Hoofdcommentaar

Altijd weer die Marokkanen

Het spoeddebat over Marokkaanse probleemjeugd, vorige week, had hilarische trekken. Maar de aanleiding is te serieus om je door de retorische bokspartij in de Kamer te laten afleiden. Het reactiepatroon van ‘ze doen weer eens niks’ versus ‘niet stigmatiseren’ is inmiddels onderdeel geworden van het probleem zelf: onmacht om een maatschappelijke misstand proportioneel te veroordelen en evenwichtig op te lossen.
Het is al jaren algemeen bekend dat er een probleem is met naar schatting een zesde van de Marokkaanse jongens. Zij verlaten vroegtijdig hun school, manifesteren zich op straat, wat het voorportaal is van afglijden naar het criminele circuit. Met die neerwaartse spiraal hebben wijkbewoners, buschauffeurs, ambulancepersoneel, politieagenten, hulpverleners, maar ook hun ouders en zusjes en Marokkaanse buurtvaders direct te maken. Het zijn geen incidenten en het valt niet zomaar te categoriseren als ‘gewoon crimineel gedrag van kansarme jongeren van alle tijden’. Wie dat nog steeds relativerend stelt, moet eens eerlijk nadenken over het eigen perspectief waarmee hij tegen de krantenberichten aankijkt: Amsterdam-Zuid of Slotervaart?
Maar het land staat zéker niet in brand, Amsterdam buiten de A10 is níet de Franse banlieue en er is geen legerinzet nodig om het probleem te attaqueren. Marokkanen zijn geen parasieten, geen criminelen en geen terroristen. Wie dat naar aanleiding van de belaagde bus in Gouda en het bedreigde ambulancepersoneel in Amsterdam generaliserend roept, doet de werkelijkheid geweld aan. Dat is minstens zo schadelijk voor de Marokkaanse meerderheid als wat doodknuffelende, munttheedrinkende beleidsmakers in steeds grovere clichés aan naïviteit wordt verweten.
Aan die pendulebeweging moet een eind komen. De periode van de kop in het zand steken of een softe aanpak van de harde kern is immers al lang voorbij. Het is geen taboe meer om bij problemen de etnische afkomst in de mond te nemen als dat een terugkerend intrinsiek patroon vertoont. Het probleem wordt door links en rechts hardop benoemd, gemonitord, onderzocht, besproken én aangepakt.
Over de Marokkaanse gemeenschap is de laatste jaren zoveel geschreven en gezegd dat we gerust kunnen spreken over een preoccupatie met deze groep. Ja, het zijn in alle opzichten altijd weer de Marokkanen. Zij genieten in tegenstelling tot andere minderheden buitenproportionele journalistieke, politieke en wetenschappelijke aandacht. Zoveel, dat langzamerhand alle naar schatting driehonderdduizend Nederlanders van Marokkaanse afkomst in kaart zijn gebracht. Ook dat heeft haast iets hilarisch. Voor Marokkanen die gewoon hun leven proberen te leiden, en dat geldt met name voor de meisjes die goed presteren op school en hun zakgeld verdienen achter de kassa van de supermarkt, moet dit ronduit irritant zijn.
De verklaringen vliegen je om de oren. De ene keer is de culturele context vooral géén factor van belang en ligt het voor alles aan de zwakke sociaal-economische positie in achterstandswijken. De andere keer, en zeker als Marokkanen zélf hun wangedrag motiveren in termen als ‘dat hoort nu eenmaal bij onze cultuur’, brengen onderzoekers de authentieke Amazigh-achtergrond uit het Rifgebergte wel in stelling.
De onderzoeksvraag richt zich nu eens op de minderheid die radicaliseert en voor de zichtbare problemen zorgt, dan weer op de gewone meerderheid die lijdt onder de beeldvorming van de harde kern. Terugkerend is de beschrijving dat Marokkaanse jongeren klem zitten tussen twee werelden en bij hun identiteitsontwikkeling continu worstelen met een loyaliteitsconflict. Waarom dat dan niet zo dramatisch is voor bijvoorbeeld Turken, is terug te voeren op de opvoeding en het gebrek aan cohesie binnen de gemeenschap.
Allemaal nuttige achtergrondkennis, maar wat al dat onderzoek verwarrend maakt, zijn de soms diametraal tegengestelde conclusies. Deze week promoveert theoloog Susan Ketner aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift Marokkaanse wortels, Nederlandse grond: Exploratie, bindingen en identiteitsstrategieën van jongeren van Marokkaanse afkomst. Zij stelt dat Marokkanen zich in de eerste plaats moslim en Nederlander voelen en dan pas Marokkaan. Ook kwam zij erachter dat discriminatie geen thema is waar Marokkanen de nadruk op leggen.
Cultureel antropoloog Martijn de Koning daarentegen stelde in zijn proefschrift Zoektocht naar de zuivere islam, april dit jaar, dat Marokkaanse jongeren steeds vaker compromisloos kiezen voor óf moslim zijn óf Nederlander. De religieuze identiteit is een strategie geworden om afstand te nemen van de samenleving waarin zij zich miskend en uitgekotst voelen.
Jan Dirk de Jong kwam in 2007 in Kapot moeilijk: Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens tot weer een andere verklaring: ‘Het zijn juist de behoeften van deze jongeren aan erkenning, veiligheid en vertier en de ontwikkeling van straatcultuur in achterstandswijken die jongeren aanzetten tot delinquent groepsgedrag.’ Wat ‘we’ vooral niet moeten doen, aldus De Jong, is de problemen en het gedrag van deze jongens bestempelen als ‘typisch Marokkaans’, want ‘daarmee houden we de problemen juist in stand en jagen we de processen aan die leiden tot de verhevigingen in hun gedrag. We moeten deze jongens in de eerste plaats beschouwen als “onze” jongens. Geen Marokkaanse, maar Nederlandse jongens.’
Ook in het onderzoek lijkt het verzadigingspunt bereikt. Er is kennis genoeg, net als plannen van aanpak. Erkenning moet gepaard gaan met enig geduld, en de spotlights moeten af van dé Marokkanen. En laten we niet vergeten dat excessief wangedrag van jongens tussen de 12 en 25 jaar (zoals het comadrinken tijdens schuurfeesten in de Hollandse polder) een breed probleem is van deze tijd.