De eeuwige afkeer van 020

‘Altijd weer datzellefde koleertige-kùt-Amsterdam!’

De vijandschap tussen Rotterdam en Amsterdam zit diep, maar hangt van falsificaties en mythevorming aan elkaar. ‘We hebben voortdurend het gevoel de tweede viool te spelen.’

Medium rotterdam

De klantenservice van Ziggo was op vrijdag 7 november onbereikbaar. Het kabelbedrijf maakte op die dag bekend dat het voor acht miljoen euro per jaar de nieuwe hoofdsponsor van Ajax werd. Duizenden woedende Feyenoord-supporters probeerden op die dag Ziggo te bereiken om met onmiddellijke ingang hun abonnement te beëindigen. Het gevolg: de centrale was compleet overbelast.

De Rotterdamse afkeer van Amsterdam zit diep en lijkt in de afgelopen jaren alleen maar heviger te zijn geworden. Normaal chauvinisme maakt soms plaats voor venijnige haat. Rotterdammers vinden Amsterdammers arrogant, ze hebben te veel praatjes en zijn achterbaks.

Natuurlijk, in de meeste gevallen gaan de opmerkingen gepaard met een relativerende glimlach en vallen de tegenstellingen eenmaal in gesprek reuze mee. Maar er is een harde kern die de vooroordelen bloedserieus neemt. Zo zijn er Rotterdammers die de plaatsnaam Amsterdam niet eens meer over hun lippen kunnen krijgen. Zij spreken consequent van ‘020’ en mijden ook als het even kan fysiek de hoofdstad.

Soms neemt de afkeer gewelddadige vormen aan. Amsterdammers die in het Rotterdamse uitgaansleven te zeer met een hoofdstedelijk accent praten, lopen het risico van een flinke aframmeling. En het supportersgeweld rond de ‘klassieker’ Feyenoord-Ajax liep dermate de spuigaten uit dat de burgemeesters van de twee steden vijf jaar geleden in overleg met de knvb besloten om voortaan geen supporters van de bezoekende ploeg meer toe te laten.

‘Weet je wat een Rotterdammer het mooist van Mokum vindt? Dat is de laatste trein naar Rotterdam, dat weet het kleinste kind. Hij vindt Amsterdam wel aardig maar doet een dubbele moord voor zijn metrosche tunnel en voor Feyenoord.’ Met dit onschuldige liedje stal Tom Manders in de rol van de vriendelijke zwerver Dorus in de jaren zestig de harten van veel Rotterdammers. Ook bij ons thuis behoorde de lp van Dorus samen met het singeltje met de samenvatting van Feyenoord-Celtic van Theo Koomen (De bal ligt in het doel, de bal ligt in het doel, hij ligt echt in het doel!!!!!!!!) tot de grijsgedraaide platen.

Mijn ouders, opgeklommen arbeiderskinderen die zowel het Duitse bombardement in 1940 als het Engelse in 1943 van nabij hadden meegemaakt, voedden ons op met een gezond Rotterdams chauvinisme. Als er in de bouwput die het centrum was een nieuw gebouw af was, dan gingen we onmiddellijk kijken naar deze aanwinst voor de stad. Trots waren we op de Lijnbaan, de eerste autovrije winkelpromenade in Nederland, die internationaal de aandacht trok. Trots waren we natuurlijk ook op de wederopbouw en de haven – vanaf 1962 zelfs de grootste ter wereld. We gingen regelmatig van Rotterdam-Zuid naar de Parkhaven om schepen te bekijken. En dolenthousiast begroetten we de Europacup en Wereldbeker van Feyenoord.

‘Niet da’k wat tege Amsterdammers hep… ’t Zijn beste mense, hebben een goed hart… ’t Moes alleen gekóok opter rug hange en dan zo laag dat de honde erbij kenne.’ In Rotterdam is Dorus inmiddels vervangen door Jules Deelder. In een plat Rotterdams uitgesproken, verontwaardigde monoloog verwoordt de dichter, dj en nachtburgemeester de gegroeide aversie tegen Amsterdam. ‘Altijd weer datzellefde over-het-paard-getilde-lou-toffe-god-gloeiende-pest-pokke-vol-automatische-gaskamer-breje-tering-touw-tyfus-blaf-kanker-koleertige-kùt-Amsterdam!’ Humor die inmiddels door menige Rotterdammer bloedserieus wordt genomen.

Wanneer is de eigen trots vervangen door regelrechte afkeer van de ander? Wat zijn de wortels en wat zegt de verandering over de huidige stad? De economische neergang zal zeker een rol spelen, maar is te plat als enige verklaring. Ook grote culturele en sociologische veranderingen hebben in Rotterdam plaatsgevonden.

