Essay Literaire nivellering

Altijd vijf ballen zijn geen ballen

Zijn we in de literaire wereld niet te vriendelijk geworden? Dat elke roman bewondering verdient, zoals Dave Eggers zegt, riekt naar intellectuele zelfmoord.

Medium img 0151

Veruit de aardigste ‘vriend’ in mijn contactenlijst op Facebook is Murat Isik. Ik kreeg een vriendverzoek van hem toen ik iets meer dan twee jaar geleden een Facebook-account aanmaakte, omdat, zo had de pr-medewerkster van mijn uitgeverij me op het hart gedrukt, dat de beste manier was om mijn roman online te promoten. En dus accepteerde ik in die tijd ook de vriendverzoeken van mensen waar ik nog nooit van gehoord had, zoals Murat Isik.

Isik, las ik op zijn profielpagina, werkte zelf aan een roman, Verloren grond, die bij uitgeverij Ambo zou verschijnen. In de maanden en jaren daarna vertelde hij zijn ‘vrienden’ hoe ver hij al was, zoveel hoofdstukken voltooid, zoveel hoofdstukken nog te gaan. Zoals veel schrijvers liet hij dolblij de cover zien toen deze eenmaal was ontworpen, vertelde hij hoe trots hij was toen hij voor het eerst in de aanbiedings­folder van Ambo stond. Hij berichtte onverholen enthousiast over zijn naderende boek, hoe hij daar naar uitkeek, welke mensen hij dankbaar was voor hun steun en hulp. Toen het boek er eenmaal was, postte hij elke recensie, elk interview, elke optreden, elk wissewasje. En al zijn Facebook-vrienden reageerden steeds even blij. Van elke nieuwe druk maakte hij melding, waar mensen hem weer voor feliciteerden, waar hij ze weer voor bedankte. De toon was steeds: trots, verbaasd over en dankbaar voor zijn succes.

Uit alles bleek dat Isik genoot van zijn schrijverschap en de literaire wereld als een nieuwe, vriendelijke schoonfamilie beschouwde. Toen ik dit jaar jarig was, vlak voordat Verloren grond verscheen, feliciteerde Isik me niet op mijn openbare wall, maar stuurde hij me zelfs een persoonlijk bericht. Dat doet mijn broer niet eens, maar die had dan ook geen nieuwe roman die een paar weken daarna zou verschijnen.

In al die tijd heb ik Isik misschien één keer iets boos horen zeggen, maar dat was over Jack van Gelder en waarom Jack steeds zo over de jonge Ajax-middenvelder Christian Eriksen zat te klagen bij Studio voetbal – al zou het antwoord op die vraag evident moeten zijn, namelijk dat Eriksen met al zijn talent als aanvalsleider veel te weinig dreiging naar de goal toe veroorzaakt. Of omdat hij, wanneer Ajax slap speelt, meegaat in die slapte in plaats van het team er bovenuit te tillen.

Maar Jack van Gelder is dan ook de meest onderschatte tv-persoonlijkheid van Nederland.

Uiteindelijk heb ik Facebook nooit echt gebruikt als pr-middel. Als er een positieve recensie verscheen, vond ik het very uncool deze op mijn wall te posten; als er een negatieve verscheen zweeg ik die liever dood. Murat Isik heb ik tot op de dag van vandaag nooit ontmoet, en de suggestie dat hij mij als criticus alleen feliciteerde om zichzelf in een goed daglicht te zetten aangezien zijn boek bijna verscheen, zegt ongetwijfeld meer over mijn cynisme dan iets over Isik. Verloren grond heb ik nooit gelezen, om de eenvoudige reden dat ik me erg oncomfortabel had gevoeld als ik het zou moeten bespreken in De Groene Amsterdammer.

Want wat als ik het vreselijk had gevonden? Wat als ik het met clichés aan elkaar geregen pathetische nep-literatuur had gevonden? Had ik dat na twee jaar zijn ups downs, zijn hopes fears over zijn eerste roman meegemaakt te hebben zwart-wit hebben durven opschrijven? Als Facebook-vriend zou ik deel uitmaken van zijn teleurstelling, door mezelf veroorzaakt.

Murat Isik is hier slechts een voorbeeld: er zijn talloze schrijvers die een dergelijke online persona hebben. Op Facebook en Twitter kan de literaire wereld er soms uitzien als een zichzelf constant feliciterende massa, bestaande uit schrijvers, redacteuren, boekverkopers, recensenten, uitgevers, fictieliefhebbers, bloggers en familieleden van, die het allemaal permanent met elkaar eens zijn. Ik heb altijd een hekel aan dit soort Grote Uitspraken, nostalgisch naar een verleden waarvan ik niet weet of het ooit echt zo heeft bestaan – maar ik ontkom soms niet aan het idee dat de tijd waarin schrijvers fundamenteel kritische wezens waren voorbij is. (Tenminste, in het openbaar: de schrijvers die je op borrels spreekt zijn zelden allemansvrienden, ze houden elkaars literaire aandelenkoers nauwgezet in de gaten, of zoals Gore Vidal opmerkte: ‘Every time a friend of mine succeeds, I die a little.’ Anders gezegd: ‘It is not enough to succeed. Others must fail.’)

