Altijd weer Sontag

Het leven is alle dagen een schouwtoneel, maar toch moet het een bijzondere gewaarwording zijn om op een avond in een donkere zaal te zitten en jezelf en je moeder op de bühne te zien staan.

Het is een goede voorstelling waar je naar kijkt; de acteurs lijken dus niet op jullie foto’s, ze spreken Nederlands en geen Engels, je moeder is niet meer dood, allebei zijn jullie blond geworden en zelfs jullie namen worden niet genoemd.

Behalve dan op het affiche en in de toelichtingen. Daar staat dat de voorstelling geen Zondag maar Sontag heet en over Susan Sontag gaat.

Voor de kenners was die aanwijzing niet nodig. Een literaire superster die bewonderd wordt om haar essays, haar apodictische uitspraken en haar politieke engagement, maar die intussen tobde met haar minnaars en minnaressen en dan ook nog een zoon heeft die steeds weer zijn studie en zijn werk onderbreekt om bij haar te komen wonen – dat kan er maar één zijn. En dan heet de zoon dus David Rieff. De ster en de schlemiel, daar kijk je naar. Ben jij dat? Zijn jullie dat geweest?

Sontag van regisseur Naomi Velissariou en tekstschrijver Rik van den Bos is een stuk met lekkere scherpe dialogen. Een venijnige kritiek op het literaire bedrijf en zijn malle bewoners. Er is een geraffineerd geluidsdecor en halverwege wordt het spel onderbroken door de regisseur zelf, die als een techno-Cassandra citaten rapt uit de dagboeken van de schrijfster. Een mooi, vervreemdend effect.

Maar wat heeft het allemaal met David en Susan van doen?

Er zijn twee episodes in hun gezamenlijke, inderdaad griezelig symbiotische leven die in boekvorm zijn gedocumenteerd. Sigrid Nunez blikt in Sempre Susan terug op de jaren dat zij als assistent bij Sontag in dienst treedt, een relatie krijgt met David en op aandringen van de moeder bij hen intrekt. Sontag maakt duidelijk dat deze ménage ook per se zo moet blijven. Zij heeft geen zin om alleen te zijn. Zij laat haar volwassen zoon niet los.

In Swimming in a Sea of Death blikt Rieff zelf terug op de drie decennia waarin zijn moeder aan drie opeenvolgende vormen van kanker leed. Op de redeloosheid waarmee ze de ziekte bestreed, en met haar dwingelandij nog twee keer succes had ook. Het is een pijnlijk relaas, een worsteling van de moeder met de ziekte en van de zoon met zijn tekst. Er zit te veel echt leven in om als essay te overtuigen, en te veel echte dood. Maar duidelijk wordt wel dat het voor haar nooit de vraag was waar haar zoon hoorde te zijn: thuis, om haar te verzorgen. De ziekte van Sontag komt in het toneelstuk niet voor.

Fictionaliseren is soms: wel de lusten maar niet de lasten van de biografie

Tijdens de voorstelling zat naast mij iemand die meent mij te kennen, en daar naar ik vrees ook af en toe in slaagt. Zij had zich genoeglijk geërgerd aan die slappe zak van een jongen, terwijl ik met behaaglijk afgrijzen naar de monsterlijke moeder keek. Dat zei iets over ons, over onze rolverdeling, over onze achtergrond. Maar ook over de bagage waarmee we daar zaten. Ik kende toevallig die twee boeken, mijn vrouw alleen het werk van Susan Sontag en haar status als icoon. Ik vroeg mij dus af waarom de kanker ongenoemd was gebleven. Hadden we die als publiek zelf mee moeten nemen? Hadden we ons moeten inlezen? Was die ziekte de reden dat de hoofdrolspeelster geen moment overeind kwam uit haar gemakkelijke stoel?

Het probleem doet zich voor bij iedere verbeelding van een werkelijk geleefd leven. Of biografieën en memoires de waarheid spreken is nooit helemaal na te gaan, maar ze kunnen er met recht op worden aangesproken. Het etiket ‘fictie’ vrijwaart schrijvers en theatermakers wel erg makkelijk van kritiek wanneer ze hun personages toch de naam van reëel bestaande mensen geven en hun handelingen losjes naar hun wedervaren modelleren.

Connie Palmen neemt de lezer in Jij zegt het meesterlijk mee in de geschiedenis van Robert Hughes en Sylvia Plath. Maar wat als ze die namen weg had gelaten? Was haar roman dan minder overtuigend geweest?

Wat als de televisieseries over Freddy Heineken of Rijkman Groenink gewoon drama waren geweest over een naamloze brouwer en een onbekende bankier? Hadden ze dan aan spanning verloren? Ik zou benieuwd zijn naar de proef op de som. Fictionaliseren is vrijheid nemen, maar soms ook: wel de lusten maar niet de lasten van de biografie.

In Ramses, de terecht geprezen serie over het leven van de joyeuze zanger, is een treurige bijrol weggelegd voor Cees Nooteboom, als de kleinzielige (ex-)echtgenoot van Liesbeth List. In de aftiteling wordt La List bedankt voor haar genereuze medewerking aan de productie.

En zo is de enige schrijversnaam die in de toneelwoonkamer van Susan Sontag op Manhattan wordt genoemd die van, eh, Peter Buwalda.

Hoe noem je zoiets? Dichterlijke vrijheid – of een afrekening in het milieu? Soms is er geen verschil.

Binnenkort in onze theaters: Montag, niet gebaseerd op het leven van H.J.A. Hofland maar wel met een bijrol voor Jack Kerouac.