Interview: György Konrád krijgt de Karel de Grote-prijs

Altijd vechtend voor democratie

De Hongaar De prijs die meestal naar een persoon gaat die zich heeft ingezet voor de Europese eenwording, gaat nu naar iemand die de westerse democratieën veelvuldig bekritiseert. Zo hekelt Konrád de volgens hem dubbele moraal van het Westen ten opzichte van de Balkan.

Als er iemand de laatste jaren vraagtekens heeft gezet bij de Europese eenwording is het wel de Hongaarse schrijver en socioloog György Konrád. Nog geen twee jaar geleden protesteerde hij tegen de Navo-luchtaanvallen op doelen in Servië. Terwijl Hongarije op 12 maart 1999 was toegetreden tot de Navo schreef Konrád vlammende essays tegen de Kosovo-oorlog in De Oorlog in Joegoslavië (en wat erna kan komen): «Omdat de ene Joegoslavische staatsburger de ander pijn doet, hoeft een derde toch niet vanuit de lucht te worden vermoord? De Navo is boos op Milosevic en vermoordt daarom willekeurige Joegoslavische burgers, als ongewild neveneffect van het bombardement. Wat voor een gerechtigheid is dat?»

Konrád vroeg zich destijds af in hoeverre een beslissing als de luchtoorlog tegen Joego slavië, als middel tot handhaving van de mensenrechten, over een democratische legitimatie beschikt. In zijn ogen maakten de West-Europese landen zich schuldig aan een anti-westerse strategie in Centraal-Europa. Terwijl ze al jaren bezig waren met een proces van integratie steunden ze op de Balkan «consequent desintegrerende tendensen» en de «afscheiding van de deelrepublieken van een bondsrepubliek». In het voormalig Joegoslavië werd het etnisch nationalisme erkend terwijl binnen Europa separatistische bewegingen als die van de Basken in Spanje worden veroordeeld.

Deze inconsequente houding betreurt de joodse schrijver nog steeds en hij is dan ook licht verbaasd dat juist hij op Hemelvaartsdag de Karel de Grote-prijs in de kroningszaal van het stadhuis in Aken zal ontvangen. Want deze prijs, voorheen uitgereikt aan mensen als Winston Churchill, Henry Kissinger, Tony Blair, Bill Clinton en Koningin Beatrix, wordt doorgaans gegeven aan mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de eenwording van Europa. «En ik ben helemaal geen politicus», mompelt hij met een zangerig Hongaars accent in de lobby van een Amsterdams hotel. «Ik ben schrijver en in zoverre ik heb bijgedragen aan de Europese eenwording, is dat voortgekomen uit eigenbelang.

De periode waarin Boedapest was afgesloten van het Westen beschouwde ik als een kunstmatige situatie. De opdeling van Europa in twee invloedssferen was acceptabel voor de West-Europeanen en de Amerikanen. Zelfs voor de Russen was het een manier om zich machtig te voelen, maar alleen wij in Centraal-Europa vielen buiten de boot. Dat konden we maar moeilijk accepteren. Ik persoonlijk werd voor de meest simpele dingen al behandeld als een crimineel; ik kon mijn boeken niet publiceren en werd al snel een professionele smokkelaar van mijn eigen manuscripten. Het was dus belangrijk om te vechten voor democratie en vrijheid van meningsuiting.»

Toch is het ook weer niet zo verwonderlijk dat juist Konrád op 24 mei de Karelsprijs in ontvangst zal nemen. Als lid van de Hongaarse oppositiepartij Bond der Vrije Democraten organiseerde hij begin jaren negentig een fakkeloptocht tegen de opkomst van het nationalisme. Hij was betrokken bij het Democratisch Charta — een buitenparlementaire beweging die zich verzette tegen de monopolisering van radio en televisie door de Hongaarse regering — en sprak in 1997 een menigte van honderdduizenden mensen toe die op het Plein van de Republiek in Belgrado demonstreerden tegen Milosevic met de roep om een wettige, pluralistische democratie.

Maar voornamelijk bleef hij trouw aan zijn uitgangspunt dat een schrijver de politiek vanaf de zijlijn bekritiseert. Naast zijn vierdelige Midden-Europese romancyclus publiceerde hij tal van bundels met dagboekaantekeningen en politieke essays, waaronder de zojuist vertaalde bundel De onzichtbare stem. Die handelt over thema’s als nationalis me, de joodse identiteit, democratisering en de toekomst van Centraal-Europa. Nu, twee jaar na de Kosovo-oorlog, betreurt Konrád nog steeds de dubbele moraal van de westerse democratieën ten opzichte van de Balkan: «Het Westen heeft het principe van federalis me in het voormalige Joegoslavië opgegeven, dus we moeten nu niet raar opkijken dat de Albanezen voor een onafhankelijk Kosovo strijden. Het is hun goed recht. Als de Slovenen, de Kroaten en de Bosniërs zich konden afscheiden en Montenegro misschien ook onafhankelijk wordt, waarom dan niet Kosovo? Omdat Tito ooit verschillende constitutionele rechten aan de verschillende territoria in Joegoslavië gaf? Bosnië is bijvoorbeeld nooit een nationale staat geweest. Het is een gecreëerde fictie van handige diplomaten als Hol brooke.»

