Altijd vers gestreken

De onberispelijke man uit het eerste deel van Jane Gardams trilogie is niet alleen de ultieme Engelsman. Hij is ook de ultieme wees-uit-luxe van het British Empire.

Zo’n beetje elk historisch werk over de late Victorianen dat je openslaat maakt melding van hun onverklaarbare onverstoorbaarheid. Barbara Tuchman begint haar klassieker The Proud Tower met een karakterschets van Lord Salisbury, de premier waarmee Groot-Brittannië de twintigste eeuw in ging. Salisbury was zo ‘onthecht’ dat hij herhaaldelijk ministers uit zijn eigen kabinet – en zijn butler – niet herkende. Een andere keer begon hij een langdradig, gedetailleerd gesprek met een parlementslid van weinig betekenis, in de veronderstelling dat hij sprak met het hoofd van het leger. Het is een terugkerend thema: hun afstandelijkheid naar de wereld die ze dachten te besturen. In haar Pax Britannica-trilogie beschrijft Jan Morris dat Britse soldaten in de koloniën er bekend om stonden dat ze zelden dekking zochten als ze werden beschoten, en als ze geraakt werden daar vervolgens heel verbaasd over waren. Het had met een gevoel van superioriteit te maken, met een idee dat de wereld vanzelfsprekend van hen was en niets of niemand aan dat idee kon tornen.

In de koloniën was dat gevoel van superioriteit groter dan thuis, op de eerste plaats om voor de hand liggende racistische redenen, maar ook om financiële. Eenvoudige ambtenaren konden zich in den verre luxe huishoudens veroorloven met tuinmannen en dienstmeisjes. Volgens Isaiah Berlin werkte dat het borderlands syndrome in de hand: juist in de gebieden die het verst van het centrum van een groot rijk liggen, volgen bestuurders het meest stoïcijns de regels, worden decorum en tradities het meest nageleefd en emoties het diepst onderdrukt. Volgens Berlin was dat de reden dat koloniale bestuurders vaak zo hemeltergend onmenselijk waren.

Medium 11077726
1898, India. Een groepsportret van Engelse kinderen in kostuums tijdens een deftig bal © Mary Evans Picture Library Ltd. / HH

Onherroepelijk werd die politieke en culturele onthechting van de regerende klasse geïnternaliseerd en vertaalde ze zich naar de manier waarop ze dachten over huwelijken (bij uitzondering romantisch) en de opvoeding van kinderen (bij voorkeur uitbesteden).

Wat deed dat met de kinderen?

Schrijvers die geboren werden in het groene Engeland zelf – George Orwell, John Le Carré – hadden vaak al hele oeuvres nodig om de trauma’s van hun kostschooljaren van zich af te schrijven, nog erger moet het zijn geweest voor de kinderen die in de koloniën werden geboren. Een onberispelijke man van Jane Gardam is opgedragen aan de ‘Raj-weeskinderen en hun ouders’. Die wezen waren niet dickensiaans zielige wezen, maar wezen-uit-luxe. Hun ouders waren de hogere ambtenaren die de koloniën in Oost-Azië regeerden (samengevat als de ‘Raj’, naar de Raj van India) en hun kinderen op jonge leeftijd naar de rigide kostscholen in het moederland stuurden. Daar kwamen ze aan, onbekend met het klimaat, meestal opgevoed door Indische of Maleise nanny’s, vaak met een taalachterstand, en overgeleverd aan de humeuren van huismeesters en medescholieren.

De onberispelijke man uit de titel is Edward Feathers, geboren in het Borneo van voor de oorlog. Zijn moeder overleed in het kraambed, zijn vader was van de klassieke stempel: een man met ‘ogen die schitterden door de malaria’. Op de kampong droeg hij een ‘smokingjasje en een zwarte das die acceptabel zouden zijn geweest in het Ritz Hotel. Geen druppel zweet.’ De jonge Edward spreekt amper een woord Engels als zijn vader hem met nauwelijks meer dan een handdruk terug naar Engeland stuurt voor zijn opleiding.

Dit is niet hoe de lezer Edward leert kennen; op de eerste bladzijdes wordt hij gepresenteerd als de ultieme Engelsman. Sir Edward is dan inmiddels gepensioneerd advocaat en rechter, hoogst succesvol, met een fijn huis in de Donheads, het meest Engelse gebied van Engeland. Zijn vrouw Betty tuiniert, hij leest af en toe een biografie. Gardam beschrijft hem: ‘Hij was ontzettend schoon. Je zou het zelfs opzichtig schoon kunnen noemen. Zijn stokoude nagels waren hagelwit omrand. De weinige nog steeds goudkleurige haartjes onder zijn knokkels zagen er altijd frisgewassen uit, net als zijn krullerige nog steeds bronzen haar. Zijn schoenen glommen als kastanjes. Zijn kleding was altijd vers gestreken. Hij bezat de elegantie van de jaren twintig, want zijn kleding, hoe die er vooraf ook uitzag, stond hem altijd goed. Altijd een victoriaanse zijden zakdoek in zijn borstzakje. Altijd gele katoenen of zijden sokken van Harrods, en een paar onverslijtbare uit zijn tijd in het Verre Oosten. Zijn huid zag er gaaf en, bij slecht licht, jong uit.’

‘Hij bezat de elegantie van de jaren twintig, want zijn kleding, hoe die er vooraf ook uitzag, stond hem altijd goed’

En dan, onverwacht, zijgt Betty tussen de tulpen ineen en moet hij als weduwnaar verder. Dan komen de herinneringen en moet hij overzien waarom hij altijd zo onaantastbaar is gebleven, zo schoon, waarom hij het leven altijd zo op afstand heeft gehouden.

