustrie de haantjes toch zou grootbrengen, zijn ze out of business. Een leghenhaantje heeft namelijk veel meer eten nodig dan een vleeskip om groot te worden. Dus zijn ze duurder.’

Net als de hennetjes zijn de haantjes in de vleesindustrie zo efficiënt doorgefokt dat ze minder uitstoten, minder energie verbruiken en daardoor niet alleen goedkoper zijn, maar ook beter voor het milieu dan leghenhaantjes, mocht je die grootbrengen. Dus kies je voor milieu of dierenwelzijn? Daar is je morele fuik. En het vlees is ook nog eens minder gewild. De leghenbedrijven zouden zichzelf uit de markt prijzen.

Een andere optie is helemaal terug naar dubbeldoelkippen. Kippen die én eieren leggen én als filet in de supermarkt belanden. Geen verschil meer tussen vlees- en leghennen. Maar dan kom je bij hetzelfde probleem, zegt Gremmen. Vergeleken met een dubbeldoelkip is een vleeskip nou eenmaal veel efficiënter en daarmee ook beter voor het milieu. Voor de eieren geldt hetzelfde: die van een leghen zijn veel milieuvriendelijker dan die van een dubbeldoelkip. ‘Het lijkt alsof veel landbouwsystemen die we hebben naar zo’n morele fuik toegaan’, zegt Gremmen. Denk ook aan geitenbokjes die geen kaas of melk maken en daardoor nutteloos zijn voor geitenhouders. Net als bij de haantjes is het goedkoper de bokjes te doden dan ze groot te brengen.

En toch is het mogelijk om zo’n fuik, in ieder geval deels, uit te zwemmen, zegt Gremmen. Met behulp van innovatie, bijvoorbeeld.

De witte labjassen, de steriele ruimte, de automatisch bewegende robotarm die met onmenselijke precisie boven de eieren manoeuvreert, de beeldschermen. Er komt nog net geen velociraptor uit een ei gekropen, maar voor de rest doet het filmpje op de site van Respeggt onwillekeurig denken aan de beroemde eierscène uit Jurassic Park, waarin met behulp van robotica en futuristische technologie een kleine dinosaurus wordt uitgebroed.

Het in kippendorp Barneveld gevestigde Nederlands-Duitse Respeggt is een van een handvol bedrijfjes wereldwijd dat bezig is met een technologische oplossing voor het haantjesvraagstuk. Respeggt – rond de tien werknemers, houdt de omzetcijfers voor zichzelf – is tot nu toe het verst met zijn oplossing, in ieder geval als het aankomt op het in de winkels krijgen van hun product. Loop een willekeurig Jumbo-filiaal in en daar vind je sinds maart in het eierschap enkele lichtgroene doosjes met erop het gele ‘Zonder kuikendoden’-zegel van Respeggt. In 2018 belandden de eieren ohne Kükentöten al in enkele supermarkten van Rewe en dochterbedrijven van de Duitse keten. Ook Carrefours in de omgeving van Parijs hebben inmiddels verpakkingen met het Respeggt-stempel.

In het filmpje komen negen dagen oude eieren langs op een grijze loopband. Een rood laserlichtje brandt een piepklein gaatje in elk ei. Een robotarm stopt erboven, zet er een tuit op en zuigt er een druppel vloeistof uit. Dit druppeltje legt de robot op een analyseplaatje. Door een chemische reactie met een markeervloeistof ontstaat binnen een half uur een lichtblauwe (een vrouwtje) of een donkere kleur (een mannetje). De eieren met hennen gaan door naar de broederij. De eieren met haantjes worden onuitgebroed verwerkt in veevoer.

