Profiel: Piet Hein Donner

Altijd weer de wijze man

Strak kijkt hij voor zich uit als minister-president Balkenende de eerste keer schuttert. De tweede keer wordt het hem te gortig. De mi nister van Justitie fluistert omzichtig iets naar de jeune premier. Secondenlang blijft Balkenende stil. Glazig blikt hij de Kamer in, het antwoord schuldig op een vraag over de rechtmatigheid van de onderzoeksopdracht van het Kabinet der Koningin aan de BVD. Iets minder omzichtig, goed hoorbaar door de microfoon, herhaalt de minister van Justitie even later zijn uitleg. Stamelend neemt Balkenende de zinnen van zijn partijgenoot over. «Het probleem is dat er soms bepaalde verplichtingen in de wet worden opgenomen», vervolgt hij op eigen kracht zijn betoog. Wanneer na RPF-voorman Rouvoet ook PvdA-woordvoerder Kalsbeek voor meer uitleg bij de interruptie microfoon verschijnt, wordt Balkenende gered door de kamervoorzitter: «De Kamer krijgt uiteraard antwoord van het kabinet, maar bij monde van de minister van Justitie. De minister-president vervolgt nu zijn betoog.»

Het was geen sterk optreden van Balkenende, daar zijn vriend en vijand het over eens. Maar het optreden van de demissionaire premier oogde nog zwakker dan het al was door het sterke optreden van minister Piet Hein Donner van Justitie. Zoals vaker sinds het aantreden van het kabinet-Balkenende moest «schaduwpremier» Donner de jonge onervaren minister-president vorige week uit de brand helpen. Naarmate Balkenende langer aan het woord was, werd de verwarring bij de kamer leden groter. De brief van de premier over de kwestie-Margarita liet volgens de parlementariërs nog vele vragen onbeantwoord. In plaats van deze onduidelijkheden weg te nemen, veroorzaakte Balkenende een algehele spraakverwarring, die alleen maar meer vragen opriep.

Minister Donner, die er met zijn interventies voor zorgde dat Balkenende niet meteen ach terover kukelde, trekt in zijn eigen termijn vervolgens alle registers open om de rechtmatigheid van het handelen van het Kabinet der Koningin aan te tonen. Kribbig reageert hij op in terrupties van de Socialistische Partij. Hij erkent dat het kabinet — lees: Balkenende — er een rommeltje van heeft gemaakt, priemt zijn wijsvinger in de richting van een al te kritisch kamerlid, schudt de ene na de andere wetstekst uit de mouw en doet met een stalen gezicht een beroep op gezond burgermansverstand: natuurlijk ga je met compromitterende informatie over een aanstaande schoonzoon «naar de vader van het meisje». Dat gebeurt in «iedere andere willekeurige familie», dus ook bij de Oranjes, redeneert Donner. Als een volleerd staatsman pareert de minister zonder blikken of blozen de aanvallen uit de Kamer. Terwijl hij net als Balkenende nog maar een paar maanden het ambt van minister bekleedt, is de in het openbaar bestuur veel ervarener Donner in staat de Kamer in korte tijd te overtuigen. Zelfs op de vraag of de echtgenoot van prinses Margarita nu wel of niet is afgeluisterd, heeft hij een antwoord: «De fout is dat iedereen in Nederland onmiddellijk denkt dat als er afluisterapparatuur is, die door de BVD moet zijn geplaatst.» Niet voor niets is in de brief van het kabinet expliciet ontkend dat door de BVD van bijzondere bevoegdheden gebruik is gemaakt, zegt Donner.

Op paleis Noordeinde zal een zucht van verlichting zijn geslaakt. Na het gestuntel van Balkenende — dat eigenlijk al begon bij de val van zijn kabinet op de dag van de uitvaart van prins Claus — redde minister Donner een zaak die bijna niet te redden viel, al zijn de mogelijkheden van het koninklijk huis om via het Kabinet der Koningin op eigen houtje te handelen behoorlijk aan banden gelegd.

In het parlement werden de politieke conclusies getrokken. De oordelen over Balkenende waren ongenadig hard. Met name Thom de Graaf (D66) en Femke Halsema (GroenLinks) lieten er geen twijfel over bestaan dat Donner voor de premier de zaak gered had. De Graaf bedankte in zijn tweede termijn «in het bijzonder de minister van Justitie» voor de uitleg. Halsema zette het nog meer op scherp: «Als premier Balkenende aan het woord kwam, gold wat mij betreft te vaak dat de vader van de jongen eraan te pas moest komen. Eerlijk gezegd vinden wij dat een premier niet passen», zei de GroenLinks-leider. In Het Parool trok ze twee dagen later de ultieme conclusie uit het optreden van de minister-president: gezien de zware nationale en internationale tijden is een scherper crisismanager als primus inter pares gewenst. «Het is zinvol het CDA in overweging te geven Donner als kandidaat voor het premierschap voor te dragen.»

