Boekenweek: Een bijzonder debuut

Altijd ­precies

De verteller in dit bijzondere debuut introduceert zichzelf in het begin als een ‘je’. ‘Je loopt door het sprookjespark in Parijs.’ En direct daarachter tussen haakjes in een net wat kleiner lettertype: ‘(Ik loop door het sprookjespark in Parijs.)’ Mooi vind ik dat, maar ik weet niet precies waarom. Is het de reflexieve manier van schrijven die schrijfster (en beeldend kunstenaar) Nicoline Timmer hier direct introduceert? Iets zien en het daarna nog een keer zien? Iets zien en het daarna internaliseren? Kijken wat er dan gebeurt? Dit is in ieder geval kenmerkend voor haar manier van aanpak. Een ik (soms dus een ‘je’) reist naar Wenen, naar Groenland, naar Cambridge, naar Egypte, steeds kijkend, zoekend, peinzend, overwegend. Op zoek naar… en hier is het beter voor de boekbespreker om wat voorzichtiger dan gewoonlijk te worden.

Small timmer  nicoline  c  ren%c3%a9 bosch fc
Nicoline Timmer - intens schrijven en kijken (met steeds die vondsten ertussendoor) © René Bosch

‘Om een nieuw perspectief te verwerven dat ruimte laat voor verwondering en bezieling’, staat op de achterflap. Ik ben het ermee eens, maar in de roman zelf staan dit soort grote woorden helemaal niet, Timmer weet heel goed dat je ze moet schuwen, dat je ze moet oproepen, dat je je personage steeds moet laten kijken, peinzen, weergeven, opnieuw weergeven, nog eens peinzen en dat de grote woorden en gevoelens dan vervolgens in de lezer tot stand moeten komen. Als het goed is – en in deze roman gaat het als vanzelf. Waarnaar de ik precies zoekt blijft verborgen, ze expliciteert het niet. Je zou kunnen zeggen dat deze verwoede en tegelijk uiterst voorzichtige reizigster op zoek is naar nieuwe mogelijkheden voor haar werk, voor zichzelf en dus ook voor de lezer. Het mogelijke en onmogelijke ervan wil ze in kaart brengen. Toch is dit zeker geen roman over een kunstenaar die op zoek is naar inspiratie, of zoiets. Geen wanhopig gezwatel over artisticiteit of (nog erger) creativiteit, maar kijken, nog eens kijken, ergens aankomen, een bed zoeken, naar een stervend paard in Egypte staan kijken. Daarover noteren, om het niet te vergeten en om erbij stil te blijven staan.

‘Ik moet wennen aan haar uitdrukkingsloze gezicht. Ik geef haar een hand, wat voelt als beetpakken’

Timmer is sterk geïnspireerd door werk en leven van Ludwig Wittgenstein (1889-1951). Haar roman is, net als Wittgensteins werk, fragmentarisch van opzet, ze biedt min of meer thematisch georganiseerde brokstukken aan waarin je je een weg moet zoeken. Aforismen afgewisseld met beschrijvingen en kleine beschouwingen. Dan staat er bijvoorbeeld ineens tussen regels wit: ‘Haperende personages.’ Of elders: ‘’s Avonds laat je alle lichten aan omdat je bang bent. Maar je bent bang op een manier die je wel bevalt.’ Of weer elders: ‘Er staat geen moeilijk dier voor mijn deur, geen meerkat, aardvark, dikke tor of wildebeest. Dat weet ik zeker, want ik zie ze niet.’ In dit laatste fragment is de invloed van Wittgensteins werk helemaal sterk aangezet. Zekerheid vinden waar die niet te vinden is. De ik onderneemt in het begin van dit boek een letterlijke zoektocht naar een tekst van Wittgenstein, zijn uitermate eigenaardige Lecture on Ethics. Ze bezoekt de plekken waar verschillende versies ervan in typoscript te vinden zijn, is duidelijk ontroerd wanneer ze de vele doorhalingen, randschriften en pietepeuterige wijzigingen van de grote filosoof in de oorspronkelijke tekst aantreft. Helemaal mooi wordt het wanneer ze in een typoscript een pagina met potloodstreepjes, lijntjes, bibberige vierkantjes en driehoeken van de filosoof vindt. Ze zet hem in haar boek. Wonderlijk prachtig! Wat kun of moet je erin zien?

Fraai zijn de beschrijvingen van een beheerder van een Wittgenstein-archief die enthousiast is over haar plan om een muziekstuk te componeren op de tekst van Lecture on Ethics. ‘In de kloosterkamer waar hij werkt, in een zijvleugel van de bibliotheek, drinken we thee, en krijgt zijn karakter iets meer omvang, waarvan een deel opeens buiten mijn blikveld valt. Zodat ik bijna spijt heb dat ik hem niet heb bewaard als brief.’ Raar? Iemand bewaren als brief? Welnee, een vondst, dat is het. En wat een mooi idee om een tekst van Wittgenstein (met doorhalingen en al) op muziek te zetten. Timmer moet haar ‘ik’ zo snel mogelijk een subsidieaanvraag laten indienen.

Maar ook de belevenissen in Egypte en in IJsland en Groenland bevatten dezelfde opgewekte en intense schrijf- en kijklust. Soms geeft ze heel precies weer wat er te zien is, bijvoorbeeld dat stervende paard op een kruispunt ergens in een Egyptische stad. Ingehouden emotie en precisie. ‘Zo blijft hij minutenlang staan, wisselt dan van been, tilt zijn andere voet voorzichtig op. Dat herhaalt zich enkele malen. Alsof hij telkens een beetje bezwijkt, maar dan beheerst.’

In de grond is deze roman een ‘reisverslag’, vol ontmoetingen met medereizigers en min of meer spannende taferelen rondom de eenzaamheid van de reiziger. Dus dan krijg je beschrijvingen als: ‘De spoorbrug over, met de overhangende bomen in paarsoranje en geel. Door de Paradijsstraat met de kleine huizen van hout. Nergens een plek waar ik wil neerstrijken, al strijk ik dan toch ergens neer omdat ik veel te vroeg ben.’ Altijd precies en voorzichtig, bij Timmer geen krachtpatserij over de toestand in de wereld. Met steeds die vondsten ertussendoor: ‘Dat relativeert niet hoe ik mij voel, integendeel. Alles is absoluut, en precies zoals het is.’ ‘De Deense buurman heeft meningen.’ ‘Ik moet wennen aan haar uitdrukkingsloze gezicht. Ik geef haar een hand, wat voelt als beetpakken.’ Deze roman gaf me lucht, bood perspectief, ik reisde van begin tot eind met de schrijfster mee.