Maar als Kosovo een onafhankelijke staat wordt, dan wel onder strenge controle van de Europese Unie, meent György Konrád: «Het kan ook zonder oorlog, op een beschaafde manier, door middel van een referendum. En de EU moet er vooral op letten dat de rechten van de minderheden worden gerespecteerd. Onder die voorwaarden lijkt het me overigens in West-Europa ook niet zo slecht als de Basken of de Schotten zich willen afscheiden. Die etnische culturele eenheden van voor de Franse Revolutie of de oude Italiaanse stadsstaten waren zo slecht nog niet. We zijn slim genoeg om onszelf te besturen. En als iedereen hoort waar hij zou moeten behoren, dan kunnen we opnieuw beginnen.»

Toch is het op zijn minst vreemd te noemen dat juist Konrád deze mening verkondigt. In De oorlog in Joegoslavië keurt hij immers de onafhankelijkheid van een nationale staat op etnische gronden af. Houdt hij er geen tegenstrijdige ideeën op na? Hoe kan hij het Albanese nationalisme in Kosovo steunen? De schrijver legt het uit: «Een nationale identiteit op etnische gronden is een constructie, een droom. Maar mensen moeten er blijkbaar doorheen voordat ze zich realiseren dat de mensen aan de overkant van de rivier of aan de andere kant van de berg ook aardige mensen zijn. Ik zie het als een soort dialectisch proces. De Albanezen moeten eerst door dit domme, pijnlijke proces van volledige afscheiding heen. Pas daarna kunnen ze ouderwetse democratische begrippen als waardigheid en vrijheid omarmen en de rivier van de ideologische gekte doorkruisen. Het gaat er uiteindelijk om dat iemand door de verschillen van de ander in vervoering raakt en hem in zijn anders-zijn respecteert.»

Volgens Konrád bestaat onze persoonlijkheid uit verscheidene lagen. Onze identiteit is niet aangeboren maar eerder iets wat we aantrekken, als een «soort kostuum van saamhorigheidsbesef». In een van de essays uit de bundel De onzichtbare stem schrijft hij: «Wat heeft een privé-persoon die ’s ochtends onschuldig de slaap uit de ogen wrijft met de geschiedenis van de staat van doen? Bij het ontwaken ziet hij dat buiten de zon schijnt of dat het bewolkt is en op dat moment is hij zo onschuldig als een pasgeboren lam (…) Pas bij het lezen van de ochtendkrant is hij van privé-persoon tot staatsburger getransformeerd, tot lid van een of andere politieke gemeenschap, tot iemand in wiens zelfbewustzijn de historische dimensie van dit Europa diep is geworteld, tot iemand wie de geschiedenis van zijn vaderland, in engere of bredere zin, van het verre verleden en van het tegenwoordige heden, past als een jas. Maar aangezien die jas zo nu en dan erg zwaar is, wil hij hem ook wel eens uitdoen. Een mens is immers niet gelijk aan zijn jas.»

De mens kan zich diverse identiteiten aanmeten. Daarom gelooft Konrád niet in de etnische komaf als primaire factor voor de vorming van een natie: «Ineens moeten mensen gaan beweren dat ze honderd procent Servisch of Kroatisch zijn en worden ze gedwongen tussen hun vader en moeder te kiezen wanneer zij verschillende etnische achtergronden hebben. Dat is barbaars.»

Dat de westerse democratieën het etnisch nationalisme op de Balkan hebben erkend, ligt volgens Konrád ten grondslag aan een denkfout. In het essay Wraak noch vergeving stelt hij dat de westerse democratieën geen hogere waarde kennen dan de integriteit van de staatssoevereiniteit. Tegelijkertijd wordt door diezelfde democratieën de filosofie van de mensenrechten beschouwd als de belangrijkste wereldbeschouwing sinds de Tweede Wereldoorlog. Die twee uitgangspunten zijn maar moeilijk met elkaar te verenigen, want «zodra een bepaald land van buitenaf wordt beschuldigd van schending van de mensenrechten, kan de regering van dat land zeggen dat ze met de eigen burgers kan doen waar ze zin in heeft aangezien die onder de soevereiniteit van de staat staan.» Het rechtssubject is altijd de soevereine staat en niet het individu of de staatsburger. Daarom, meent Konrád, zal de internationale gemeenschap moeten kiezen wat prioriteit heeft: «Het waardenstelsel van de nationale soevereiniteit of de rechten van de mens.» Internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en de Navo moeten zich afvragen in hoeverre hun inmenging, of gebrek aan optreden, de positie van het individu schaadt.

Hoe denkt Konrád er zelf over? «Voor mij staat de onschendbaarheid van het individu boven het staatsbelang. Een politicus die voor de onschendbaarheid van het individu kiest, is betrouwbaar. Maar hij is niet te vertrouwen als hij voor het primaat van het staatsbelang kiest. Dan laat hij zich meesleuren door plichtsbesef en dat kan leiden tot de meest excessieve vormen van extremisme.»