Het verhaal van Respeggt begint zo’n tien jaar geleden met hoogleraar biochemie Almuth Einspanier van de universiteit van Leipzig. Met een beurs op zak van de Duitse regering ging zij op zoek naar een oplossing voor het doden van haantjes. Een voorman van supermarktketen Rewe geloofde in de methode die Einspanier ontwikkelde. Hij dacht die klaar voor de praktijk te kunnen maken met behulp van de Nederlandse innovatieve broedmachinefabrikant HatchTech, gevestigd in Veenendaal. Einspanier gaf toestemming en zo ontstond in 2017 Respeggt. Een joint venture van HatchTech en Rewe, met onderzoek van de universiteit van Leipzig. Het doel: de methode van professor Einspanier toepasbaar maken voor de industrie. In 2018, toen enkele Respeggt-doosjes in Rewe-supermarkten belandden, was de techniek voor het eerst op kleine schaal commercieel inzetbaar.

In de lange keten van de leghenindustrie (zie kader) kwam Respeggt al gauw veel obstakels tegen, zegt Martijn Haarman (38), een van de twee directeuren. Te beginnen met de broederijen. Die moeten investeren in de dure machines van Respeggt, zonder te weten of supermarktklanten aan het einde van de keten bereid zijn iets meer voor de eieren te betalen. Dan de leghenbedrijven. Door de foutmarge in de Respeggt-technologie is twee procent van de kuikens die zij krijgen een haantje. Kunnen ze niets mee.

‘We lijken als mensheid uit het oog verloren te hebben dat er nou eenmaal haantjes bij horen als je eieren wil eten’

‘Zo ontstond een afwachtende houding’, zegt Haarman. ‘Dat vonden wij niet terecht, want wij zagen dat de vraag er wel was.’ En dus neemt Respeggt de kosten voor de geslachtsbepaling op zich. Zo hebben de broederijen geen omkijken naar de machines. Die zijn voor rekening van Respeggt. Het bedrijf vraagt de pluimveehouders de overtollige haantjes groot te brengen en na twaalf weken naar het slachthuis te brengen. Ook daar betalen ze de kosten voor.

Haarman: ‘De kostprijs wordt pas hoger aan het eind van de keten. We vragen de eierhandelaar (de laatste schakel voor de retail – gr) twee cent extra per Respeggt-stempel dat ze op een ei kan zetten. Zo krijgt dat ei een meerwaarde. Dat kan de handelaar weer doorberekenen aan de supermarkt.’ De hoop is dat de supermarktbezoekers uiteindelijk bereid zijn een paar cent extra per ei te betalen voor de garantie dat er geen hanenkuikens voor zijn gedood.

Voorlopig voert Respeggt de geslachtstesten alleen uit op zijn eigen locatie in Barneveld, waar de blauw-grijs-witte robotarmen overuren draaien. De Nederlandse broederijen brengen een klein deel van hun eieren daarheen en krijgen henkuikens en enkele haantjes – de foutmarge – terug. Als de techniek aanslaat is het het idee dat Respeggt de machines bij de broederijen zelf gaat installeren.

Op dit moment maken alle vijf broederijen die Nederland telt bij wijze van proef gebruik van de Respeggt-techniek, zij het op zeer beperkte schaal. Slaat het aan? Werkt het wel goed? Ook Duitse broederijen laten eieren seksen in Barneveld.

Het bedrijf kan op dit moment per uur bij drieduizend kippenembryo’s het geslacht vaststellen, met dus een foutmarge van twee procent. Zelf seksen medewerkers van broederijen de net uit het ei gekomen kuikens veel sneller: dertigduizend per uur. Wil Respeggt dus echt bruikbaar zijn voor broederijen, dan zou het zijn techniek behoorlijk moeten versnellen. Haarman werpt tegen dat die snelheid voor zijn robots niet nodig is. Zij kunnen in tegenstelling tot mensen immers 24 uur per dag doorwerken en komen daarmee een heel eind.

De grootste concurrent van Respeggt is In Ovo uit Leiden. Het is geen toeval dat de meest kanshebbende technologieën uit Nederland en Duitsland komen. Niet alleen kennen deze landen een grote agrarische sector. Ook is er in het publieke debat in Nederland en Duitsland relatief veel aandacht voor dierenwelzijn en speelt de haantjesdiscussie al langere tijd, met name in Duitsland. Daar is het een politiek onderwerp. De Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen probeerde het doden van eendagskuikens in zijn geheel te verbieden, tot een federale rechter ze vorige zomer terug floot.