De controverse is minstens drie eeuwen oud, constateerde de historica Cora Boele toen ze in 1986 voor een Rotterdam-Amsterdam-tentoonstelling in het Historisch Museum De Dubbelde Palmboom de archieven in dook. In de Gouden Eeuw was Rotterdam een onbeduidende kamer in de Vereenigde Oostindische Compagnie (voc), maar ook toen al werd het gezag van het grote Amsterdam getart. Zo maakten Rotterdamse kooplieden de Franse Walviscompagnie erop attent dat de Amsterdamse prijzen voor walvisproducten als olie en levertraan veel te hoog waren. Zij konden die veel goedkoper leveren en de Rotterdammers boden ook hun bemiddeling aan bij de aanschaf van walvisschepen, dit tot woede van de Amsterdamse burgemeesters die hun monopolie op de walvisvaart verloren zagen gaan.

‘Het is traditie en geen vitten elkander in het haar te zitten, precies als Leiden en het Sticht dat doen met opgewekt gezicht’

De tegenstellingen waren aanvankelijk vooral economisch van aard, blijkt uit het onderzoek van Boele, en namen tijdens de industriële revolutie sterk toe. Door de handel tussen de industriële grootmachten Engeland en Duitsland was het belang van de Rotterdamse haven sterk toegenomen. Al in 1872 ontving Rotterdam drie keer zo veel schepen als de hoofdstad.

De havens in beide steden dreigden echter te verzanden en er waren grote infrastructurele investeringen nodig om de teloorgang te voorkomen. Voor geld klopten beide steden bij het rijk aan. De strijd werd uiteindelijk beslist door premier Thorbecke, die bij de Tweede Kamer kanaalprojecten voor beide steden indiende. Zo kreeg Rotterdam in 1872 een open zeeverbinding met de Nieuwe Waterweg en opende koning Willem III in 1876 het Noordzeekanaal. Vooral Rotterdam profiteerde echter van de sterk toegenomen Engels-Duitse transitohandel, omdat de Amsterdamse verbinding met de Rijn slecht was. Pas in 1952 ging het Amsterdam-Rijnkanaal open, een verbinding die er wat betreft Rotterdam niet had hoeven komen.

En zo waren er meer conflicten, bijvoorbeeld over postverbindingen naar Engeland en Hamburg en de aanleg van spoorwegen, die vaak werd uitgesteld omdat Rotterdam de Rijnvaart wilde beschermen. ‘De Rotterdamse lobby was over het algemeen beter dan de Amsterdamse’, constateert Boele. ‘De Rotterdamse industriëlen en handelaren hadden betere contacten in Den Haag en wisten die goed te gebruiken. Amsterdam deed volgens de Rotterdamse elite daarentegen vaak aan valse concurrentie.’

In de jaren vijftig van de vorige eeuw leidde dat nog tot slaande ruzie tussen de burgemeesters Van Hall en Van Walsum over de graanoverslag. Amsterdam verlaagde namelijk de havengelden om zo een gedeelte van deze lucratieve handel van Rotterdam af te snoepen. Gelukkig waren de persoonlijke verhoudingen tussen de twee burgemeesters goed. Zo stuurde Van Walsum zijn Amsterdamse collega in 1957 een Sinterklaas-gedicht met de strofe: ‘Het is traditie en geen vitten elkander in het haar te zitten, precies als Leiden en het Sticht dat doen met opgewekt gezicht.’

Veldslagen vonden met de economische opkomst van Rotterdam ook plaats in de culturele sector. De havenstad wilde meer zijn dan alleen maar een ‘werkstad’. Zo werden er in de negentiende eeuw al toneelgezelschappen naar Rotterdam gelokt en in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontstond een bittere strijd rond het Nederlands Architectuurinstituut, dat tot woede van Amsterdam toch aan Rotterdam werd toegewezen door de uit de Rotterdamse regio afkomstige minister van Cultuur Elco Brinkman, die zijn besluit verdedigde met de zinsnede ‘Amsterdam wil altijd meer, heeft nooit genoeg.’

Het belangrijkste strijdtoneel tussen de twee steden was in de recente geschiedenis natuurlijk de sport, en dan vooral de voetbaltweestrijd tussen Ajax en Feyenoord. ‘Een controverse die beide clubs veel heeft opgeleverd’, vindt sporthistoricus Jurryt van de Vooren. ‘De wedstrijden tussen de twee clubs in de jaren zeventig zijn te vergelijken met Real Madrid-Barcelona nu. De twee clubs joegen elkaar op tot grote hoogten. In ons land werd daardoor het beste voetbal van de wereld gespeeld.’