Bekentenis: ik had nog nooit gehoord van Jane Gardam, 88 lentes jong. Ze heeft al een heel oeuvre bij elkaar geschreven, verhalen, kinderboeken en romans. Verschillende prijzen ontvangen, ooit genomineerd voor de Booker Prize, officier in de Order of the British Empire. Haar grote doorbrak kwam laat. Pas met Old Filth in 2004, nu vertaald als Een onberispelijke man, bereikte ze een massapubliek. De Duitse vertaling, meldt uitgeverij Cossee, staat al twee jaar in de bestsellerlijsten. In Nederland staat ze er sinds twee weken in, nadat ze door het boekenpanel van De wereld draait door is gekozen tot Boek van de Maand.

Op die keuze is niets af te dingen. Een onberispelijke man is een moeiteloos speelse roman waarin de schrijfster haar lezer in razend tempo meeneemt door de hele vorige eeuw, achteloos heen en weer springt van Londen naar Borneo, van Wales naar Ceylon. Het is een redelijk meesterlijk, soeverein boek. Vlugge perspectiefwisselingen laten personages vanuit meerdere oogpunten zien, tonen hoe een enkele uitspraak of klein gebaar op meerdere manieren is uit te leggen. Niemand heeft overzicht over de waarheid, als zoiets al bestaat. Personages blijven raadsels voor hun vrienden en voor zichzelf.

Waarschijnlijk is dat het wat van ‘Eddie’ Feathers zo’n interessant personage maakt: hij begrijpt zichzelf niet. Hij zoekt na het overlijden van zijn vrouw ook niet naar een grote, overkoepelende conclusie over het hoe en wat van zijn eigen identiteit, maar Gardam maakt het wel zo interessant voor haar lezer door daar een boom over op te zetten.

De eerste theorie, van deze lezer tenminste, is dat Eddie Feathers zoals zoveel Raj-weeskinderen opgroeit zonder al te veel liefde en genegenheid, met als gevolg dat hij zich daarna nooit echt ergens – in een huis of in een gezin – thuis voelt. Het schoolhoofd dat hem van zijn vader overneemt mag hij enkel ‘sir’ noemen. Hij vindt een boezemvriend op school, Pat Ingoldby, maar al snel vertrouwen de docenten het niet en vrezen dat ze homoseksueel zijn. Eddie’s dilemma is het dilemma dat veel Raj-wezen vormt: omdat hij het zo moeilijk vindt zich aan individuen te hechten, hecht hij zich maar aan instituties, aan regels en gewoontes. Het gevolg is dat voor de wezen het Empire hun thuis werd, wat van hen weer uitmuntende bestuurders maakte, wat hen hetzelfde deed doen als hun ouders deden – en zo ging het door, van generatie op generatie.

Uiteindelijk vindt Eddie wel een home away from home, bij de Ingoldby’s thuis. Een warme familie, met Pat, zijn zus en zijn broer. Maar net als hij eraan gewend is mobiliseert Groot-Brittannië. De Battle of Britain staat op het punt uit te breken, de Duitsers vallen aan, de Ingoldby’s vliegen uit over het hele rijk, en weer grijpt Eddie overal naast. Hij is nog net geen achttien en uit veiligheidsoverwegingen laat zijn vader – van wie hij al jaren niets meer hoorde – hem evacueren naar Borneo. Eddie schaamt zich, hij wil vechten, net als zijn vrienden, bij de marine of de Royal Air Force. In plaats daarvan wordt hij op een schip gezet en moet hij naar Borneo. Het hoofdstuk dat volgt laat schitterend zien wat een oorlog met de wereld doet. Overal waar Eddie aankomt is het net te laat, bevoorradingen zijn weg, havens zijn gesloten of puilen uit van de zieken en zwakken. Na eindeloos onderweg te zijn geweest naar het Verre Oosten moet Eddie’s schip rechtsomkeert maken naar Engeland – waar hij op sterven na dood aankomt.

Als hij is hersteld mag hij zich eindelijk aansluiten bij het leger – hij is overtuigd: ik wil vechten! – en hij wordt prompt geplaatst bij het regiment dat koningin Mary moet beveiligen, op het chique Badminton House. Thee drinken, schoenen poetsen en met de bejaarde vorstin kletsen (ze wil dat hij haar chauffeur wordt; hij heeft geen rijbewijs, maar leert rijden in het enige voertuig dat voorhanden is, een tank). Het rijk brengt hem steeds op alle plekken waar hij niet wil zijn.

Het lijkt zo alsof ik de hele plot navertel, maar nergens in het boek krijg je het idee dat de plot het punt is. Het gaat om de interpretatie van de gebeurtenissen, die betekenis geven. Doordat Gardam Eddie’s verleden steeds onderbreekt door het heden zien we alle personages decennia later weer terugblikken op de gebeurtenissen van de vorige eeuw. Wat herinnerde Eddie zich goed? Wat zag hij over het hoofd? Is onverstoorbaarheid een verdienste of een karakterfout?

Die vragen worden nog niet beantwoord. Het boek eindigt voordat Eddie zijn vrouw heeft ontmoet. Een onberispelijke man is het eerste deel van een trilogie. Na de zomer verschijnt het volgende deel in vertaling, Een trouwe vrouw, waarin de focus op Betty’s ervaringen ligt. Het voegt vast weer een diepere laag toe. Iets om naar uit te zien.