Met elke stap waarmee de pluimveehouderij nog intensiever werd, zwom ze dieper een ‘morele fuik’ in © Jeff Greenberg / Universal Images Group via Getty Images

In Ovo, dat ook niets wil zeggen over omzetcijfers of werknemersaantallen, sekst de embryo’s net als Respeggt na negen dagen. De start-up is in 2013 ontsprongen aan de Universiteit Leiden, waar Wouter Bruins (35) en Wil Stutterheim (38) elkaar ontmoetten bij het mastertraject science based business. Het idee een bedrijf te starten dat invloed zou hebben op dierenwelzijn kreeg Bruins al tijdens zijn studie biologie, toen hij veel in aanraking kwam met ethische kwesties op dierengebied. Alleen het onderwerp ontbrak nog.

En dus ging Bruins de industrie in. Langs dierenartsen, kippenboeren. Zijn vraag: ik zoek een probleem om op te lossen, waar lopen jullie tegenaan? ‘Toen ik bij een pluimveeboer kwam, heb ik mijn hele boekje vol gepend’, zegt Bruins. ‘De boer begon over de haantjes. Als je dat oplost, zei die, dan heb je een fantastische vinding gedaan.’

Toen Bruins en Stutterheim dieper doken in bestaand onderzoek naar technologische oplossingen, dachten ze: dit kunnen we oplossen. In Ovo was deelgenoot van het convenant dat de overheid in 2014 sloot met lto, Dierenbescherming en het bedrijfsleven. Ze kregen een geldinjectie van enkele honderdduizenden euro’s om hun onderzoek voort te zetten. In 2018 volgde een nieuwe miljoeneninvestering door verschillende private en publieke partijen en in juni van dit jaar kreeg In Ovo tweeënhalf miljoen euro uit een fonds van de Europese Unie. Respeggt zegt, los van het fonds voor de Duitse onderzoeker die de techniek ontwikkelde, volledig gefinancierd te worden door HatchTech en supermarkt Rewe.

Voor een buitenstaander lijkt de methode van In Ovo veel op die van Respeggt. Een gaatje in het ei, een vloeistof eruit. Het verschil zit vooral in die vloeistof en de meetmethode. Bij Respeggt gaat het om hormonen die gevonden worden in de embryonale urine, bij In Ovo om metaboliet. Dat is een stof die vrijkomt tijdens de stofwisseling. Bij In Ovo voegen ze de vloeistof niet toe aan een analyseplaatje dat een bepaalde kleur geeft, zoals bij Respeggt. Ze bepalen het geslacht met behulp van een massaspectrometrie, een ingewikkelde techniek waarmee je moleculen kunt identificeren en die doorgaans vooral bij ziekenhuispatiënten wordt gebruikt. Net als bij Respeggt betaalt In Ovo de machines voor de broederijen zelf. De broederij rekent af per gesekste kuiken.

Tenminste, dat is het plan. Hoewel In Ovo al langer bezig is dan Respeggt, liggen de eieren nog niet in de Jumbo of Albert Heijn. Het bedrijf is op dit moment druk in de weer met het testen van zijn apparatuur, maar Bruins wil daarover verder niets kwijt, behalve: voor het einde van het jaar komt In Ovo met een belangrijke doorbraak.

‘We hebben besloten even uit het mediacircus te stappen en ons in stilte verder te ontwikkelen’, zegt Bruins. ‘De laatste jaren zijn er wel maandelijks partijen geweest die allerlei dingen riepen in de pers. “Over een jaar is het opgelost! We hebben een fantastische techniek!” Vaak klopte daar niets van. Daardoor is veel druk ontstaan in de sector, terwijl de oplossingen achterwege blijven. Dat is pijnlijk. De pest met dit onderwerp is dat het niet zo simpel is als het lijkt. Mensen willen dat alles in één keer opgelost is. Maar zo werkt het niet. Dit is technisch heel uitdagend. Broederijen zijn hoog geïndustrialiseerde bedrijven. Je techniek moet naadloos in het productieproces passen, anders gaat niemand het gebruiken. Het is gewoon fucking complex.’