Als de Verenigde Naties zich pas gerechtigd voelen om op te treden wanneer de ene soevereine staat de andere aanvalt of bezet en de burger niet kan beschermen, moeten regeringen op nationaal niveau de mensenrechten naleven. De democratie leent zich hier volgens Konrád het best voor: «De filosofie van de mensenrechten kan niet los worden gezien van het democratisch beginsel. Het is het enige politieke stelsel waar het humanisme wordt gewaarborgd. Zonder constitutionele democratie bestaat er geen vrijheid, rechtszekerheid en geciviliseerde omgang tussen burgers onderling.» Vooral het principe van wederzijds respect acht hij van het grootste belang: «Binnen een democratie is het basisprincipe dat een ander gelijk is aan jou. In zoverre is de ander onschendbaar. Mensen moeten elkaars speciale eigenschappen en kwaliteiten respecteren. Je moet het stadium bereiken waarbij mensen op straat of in de kroeg vertrouwen hebben in een wildvreemde. Als dat stadium is bereikt is het feit dat je Pools, Roemeens of joods bent alleen nog maar een extra kleurschakering in het boeket.»

Konrád is ervan overtuigd dat burgers binnen een totalitair regime niet in staat zijn tot het ontwikkelen van onderling vertrouwen en wederzijds respect: «Wie de baas is, wie superieur is, zit diep ingebakken in onze Oost-Europese mentaliteit. Ik gaf laatst een lezing aan een universiteit in Boedapest. Toen ik klaar was, kwamen er twee jonge dames op me af met een probleem. Ze waren goede vriendinnen en kwamen allebei uit Macedonië. De een was Slavisch, de ander Albanees. De Albanese vertelde dat ze zou willen dat de vlag van de Albanese minderheid op het stadhuis in Skopje op dezelfde hoogte werd gehangen als de Macedonische vlag. Haar vriendin was het daar niet mee eens. Volgens haar moest de Macedonische vlag hoger hangen omdat de Albanezen nu eenmaal onder Macedonische heerschappij leven. Ze vroegen wat ik van deze kwestie vond en ik antwoordde dat we in politiek altijd worden geconfronteerd met superioriteitskwesties en dat als ze werkelijk de behoefte hebben ergens te zijn waar de vlaggen op dezelfde hoogte hangen ze beter naar een hotel konden gaan omdat alleen daar iedereen als gast wordt verwelkomd.» De Hongaarse schrijver moet lachen om zijn eigen grap, en verklaart zich nader: «Als de politiek het belang van superioriteit kan verminderen, en dat kan het beste binnen een democratie, kunnen we onszelf voor een heleboel stomheden behoeden.»

Konrád heeft vertrouwen in de Europese eenwording en uitbreiding van de EU en de Navo richting Oost-Europa. De resultaten van het democratiseringsproces in eigen land zijn positief, maar hij wil niet te vroeg juichen. «Onze ziel werd in 1989 verheven. Het was een wonderschoon jaar. Wanneer mensen deelnemen aan een revolutie of een versneld proces, hebben ze een goed gevoel over de toekomst. Wij hebben in de afgelopen jaren geleerd wat democratische procedures zijn. We zijn geen slachtoffer meer van willekeurige besluiten, weten nu hoe we de besluitvorming kunnen controleren, hoe we de staat kunnen aanklagen en kunnen een onderscheid maken tussen goed of fout. We zijn op democratische wijze gaan denken maar leren ook al weer hoe we binnen dit systeem tot corrupte praktijken kunnen overgaan. Dat is het leven van alledag. Ineens worden we geconfronteerd met de nare kanten van de mensheid: we zien allerlei vormen van egoïsme, gaan wanhopen en zijn al snel geneigd om te concluderen dat we allemaal monsters zijn. Dat gaat te ver. Wij zijn een soort middelmatig wezen dat tussen engelen en monsters in zweeft.»

De eenwording van Europa is volgens Konrád misschien niet de enige optie voor Oost-Europa maar wel de enige veilige optie. Konrád: «De EU moet de nieuwe nationale staten, waar minderheden hun vrijheid hebben bevochten, controleren. Want voor je het weet zijn die nieuwe naties zoals Servië en Kroatië weer bezig met de onderdrukking van hun minderheden.»

In 1999 werden Hongarije, Polen en Tsjechië lid van de Navo. In 2002 zal de regering-Bush op de top in Praag een besluit moeten nemen over uitbreiding van het transatlantische bondgenootschap. Ondanks zijn kritiek op de Navo-luchtaanvallen tijdens de Kosovo-oorlog is Konrád nog steeds voor het Navo-lidmaatschap van de Oost-Europese landen. Op licht ironische toon zegt hij: «Ik kijk graag naar die familiefoto’s waarop onze premier met een vriendelijke glimlach tussen de andere staatshoofden staat. Laat ze maar samen dineren en de zaken bespreken zoals Hitler, Stalin en Churchill destijds ook deden. Als we elkaar maar controleren, dan zullen we elkaar in de toekomst niet aanvallen.»