De oproep van Halsema komt niet uit de lucht vallen. Ze is bovendien niet de enige die er zo over denkt. Wel is ze een van de weinigen die onomwonden een voorkeur voor Donner durft uit te spreken. De PvdA, hoewel geruisloos naar verluidt nog altijd met de christen-democraten onderhandelend over een regeerakkoord, durft de gesprekspartner niet af te vallen en weigert te erkennen dat het optreden van Balkenende zorgen baarde. En hoewel in CDA-kringen achter de schermen veel kritiek is op het optreden van Balkenende, de exit-optie Donner blijft onuitgesproken. Alleen CDA-orakel Aantjes noemt de voormalige staatsraad als alternatief voor Balkenende. Maar dat doet Aantjes al sinds 15 mei vorig jaar. In zijn optiek hoort een partijleider in de Tweede Kamer, niet in het kabinet. In die opvatting wordt hij overigens gesterkt door het rapport van de commissie-Gardeniers, die na de gigantische verkiezingsnederlaag van 1994 concludeerde dat de herkenbaarheid van het CDA te lijden had gehad onder het premierschap van Lubbers, partij leider en lijsttrekker. De politiek leider van het CDA zou voortaan de fractievoorzitter moeten zijn in de Tweede Kamer. Overrompeld door de verkiezingsuitslag brak Jan Peter Balkenende vorig jaar echter meteen met deze stelregel en werd zelf premier. Bijgestaan door de schaduwpremier, dat wel.

En die schaduwpremier kreeg het al meteen druk. Op de dag dat het kabinet werd beëdigd, stond Donner de premier bij in de eerste crisis. Staatssecretaris Philomena Bijlhout van de Lijst Pim Fortuyn had gelogen over haar verleden bij de Surinaamse burgermilities en werd door Donner gedwongen af te treden. In een interview met NRC Handelsblad vertelde Bijlhout enkele weken na haar vertrek hoe dat eraan toeging: «Balkenende zat achter zijn bureau, je zag de wanhoop in zijn ogen: wat moeten we nu? Alleen Donner bleef maar hameren op het feit van die verkeerde datum, daar focuste hij op.» Ook bij volgende crises, bijvoorbeeld rond de proefballonnetjes van minister Nawijn, liet Balkenende zich bijstaan door Donner. Steeds weer hielp de minister van Justitie de premier uit de brand. Als een volleerd crisismanager. En «regeren is vooral crisismanagement», aldus wijlen prof. A.M. Donner, de vader van de minister.

Toch is Donner als bewindsman even groen als Balkenende. Maar waar de carrière van Balkenende het academisch circuit nauwelijks oversteeg, paarde J.P.H. Donner (Amsterdam, 1948) een beschouwelijke carrière aan een loopbaan achter de schermen van het openbaar bestuur. Na zijn studie rechten aan de Vrije Universiteit en Michigan University belandde hij als ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken, vanwaar hij later gedetacheerd werd bij de roemruchte parlementaire enquê tecommissie-Van Dijk (RSV). Ambtelijke faam verwierf hij vanaf 1984 als zeer loyaal en hardwerkend medewerker van minister Korthals Altes van Justitie. De VVD-bewindsman sprak louter in superlatieven over zijn assistent Donner, die in hoog tempo alle problemen oploste. «We werkten dag en nacht (hij de nacht, ik de dag) door om de Eerste Kamer steeds op tijd van repliek te dienen. Donner was deskundig, door en door loyaal en een enorme vechter. Hij ging echt voor zijn minister de barricaden op», aldus Korthals Altes een paar jaar geleden.

Van Justitie verkaste Donner naar de Wetenschappelijke Raad voor het Regerings beleid (WRR), waarvan hij in 1993 voorzitter werd. In 1997 werd hij staatsraad. Ondertussen grossierde hij in lidmaatschappen van commissies van wijze mannen. Zo boog hij zich begin jaren negentig over de toekomst van het omroepbestel, stond hij aan de wieg van de centralisatie van het Openbaar Ministerie en zat hij onder Paars II een commissie voor die een oplossing moest bieden voor het alles verlammende WAO-dossier. Binnen het CDA tekende hij onder meer voor het verkiezingsprogramma van 1994 en was hij co-auteur van het rapport Nieuwe wegen, vaste waarden, dat poogde de partij na de verloren verkiezingen weer inhoudelijk op de rails te krijgen. Harde keuzes schuwde hij steeds niet. In het verkiezingsprogramma van 1994 brak Donner voor het eerst een lans voor vervanging van het minimumloon door een door de overheid gegarandeerd sociaal minimum en in 2001 oogstte hij weliswaar veel bewondering voor het op één lijn krijgen van de breed samengestelde WAO-commissie, maar kreeg hij kritiek voor zijn verregaande voorstel de WAO nog slechts toegankelijk te maken voor volledig arbeidsongeschikten. In extremo was nog slechts «decapitatie» (onthoofding) «een situatie waarin met zekerheid medisch kan worden vastgesteld dat iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is», aldus de kampioen van het understatement in een toelichting op zijn plan. «Iemand als de zwaar gehandicapte natuurkundige Stephen Hawking bewijst dat je vanuit een rolstoel nog je geld kunt verdienen.» Ook heeft de in zijn juridische benadering nogal rechtlijnige Donner wel eens laten weten zich te ergeren aan het liberale Nederlandse euthanasie- en drugsbeleid. Omwille van Europa zou dat opgegeven moeten worden.