Anton Butijn (62) vertegenwoordigt als voorzitter van de branchevereniging Centrale Organisatie Broedeieren en Kuikens (cobk) de Nederlandse broedindustrie. Zelf heeft hij in het Brabantse Sint-Oedenrode tientallen jaren een broederij gehad. Tegenwoordig houdt hij zich bezig met het adviseren van bedrijven in de pluimveesector.

Het is zijn industrie die de techniek van Respeggt, In Ovo of welk ander bedrijf dan ook uiteindelijk moet toepassen. Daartoe hebben de broederijen zich verplicht, zegt Butijn. ‘Wij waren deel van het convenant dat zes jaar geleden is gesloten. Toen hebben wij gezegd: als er een betrouwbare techniek op de markt is die met voldoende capaciteit het geslacht kan bepalen, grijpen wij die met twee handen aan.’

Butijn heeft zelf als broeder nooit last gehad van gewetenswroeging bij het doden van zoveel haantjes, zegt hij. Maar begrijp hem niet verkeerd: ‘Ik kan me voorstellen dat je, als je dit van buiten ziet, denkt: waarom gebeurt dit, waarom grijpen jullie niet in.’ Voor Butijn speelt mee dat de haantjes niet zomaar in de destructor verdwijnen. Het Puttense bedrijf Kiezebrink koopt de vergaste kuikens op, vriest ze in en verkoopt ze aan allerhande reptielenhouders, van Burgers Zoo dat zijn kaaimannen ermee voert tot de liefhebber die ze in het terrarium van zijn python legt.

‘Ik denk dat wij als sector lang onze ogen en oren gesloten hebben gehouden voor wat in de maatschappij speelde’, zegt Butijn. De focus in de pluimveeindustrie draaide de laatste decennia altijd om het zo efficiënt mogelijk produceren van voedsel. Als Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder wilde je daarin toonaangevend zijn, zegt Butijn. ‘Dan was dit (het doden van eendagshaantjes – gr) iets wat erbij hoorde.’

‘Onder druk van maatschappelijke discussies zijn wij ons de laatste jaren gaan afvragen: moet het wel op deze manier? Zijn er geen alternatieven? We zijn in gesprek gegaan met verschillende partijen en hebben hun standpunten gehoord.’ Daar kwam het genoemde convenant uit voort, waardoor In Ovo subsidie kreeg van het ministerie van Landbouw. cobk stelde op zijn beurt broederijen beschikbaar voor het Leidse bedrijf, zodat het zijn techniek kon testen.

Butijn is er veel aan gelegen dat er een oplossing komt voor het haantjesvraagstuk. ‘Wij willen weg uit die negatieve discussie. Altijd maar die schaduw van die haantjes over ons heen. Terwijl broederijen op dit moment niet anders kunnen.’

Dát de broedei-industrie nog niet massaal is overgestapt op Respeggt of In Ovo, betekent dat de ideale oplossing er niet is. De weg van het laboratorium naar de kuikenbroederij is lang, ziet Butijn. Wil de techniek bruikbaar zijn voor de industrie, dan moeten dertigduizend eieren per uur gesekst kunnen worden, met een betrouwbaarheid van 98 procent. De robots van Respeggt zitten nu op drieduizend per uur. Het zegt een foutmarge van twee procent te hebben, maar volgens Butijn zijn er in de praktijk te veel uitschieters naar zeven procent. Zit je als broederij ineens met vijf procentpunt meer haantjes. In Ovo houdt zich, zoals gezegd, nog een paar maanden stil over hoe ver het met zijn toepassing is. Butijn zegt dat de broederijen geen voorkeur hebben voor een van de twee methoden. Zolang de methode maar werkt.

In de Disney-film Merlijn de Tovenaar (1963) neemt het titelpersonage zijn intrek in een krakkemikkige kasteeltoren. Kort na zijn verhuizing barst een enorme regenbui los. Merlijn ontdekt dat er een gat in zijn dak zit. Hij steekt er een paraplu doorheen om het lekken te stoppen, maar ziet dan dat op zijn bed ook al water valt. Zodra hij daarheen snelt om een emmer neer te zetten, is bij zijn boeken weer een theepot nodig. Van links naar rechts rent Merlijn, maar wat hij ook doet: het water blijft uit het dak gutsen.