Ajax met Cruijff en Keizer, het gouden Feyenoord-team met Van Hanegem en Coen Moulijn, de frêle buitenspeler die met scherpe dribbels het vijandelijk strafschopgebied penetreerde. Het legioen loeide van verontwaardiging als een verdediger een aanslag pleegde op de dunne beentjes van Coentje, en ik loeide als tienjarige mee. Ik was er namelijk achter gekomen dat de hekken van het stadion een kwartier na rust opengingen voor mensen die de files wilden vermijden en kon gratis naar binnen glippen om de rest van de wedstrijd te volgen. Verliezen deden we nauwelijks, en als het gebeurde werd thuis niet naar Studio Sport gekeken.

De populaire geschiedenis van de twee clubs hangt overigens volgens de Amsterdamse Feyenoord-supporter Van de Vooren van falsificaties en mythevorming aan elkaar. Zo zou Feyenoord een havenarbeidersclub zijn die vooral met werkvoetbal de top bereikte. En Ajax was een joodse club die het altijd van technisch spel moest hebben. ‘Als je in de geschiedenis duikt, blijkt dat allemaal niet waar te zijn’, weet Van de Vooren. Zo is Feyenoord in 1908 opgericht door kantoorklerken en was het een breed samengestelde vereniging waarin grootindustriëlen grote invloed hadden. In 1918 werd de club zelfs financieel gered door een joodse ondernemer. De Rotterdamse club had ook meer joodse leden dan het enigszins elitaire Ajax. In 1940 nam het bestuur van Feyenoord daarom ook het besluit om de geloofsachtergrond uit de ledenlijsten te schrappen. Men wilde het de Duitse bezetter niet al te gemakkelijk maken. Ajax daarentegen heeft nauwelijks joodse leden gehad. Van de Vooren: ‘In het eerste elftal van Ajax hebben tot nu toe maar vier en een halve joodse voetballers gespeeld. Die halve is Sjaak Swart, want die had alleen een joodse vader.’

De wedstrijden tussen de twee clubs werden door de aanhang van beide clubs ook lange tijd zeer gewaardeerd, blijkt uit het onderzoek van de sporthistoricus. Hij vond in het archief van de Rotterdamse club een wedstrijdverslag van een met 4-0 verloren wedstrijd waarin desondanks valt te lezen dat ‘ook deze strijd was zoals hij steeds geweest is tussen Ajax en Feyenoord, n.l. sportief en fair’. En uit 1934 is een brief gevonden waarin de aanvoerder van Ajax A1 de tegenstander bedankt voor de wedstrijd met de woorden: ‘Onze jongens waren er opgetogen over, Feyenoord een nederlaag te hebben toegebracht na een spannende en faire wedstrijd, omdat een overwinning behaald op een tegenstander van een uitstekende reputatie altijd veel meer voldoening geeft dan een gemakkelijk behaalde overwinning. Three cheers voor Feyenoord.’

‘Jules Deelder verwoordde het goed: “Ook onze Marokkanen hebben een hekel aan Amsterdam – het gaat de goede kant op”’

In het clubblad werden ook regels voor voetballers opgenomen die moesten winnen ‘zonder snoeverij’ en verliezen ‘zonder mopperen’. Ze moesten liever willen verliezen dan ‘te winnen door niet volkomen eerlijk spel’. En voor supporters gold dat zij ook het goede spel van de tegenstander dienden toe te juichen.

Waar is het misgegaan? Wanneer gingen supporters elkaar naar het leven staan? Trieste dieptepunten waren de dood van Ajax-supporter Carlo Picornie in een weiland van de A9 bij Beverwijk tijdens een gewelddadig treffen tussen de twee supportersgroepen, en het gooien van een spijkerbom in 1989 in het Olympisch Stadion, met acht zwaar gewonden tot gevolg.

Ajax-supporters namen ook de geuzennaam ‘joden’ aan, wat weer tot gevolg had dat Feyenoord-aanhangers misselijkmakende liedjes en geluiden produceerden. Dat begon bij een wedstrijd met sissende geluiden, refererend aan het Duitse gifgas, om vervolgens verder te gaan met slogans als ‘Hamas, Hamas, alle joden aan het gas’ en ‘Wie niet springt is een jood!’ – een spelletje waar tienduizenden mensen aan deelnamen. Veel Ajax-supporters van joodse komaf mijden sindsdien De Kuip.

De twee supportersgroepen hebben volop meegedaan aan het in de jaren tachtig uit Engeland overgewaaide hooliganisme, weet Van de Vooren. ‘Opvallend is dat het in die tijd erg slecht ging met de clubs, het voetbal was vaak niet om aan te zien en de frustratie bij beide kampen zat diep. Er was weinig anders om trots op te zijn dan de kameraadschap binnen de eigen groep.’