Nog vele commissies-Donner hadden kunnen volgen als CDA-leider Balkenende Donner niet had verzocht informateur en minister van Justitie te worden. En er waren al zo veel commissies-Donner. De huidige minister is een telg uit een fameus gereformeerd regenten geslacht, dat met opa J. Donner voor de oorlog al twee keer eerder de minister van Justitie leverde. Diens zoon, de vader van Piet Hein, was prof. dr. A.M. Donner, hoogleraar staatsrecht in Groningen en lid van het Europees Hof van Justitie. In 1976 rapporteerde hij als lid van de Commissie van Drie aan het kabinet-Den Uyl over het aannemen van steekpenningen door prins Bernhard van vliegtuigfabrikant Lockheed. In dit rapport toonde vader Donner de in precaire monarchale kwesties noodzakelijke stuurmanskunst waarover ook zoon Piet Hein afgelopen week bleek te beschikken.

«Of ik ooit minister van Justitie zou willen zijn? Het is een foute veronderstelling dat een ambtenaar ook minister kan zijn. Beleid maken en beleid verkopen, dat zijn twee geheel verschillende zaken», zei Donner jaren geleden in een van de weinige interviews die hij gaf. Niettemin rolde hij vanuit de formatie vorig jaar rechtstreeks het ministerie binnen. Om te voorkomen dat op zijn departement de inwonende LPF-minister Nawijn te veel eigen mensen zou inbrengen, gelastte hij per direct een vacaturestop voor het hele departement. Zogenaamd omdat er stevig bezuinigd moest worden. En onder het mom van nationale veiligheid of internationale terrorismebestrijding trok Donner zich, na de val van het kabinet, weinig aan van de demissionaire status. Terwijl op verscheidene departementen ambtenaren de laatste maanden klaagden over een gebrek aan werk, produceerde Justitie de ene wetstekst na de andere. Onder verantwoordelijkheid van Donner werd een voorstel ingediend voor een algemene identificatieplicht, werden de mogelijkheden voor preventief fouilleren uitgebreid en kwamen er meerdere gevangenen op één cel.

Als informateur, als minister, als schaduw premier en nu weer als informateur heeft Piet Hein Donner er persoonlijk alles aan gedaan het waanzinnige klimaat dat ontstond na de moord op Fortuyn te keren. Alle vooroordelen over het prototype gereformeerde Nederlandse politicus poogde hij te bevestigen in een soort onuitgesproken wens om politiek Nederland te normaliseren. Terwijl Bentleys en gepantserde BMW’s het Binnenhof op rolden, verplaatste Donner zich ostentatief per oerdegelijk zwart herenrijwiel. Tot aan paleis Noord einde aan toe. Steevast in driedelig grijs, een altmodisch montuur op de neus en zorgvuldig zijn woorden wegend, zonder onduidelijk te zijn.

Is de ietwat stijve Piet Hein Donner wars van uiterlijk vertoon? Welnee; als íemand heeft gewerkt aan zijn imago, dan is hij het wel. En met succes dus. Sinds de deconfiture van Balkenende zien steeds meer mensen Donner als dé panacee om na rampjaar 2002 Nederland weer in rustiger vaarwater te krijgen. «Donner gebruikt weinig jargon, debatteert open met de Kamer en is niet regentesk», oordeelde zelfs Femke Halsema toen ze vorige week voor een premierschap van Donner pleitte. «Een fenomeen» noemt de ambtelijke staf van Algemene Zaken hem, iemand die met gezag kan spreken en ontzag afdwingt. Topambtenaren van dat departement poogden vorig jaar zomer het CDA op andere gedachten te brengen en niet Balken ende maar de daadkrachtige Donner voor te dragen voor het premierschap.

Een premier moet kunnen schaken op vier borden tegelijk. Laat dat maar over aan een Donner.