Met het haantjesvraagstuk is het net zo. Los je het ene probleem op, ontstaat er weer een ander. Met de methodes van In Ovo en Respeggt komen ook nieuwe twistpunten naar boven. De meest gehoorde kritiek is dat je met het ruimen van een negen dagen oude embryo alsnog een levend wezen doodt.

Ruud Zanders, een van de oprichters van kippenboerderij Kipster, is daar geen voorstander van. ‘Niet alleen doden we daarmee net zo goed een levend wezen, maar we lijken als mensheid uit het oog verloren te hebben dat er nou eenmaal haantjes bij horen als je eieren wil eten. Dat is een biologisch gegeven dat je moet accepteren. Met de intensieve pluimveehouderij grijpen we al heel erg in in de natuur. Hoeveel verder wil je daarmee nog gaan?’

‘Ik ben bijna de draad kwijt. Het ene ei is qua dierenwelzijn beter, het andere is beter voor het milieu, het volgende weer voor de portemonnee’

Zanders – licht Limburgs accent, zwart krullend haar – doet zijn verhaal videobellend vanuit zijn kantoor in Venray. Daar staat een van de kippenboerderijen van Kipster. Beelden van de lichte hal met speeltoestellen voor kippen, wijde uitloopvlaktes en boompjes ter beschutting voor de dieren gaan sinds de opening in 2017 de wereld over.

Kipster noemt zichzelf de meest dier-, milieu- en mensvriendelijke boerderij ter wereld. Het bedrijf staat voor een andere manier van kippen houden: minder dieren, meer beweegruimte en voer dat grotendeels is gemaakt uit reststromen. De Kipster-eieren krijgen drie sterren van het Beter Leven-keurmerk.

Deel van de Kipster-formule is dat die een oplossing voor de haantjes biedt. Tegen de broederij zeggen ze: broedt die haantjes maar gewoon uit. Die gaan dan naar een opfokbedrijf met drie Beter Leven-sterren. Na veertien weken eindigen de hanen in het slachthuis. Hun vlees wordt verwerkt in gehaktballen en hanenburgers die iets duurder zijn dan vlees van ‘normale’ kippen. De hennen komen drie weken later naar de stallen van Kipster, waar ze de eieren leggen die in supermarkten terechtkomen. Overigens is Kipster niet de enige die dit doet. Zo brengen sommige pluimveehouders met het Demeter-keurmerk ook (een deel van de) haantjes groot.

Het grootste probleem dat Zanders met In Ovo en Respeggts oplossingen heeft, is dat die het huidige systeem van dieren houden onveranderd laten. De machines waarmee je de eieren sekst implementeer je in een broederij en los van het doden van haantjes kan alles in de pluimveeindustrie op de oude voet doorgaan. Met alle vervuiling en dierenwelzijnsproblemen die erbij komen kijken. Terwijl Kipsters methode volgens Zanders staat voor een heel andere, duurzamere manier van kippen houden.

Maar ook op Kipsters oplossingen valt genoeg af te dingen, zegt hoogleraar ethiek in levenswetenschappen Bart Gremmen. Hoeveel ethischer is het een haan uit te broeden, die veertien weken te laten leven en dan te slachten dan het helemaal niet geboren te laten worden?

Ook de Dierenbescherming, deel van het convenant dat in 2014 werd gesloten, ziet de methodes van In Ovo en Respeggt niet als de eindoplossing. Marijke de Jong heeft zich bij de organisatie beziggehouden met het vraagstuk. ‘Het is niet helemaal zeker dat embryo’s geen prikkels ervaren op dag negen (de dag waarop In Ovo en Respeggt het geslacht vaststellen – gr), dus dan zeggen wij: liever niet.’ Tegelijkertijd vindt ze het ‘voor de komende jaren een goed alternatief voor de huidige situatie’. Uiteindelijk wil de Dierenbescherming een oplossing waarbij geen enkel dier voortijdig wordt gedood: de eerder genoemde dubbeldoelkip. Een kip die én eieren én vlees aflevert. Dan kunnen de geboren haantjes ‘gewoon’ voor het vlees worden gebruikt.