Boeken worden geprezen en dan, wanneer de rollen zijn omgedraaid en de ander heeft een boek, prijst de geprezene rechtstreeks terug. Recensie in de Volkskrant: Like! Interview in Het Parool: Like! Het geldt ook als je de sociale media buiten beschouwing laat, iets wat je helemaal merkt als je een boekenbijlage aanstuurt: vrijwel elk verzoek aan een auteur om iets over een andere (nog levende) auteur te schrijven wordt afgewezen, veelal met het argument dat de auteur zich daar niet gemakkelijk bij voelt. De vele auteurs met blogs gebruiken die ruimte vooral, lijkt het wel, om te benadrukken wat ze mooi vinden.

Iets wat natuurlijk, dat moet gezegd, een goed recht is. Het is ook leuker iets mooi te vinden dan niet – en het is helemaal leuker om iemand een compliment te geven dan om uit te leggen waarom je het slot van zijn roman niet vond aansluiten bij het middendeel. Je voelt je als criticus al snel zo’n bruut als je opschrijft dat dit-en-dit boek een flink potje kut is.

Het is de taak van de criticus per definitie kritisch te zijn, wat iets anders is dan per definitie negatief. Afkraken is niet het doel, grondig doorlichten wel.

Wat is kritiek? Karl Marx beschreef het mooi. Op een perfecte dag in een perfecte wereld zou de blije burger ’s ochtends jagen, ’s middags vissen, het vee bijeen drijven in de avond en hij zou ten slotte ‘kritiseren na de avondmaaltijd’. Met kritiseren bedoelde Marx het maken van onderscheid. Hij bedoelde praten over ideeën, over esthetiek en moraliteit alsof deze dingen ertoe doen (en dat doen ze). Hij bedoelde langer nadenken over de manier waarop ideeën en boeken zich aan je presenteren. Hij bedoelde onder woorden proberen te brengen waarom iets goed is en iets anders niet. Hij bedoelde dat niet iedereen een gouden medaille verdient op sportdag, dat er gradaties zijn die de diepte maken.

De meest ideale rol van de criticus werd dit jaar verwoord door Daniel Mendelsohn, auteur van de bestseller The Lost, over de holocaust en zijn familie, en een van de toonaangevende critici van theater en literatuur in Amerika. Het stuk stond op de website van The New Yorker en was getiteld ‘A Critic’s Manifesto’: ‘In al die jaren dat ik (recensenten) las, terwijl ik door de middelbare school heen ging en door de universiteit, kwam het nooit in me op dat ze me echt probeerden te overtuigen om die ene voorstelling te zien, dit of dat boek te kopen, of die en die film te zien; ik stelde me ook niet voor dat er neerbuigend tegen me werd georeerd of dat ik gemanipuleerd werd, of dat ik niet het recht had het met ze oneens te zijn. Ik dacht over deze critici als leraren, en net als alle goede leraren doceerden ze door het juiste voorbeeld te geven; en ze gaven dat voorbeeld, week na week, door te laten zien hoe ze tot hun beoordeling kwamen (het woord critic, leerde ik later, komt van het Griekse woord voor “rechter”).’

Leon de Winter zei eens in een interview (woorden die ongetwijfeld nog door een heel dozijn andere verbolgen auteurs in soortgelijke variaties zijn geuit): ‘Iedereen wil schrijver worden, niemand wil criticus worden.’ Maar toen ik op de School voor Journalistiek zat leek het me een droom om met over literatuur schrijven geld te verdienen, zoals er ook volop studenten in mijn klassen ervan droomden om film­criticus of muziekcriticus te worden.

Of anders wilden ze wel voetbalcommentator worden – om Jack van Gelder er nog eens bij te halen, wiens wedstrijdverslagen op de radio in feite recensies in real time zijn.

Mendelsohn wees erop dat New Yorker-_filmcritica Pauline Kael door het enthousiasme van haar recensies, haar overdreven gestileerde en zorgvuldig gekozen woorden, haar grandioze _sweeping statements hem het gevoel gaf dat er heel wat op het spel stond als hij naar de film ging (en dat staat er ook). Mendelsohn schreef dat hij nooit zou vergeten dat een critica opmerkte dat het te vroege overlijden van een geliefde dichter (James Merrill) haar zo droevig stemde omdat de dichter haar nu niet kon leren hoe ze ouder moest worden. Dus daar was poëzie voor, leerde ze Mendelsohn, het liet je zien hoe te leven!