Maatregelen van de overheid en de clubs lijken uiteindelijk resultaat te boeken. De sfeer in de stadions is wat vriendelijker geworden, zelfs gezinnen met kinderen wagen zich er weer. Al durven de burgemeesters het nog niet aan om supporters van de bezoekende club te ontvangen.

Op het voetbalveld is recent ook een ander hoopvol fenomeen naar voren gekomen. Rotterdammer zijn is een open, omarmend begrip. Mensen kunnen Rotterdammer worden door er simpelweg naartoe te verhuizen, er te werken of te voetballen. De voormalige Ajax-keeper Kenneth Vermeer die dit seizoen naar Feyenoord verhuisde, is na een paar goede reddingen al een halve Rotterdammer geworden en als de club kampioen wordt of de Europa League wint is hij het helemaal. Hij kan verrotterdamsen, net zoals de Noord-Hollander Pim Fortuyn dat deed.

Het zijn rond de feestdagen drukke tijden voor Herco Kruik. De schrijver/uitgever heeft zich gespecialiseerd in het Rotterdamse gedachtegoed. Bestsellers zijn Rotterdamse bijnamen, waarvan hij er inmiddels tienduizend verkocht heeft, de Rotterdamse scheurkalender en het boek Rotterdam versus Amsterdam, dat inmiddels is uitverkocht. Ook een mok met aan de ene kant Amsterdam met drie rode kruizen en aan de andere kant Rotterdam met drie groene V-tekens doet het erg goed. ‘Aardigheidjes zijn het’, volgens Kruik, ‘Rotterdammers en ex-Rotterdammers geven ze graag aan elkaar als cadeautje.’

Opgegroeid in Oostvoorne onder de rook van Rotterdam werd hij als student verliefd op de stad. ‘Rotterdammers zijn rechtdoorzee, je weet wat je aan ze hebt en ze hebben gevoel voor humor’, somt hij op. De humor komt vooral tot uiting in de bijnamen die nieuwe gebouwen krijgen. Zo heet het nieuwe station nu al in de volksmond Station Kapsalon, de beurstraverse werd Koopgoot en de Erasmusbrug heeft inmiddels – niet geheel verrassend – de bijnaam Orgasmusbrug. De nieuwe overdekte markthal – de eerste in zijn soort in Nederland – droeg na twee dagen al de naam Puntenslijper.

Het anti-Amsterdam-sentiment moet je wel met een korreltje zout nemen, vindt Kruik: ‘We zien onszelf toch een beetje als Calimero, we hebben voortdurend het gevoel de tweede viool te spelen.’ Lachend: ‘En Amsterdammers zijn natuurlijk ook arrogante mooipraters.’ Toch herkent hij ook de verharding: ‘We hebben als Rotterdammers gewoon minder om trots op te zijn. De haven heeft zich naar buiten de stad verplaatst en levert nauwelijks nog werkgelegenheid op, de werkloosheid is hoog en de samenstelling van de bevolking is enorm veranderd. Men voelt zich in de verdrukking zitten.’ De autochtone Rotterdammer voelt zich in zijn onvrede niet serieus genomen. Dat kwam ook tot uiting in de massale omarming van Pim Fortuyn en de grote verkiezingsoverwinningen van Leefbaar Rotterdam.

Toch ziet Kruik ook een kentering. De spanningen in de multiculturele samenleving lijken in de havenstad af te nemen en het Rotterdams chauvinisme speelt daarin een belangrijke rol. Kruik: ‘Jules Deelder verwoordde het laatst goed: “Ook onze Marokkanen hebben een hekel aan Amsterdam – het gaat de goede kant op.”’

En ook de trots op de eigen stad begint langzaam maar zeker terug te keren. Rotterdammers hebben behoefte aan iconische gebouwen die in het hart gesloten kunnen worden, zegt Kruik. Aan het begin van de eeuw was dat Het Witte Huis – met 43 verdiepingen de eerste wolkenkrabber in Europa. Daarna was het in de jaren twintig de spoorbrug De Hef en in de naoorlogse jaren de Lijnbaan en natuurlijk de Euromast – lange tijd het hoogste gebouw van Nederland. ‘Nu hebben we het nieuwe station en dat vinden de Rotterdammers echt geweldig. Bij de opening door koning Willem-Alexander kwamen twintigduizend mensen kijken. Waar maak je dat mee? Er gaat echt weer een positieve vibe door de stad.’


Beeld: ‘We hebben als Rotterdammers gewoon minder om trots op te zijn’ (Otto Snoek).