Volgens hoogleraar Gremmen hebben de criticasters van In Ovo en Respeggt een punt. ‘Er is niet veel onderzoek naar op welke dag embryo’s precies prikkels ervaren. Naar mijn weten is er slechts één Duits onderzoek dat suggereert dat de prikkels er op dag elf zijn. Ik zou daar meer bewijs voor willen zien.’

Terug naar Merlijns kasteeltoren. Hoewel het de tovenaar niet lukt alle gaten in zijn dak te repareren, maakt hij de situatie met elke emmer en elke theepot die hij neerzet wel leefbaarder. Zijn creativiteit lost wel degelijk iets op. Het ene lek dat ontstaat is niet zo groot als het andere. Zo is het ook met Respeggt en In Ovo, zegt Gremmen. Ja, er blijven hordes over. Maar de twee halen vooral ook veel hordes weg. Haarman van Respeggt en Bruins van In Ovo zijn de eersten om te beamen dat meer onderzoek naar de prikkels van kippenembryo’s wenselijk zou zijn. Maar op dit moment is het eerder seksen dan op dag negen technisch te ingewikkeld, zeggen ze.

‘En jongens’, verzucht Bruins. ‘Bedenk even dat het alternatief is dat we haantjes uit laten komen en die meteen vergassen. Ik zou tegen de wereld willen zeggen: dit is onze oplossing. Laten we die gebruiken. Als je wel vindt dat het beter moet, kom dan met een alternatief. Heb je dat niet, hou dan je mond.’

Een kuikensekser aan het werk, 2004 © Peter Boer / De Beeldunie

Peter van Horne kan over de telefoon zijn verbazing nauwelijks verhullen. ‘Als consument snap je er geen jota meer van’, zegt de pluimvee-econoom die verbonden is aan de wur. Ga je nu naar de supermarkt, dan vind je een eindeloos eierschap. Witte eieren. Bruine eieren. Kipster. Rondeel. Het oerei. Elk ei met een eigen verhaal. ‘Ik zit al dertig jaar in dit vak en zelfs ik ben al bijna de draad kwijt. Laat staan dat ik aan mijn buurvrouw kan uitleggen welke eieren ze moet kopen. Het ene is qua dierenwelzijn beter, het andere is beter voor het milieu, het volgende weer voor de portemonnee.’

De vraag was of de supermarktbezoeker zit te wachten op de eieren van Respeggt en In Ovo. Aan de prijs zal het niet liggen, denkt Van Horne. De supermarktbezoeker wil eieren. Punt. Die betaalt gerust tientallen centen meer per doosje voor eieren met een goed verhaal. Maar die volle supermarktschappen! En daar komen de eieren van Respeggt en In Ovo dan nog eens bij, wiens eierverhalen ook weer moeten concurreren met alle andere eierverhalen in de Albert Heijn, Lidl en Jumbo.

Gaat dat lukken? Van Horne heeft zijn twijfels. Een grootschalige marketingcampagne van Jumbo om het Respeggt-verhaal te verspreiden heeft hij nog niet gezien. Zoiets is noodzakelijk, anders blijft de consument onwetend. Daarom is de pluimvee-econoom zo benieuwd naar de verkoopcijfers van Respeggt, maar die wil directeur Martijn Haarman niet delen. Supermarktketens Rewe en Jumbo zeggen er eveneens niets over.

Een oplossing via een andere weg is mogelijk, zegt Van Horne. Als de industrie zelf besluit helemaal over te stappen op haantjesdodenloze eieren. Dan heeft de supermarktbezoeker voor dat duizelingwekkende eierschap geen keuze meer en moet die wel. Maar als de voorlopige verkoopcijfers van Respeggt tegenvallen, zullen de broederijen niet zo happig zijn helemaal over te stappen, zegt Van Horne.