Mendelsohn reageerde op een discussie die in de VS was opgelaaid over de rol van de recensent, naar aanleiding van twee critici die hadden aangegeven niet meer negatief te willen recenseren. De eerste was Lev Grossman van Time Magazine, daarna schreef Laura Miller, chefcritica bij het gerenommeerde online magazine Salon.com, er een essay over. Miller prees een bespreking van een tv-critica over een nieuwe serie van de beroemde scriptschrijver Aaron Sorkin (The West Wing, The Social Network), waarin de critica niet alleen de methode-Sorkin tegen het licht hield, maar ook uitlegde waarom het vreselijk voorspelbare, eigengeile televisie opleverde. Maar zou ik, schreef Miller, ook zo’n soort stuk over een roman schrijven? Nee. Een intens negatieve recensie van een film of serie van Sorkin heeft een concreet nut; zijn films trekken miljoenen kijkers, waardoor ze algemeen cultuurgoed zijn. Zelfs mensen die een bepaalde film niet gezien hebben, kunnen baat hebben bij een negatieve recensie.

Maar dat geldt niet voor romans, vervolgde Miller, want ‘the average new book is invisible to the average reader’. We leven in een wereld waarin je niet meer kunt verwachten dat de gemiddelde burger met een universitair diploma tien romans per jaar leest, waarin je niet zonder meer kunt verwachten dat iemand zelfs gehypete auteurs als Jonathan Franzen of Dave Eggers zonder meer kent. Ze zei het niet met zoveel woorden, maar Miller pleitte ervoor om in grote publicaties (de kranten en tijdschriften voor een massapubliek) als criticus aansluiting te vinden bij de mensen die nog te redden zijn, de potentiële boekenlezers, en hen te wijzen op boeken die ze interessant zouden vinden, om ze lezende te houden.

In het debat dook Dave Eggers ook zelf op, niet actief maar passief; verschillende keren werd een oud interview met hem geciteerd waarin hij zei: ‘Don’t be a critic, you people, I beg you. I was a critic, and I wish I could take it all back (…) Do not dismiss a book until you have written one, and do not dismiss a movie until you have made one, and do not dismiss a person until you have met them. It is a (expletive) of work to be open-minded and generous and understanding and forgiving and accepting, but Christ this is what matters. What matters is saying yes.’

Het eerste deel van Eggers’ uitspraak is het makkelijkst te weerleggen: je hoeft geen roman geschreven te hebben om er een te kunnen beoordelen (al denk ik, maar dat is een heel ander gesprek, dat je een diepere affiniteit met en meer fingerspitzengefühl voor fictie krijgt als je zelf eens tweehonderd bladzijden hebt geschreven), zoals een rechter geen moord gepleegd hoeft te hebben om een moordenaar te veroordelen, een arts geen ziekte gehad hoeft te hebben om die te kunnen genezen en ik Jack van Gelder nooit hoef te hebben ontmoet om te weten dat ik met mijn diepste zielenroerselen supergezellig bij hem terecht zou kunnen.

Het probleem dat Eggers hiermee oproept is heel erg Den Haag 2012, namelijk nivellering. Als alle romans, in de suggestie van Eggers, bewondering verdienen, dan is die bewondering gebaseerd op het bestaan van een boek, niet op de werkelijke merites. Het vervlakt elke piek en elk dal in het literaire landschap. Altijd vijf ballen zijn geen ballen. Ballen zijn bij boekbesprekingen een endemisch fenomeen. The Guardian, Le Monde, The New York Times hebben ze niet. Ze zijn een typisch Nederlands verschijnsel (al zei een NRC-_recensent tegen me, voor de goede verstaander: ‘Nou, ze zijn vooral een typisch _Belgisch verschijnsel’). Miller kreeg meer kritiek dan bijval. De senior recensent van The New York Times, Dwight Gardner, trok zijn conclusies uit Eggers’ opmerkingen en noemde het een pleidooi voor ‘mass intellectual suicide’. Gardner schreef: ‘Als een kunstwerk je iets doet voelen of denken, dan zegt (Eggers) in feite: “Houd het dan voor je.” Wat hij voorstelt is een zombie-natie, waar spitsvondigheid en dispuut afgelegd kunnen worden. Een plek waar geen denkende geest van boven de zeven ook maar een middag door zou willen brengen. Everyone would, on the up side, get a gelato.’

Daar valt verder weinig aan toe te voegen. Mijn moeder waarschuwde me toen ik klein was en constant om ijs en drop zeurde dat als ik de hele dag ijs en drop zou eten ik het in no time niet meer lekker of bijzonder zou vinden.


Joost de Vries is redacteur en criticus van De Groene Amsterdammer. Hij debuteerde in 2010 met de roman Clausewitz