Een andere oplossing ligt in de politiek. Maar een verbod op het vergassen van kuikens komt er in Nederland voorlopig niet, schreef minister Carola Schouten (ChristenUnie) eind juni aan de Tweede Kamer. Pas als de techniek commercieel inzetbaar is, wil de minister het overwegen.

Mogelijk beweegt het buitenland eerder. Duitsland is vanaf 1 juli voorzitter van de Europese Unie. De Duitse pers en agrarische vakbladen schrijven dat Berlijn het eendagshaantjesvraagstuk Europa-breed wil agenderen. Het zou samen met Frankrijk willen optrekken om in de hele EU een einde te maken aan het doden van pasgeboren haantjes.

Zo ver is het nog lang niet. En als het aan Butijn van branchevereniging cobk ligt, komt een algemeen verbod er voorlopig ook niet. Dan gaat het te snel, terwijl de techniek van Respeggt en In Ovo er nog niet klaar voor is. Laat de vraag de discussie sturen, zegt hij. Eerst embryoseksen op kleine schaal, zoals nu gebeurt. Kijken of dat aanslaat bij de supermarkten en dan opschalen. Dát het gaat opschalen, daar twijfelt Butijn niet aan. De signalen die hij krijgt van eierhandelaren over de vraag naar de haantjesdodenloze eieren zijn erg positief. Naast Jumbo en Rewe zouden ook andere ketens geïnteresseerd zijn.

En dan kan het snel gaan. Kijk naar de discussie over legbatterijen, zegt Butijn. Daar was het ook de retail die eraan trok. In het begin van deze eeuw weigerden Nederlandse supermarkten nog langer eieren uit legbatterijen te verkopen. De pluimveehouders moesten toen wel overstag. Uiteindelijk kwam de politiek er nog overheen: in 2012 verbood de EU legbatterijen in alle lidstaten.

Een algeheel verbod voor de EU zou driehonderd miljoen haantjesdoden per jaar schelen. Dat is een klein deel van de vijf miljard kuikens die jaarlijks in de versnipperaar of vergasmachine gaan. Maar wie weet, zegt Butijn. In Canada, de Verenigde Staten en Australië leeft het onderwerp ook. Het is geen gekke gedachte dat die volgen als de EU een eerste stap zet. ‘Maar we beginnen hier’, zegt Bruins van In Ovo. ‘Het gaat erom dat het draait. Dan zien we wel weer verder. Als we iets kunnen doen aan de veertig miljoen haantjes in Nederland, dan zijn we al blij.’

De gefragmenteerde kuikenketen

In de pluimveehouderij in Nederland gaat jaarlijks 1,4 miljard euro om. De omzet van de sector is verdeeld over de leghenindustrie (630 miljoen euro) en de pluimveevleesketen (750 miljoen). In de keten van de leghenindustrie werken 6400 mensen.

In de ongeveer vijftig vermeerderingsbedrijven die Nederland telt worden kippen gehouden die de bevruchte eieren leveren die naar vijf broederijen gaan, waar de eieren worden uitgebroed en de haantjes vergast. Hier zou de techniek van In Ovo en Respeggt gebruikt kunnen worden.

Opfokbedrijven brengen vervolgens de hennen groot tot een leeftijd van zeventien tot achttien weken. Er zijn in Nederland ongeveer 160 van dit soort bedrijven. De grootgebrachte kippen komen in leghenhouderijen terecht. In Nederland zijn 830 van dit soort legbedrijven, die meer dan 35 miljoen leghennen houden. Een kip legt meer dan driehonderd eieren per jaar. Als ze anderhalf tot twee jaar oud zijn, daalt de productie en worden ze geslacht.

De laatste schakel voor de retail zijn de pakstations en de eiproductenfabrikanten. Nederland telt tegen de zeventig pakstations, waarvan tien grote. Andere eieren gaan naar een van de ongeveer vijftien eiproductenfabrikanten, waar ze worden verwerkt in sauzen, pasta’s, brood, banket en andere producten.


Met dank aan pluimvee-econoom Peter van Horne van deWageningen Universiteit