‘altijd wint de vriendschap’

M. Nijhoff, Brieven aan mijn vrouw. Bezorgd door A. Oosthoek, uitgeverij Bert Bakker, 261 blz., 3 39,90
EERST SCHRIJVEN ze elkaar alleen, later zoeken ze elkaar ook op. Verwarrende logeerpartijen met lange nachten, de kachel die brandt, de koffie of thee naast hen. Het is januari 1947. ‘Ik heb uit mijn logeren bij jou in de Jordaan een heerlijke herinnering overgehouden, ondanks het slapen op de grond’, schrijft Netty Nijhoff aan grafisch kunstenares Jeanne Bieruma Oosting.

‘Zo is ook je Sappho hier in mijn kamer nog altijd voor mij de stille getuige van een paar exceptioneel gelukkige nachten.’ Netty Nijhoff wil er iets over schrijven wat 'Het vergeten eiland’ moet gaan heten. Jeanne Bieruma Oosting maakt tekeningen met dezelfde titel. Sappho’s te over in het werk van de twee jaar geleden overleden Bieruma Oosting, maar geen 'vergeten eilanden’ meer te bekennen. Als 'Bier’, zoals ze door Netty Nijhoff liefkozend wordt genoemd, de instructies van Netty heeft opgevolgd, heeft ze de naam 'het vergeten eiland’ verwijderd van haar tekeningen. Maar of Bier zo gezeglijk was? In plaats van de brieven in de kachel te werpen zoals Netty haar dat uitdrukkelijk opdroeg, borg ze ze keurig op in een bureaulade zodat ze uiteindelijk in het Letterkundig Museum terechtkwamen.
En 'Het vergeten eiland’ van Netty Nijhoff zelf, of liever gezegd van A. H. Nijhoff, zoals haar schrijversnaam luidde? Toen ze eraan schreef, eind jaren veertig, dacht ze al dat het moeilijk zou zijn er een uitgever voor te vinden. 'In dat geval moet het maar na mijn dood verschijnen’, schreef ze aan 'Bier’. In 1971 is de schrijfster overleden. Het manuscript is nooit boven water gekomen.
Het is een intrigerende geschiedenis, die van schrijfster A. H. Nijhoff. Het werk van haar dat wèl zijn weg naar de uitgever vond, ademt iets heftigs uit, iets subversiefs en broeierigs. Het bekendst is haar debuutroman, Twee meisjes en ik (1931). Iedereen leest het in die tijd en heeft er een uitgesproken mening over: schandalig of geweldig. Het is een filosofisch getoonzette roman over de ontwikkeling van een vriendschap tussen een man en twee meisjes, en tussen de meisjes onderling. Maar het is ook een romantisch verhaal over gedoemde liefdes, tegen de achtergrond van het woeste Zuidengelse kustlandschap. Iets van de emoties bij de lezers van toen is nog steeds wel na te voelen. Het taalgebruik mag hier en daar wat achterhaald zijn en de romantisering van het kunstenaarsleven wat hoogdravend, de portretten van de twee meisjes, de een zo springerig en frivool, de ander introvert en jongensachtig, blijven prachtig. De kracht van het boek, en waarschijnlijk meteen de reden waarom Twee meisjes en ik tot op de dag van vandaag nog in herdruk te verkrijgen is, is dat waar het eigenlijk om gaat, ongenoemd blijft. Explicitering van dat ongenoemde zou iets al te simpels opleveren, of iets heel banaals.
HEEFT Twee meisjes en ik van zichzelf al iets geheimzinnigs, de auteur draagt daaraan bij door zichzelf alleen bij de initialen te laten kennen: A. H. Nijhoff. Men ging er bij de verschijning van uit dat het boek door een man was geschreven, te meer daar de 'ik’ uit de titel een man is. Eén recensent opperde zelfs dat Martinus Nijhoff zich voor de gelegenheid met een doorzichtig pseudoniem had opgetuigd en een ander, langs dezelfde weg associërend, vond dat de schrijver hoe dan ook de naam Nijhoff te schande maakte met dit immorele werk. Tegen de tijd dat ze met haar tweede boek kwam, ruim tien jaar later, was het wel duidelijk: A. H. Nijhoff was de echtgenote van Martinus Nijhoff. Dat wil zeggen, in naam. In de praktijk van alledag was er weinig huwelijks leven.
Terwijl Martinus Nijhoff al sinds de jaren twintig een rol speelde in het Nederlandse letterkundige wereldje, als dichter natuurlijk, maar ook als criticus en redacteur van De Gids, leidde
A. H. Nijhoff voor Nederlandse ogen een obscuur bestaan. Bij de verschijning van haar debuutroman woonde ze in Parijs, samen met de Engelse beeldend kunstenares Marlow Moss. In de jaren daarvoor (van 1924 tot 1930) dreef ze met een Italiaanse filmactrice, Maria Tesi, een pension vlak bij Florence. Toen haar tweede boek, de verhalenbundel Medereizigers, verscheen, in 1942, woonde ze door de oorlogssituatie gedwongen weer een tijdje in Nederland, afwisselend in Biggekerke (Walcheren) waar Martinus Nijhoff een buitenhuis had laten bouwen, en in Breda, bij hun zoon Faan. Daar, in de bosrijke omgeving van Breda, maakte ze fietstochtjes met Jeanne Bieruma Oosting. 'Ik hoop dat we weer eens zo'n soort vergeten eiland ontdekken’, schrijft Netty Nijhoff haar in juli 1943, vlak nadat ze samen blijkbaar glansrijke dagen hebben beleefd.
HAD FAAN Nijhoff daartoe het talent gehad, dan had hij misschien het huwelijk van zijn ouders kunnen portretteren zoals Nigel Nicolson dat heeft gedaan van zijn ouders, Vita Sackville-West en Harold Nicolson. Materiaal te over. In de interviews die A. H. Nijhoff heeft gegeven, benadrukte ze steevast de onverbrekelijke band met Martinus Nijhoff. 'Onze band lag dieper dan de gewone dagelijkse dingen’, was een van de terugkerende uitspraken. In de tijd dat ze haar pension in Italië dreef, kwam Martinus Nijhoff geregeld op bezoek, met of zonder vriendinnen. Na de oorlog woonden ze weer een tijdje samen onder één dak, in de Kleine Kazernestraat in Den Haag, zij het dat toen ook Marlow Moss en Georgette Hagedoorn daar bivakkeerden. Over en weer spraken ze altijd met het grootste respect over elkaar en over elkaars werk.
Mocht zoon Faan Nijhoff echter al het talent hebben bezeten, dan is het de vraag of hij er ook behoefte aan gehad zou hebben het huwelijksleven van zijn ouders op gloedvolle wijze te reconstrueren. Het allereerste wat hij tegen Michel van der Plas zei toen die hem niet lang voor zijn dood in 1986 interviewde, was: 'Dat huwelijk was een moetje voor de famielje en ik was de schuld.’ De zoon had het niet zo op zijn vader, die hij au fond toch maar een burgerman vond, ondanks zijn zwerftochten en avonturen. De echte non-conformiste was zijn moeder. En hij kon het weten, want meestal verkeerde hij in haar gezelschap, op reis door Italië, later in Parijs. Zijn moeder zorgde ervoor dat hij in de leer kon bij de fotograaf Man Ray. Het was het begin van de loopbaan van fotograaf Stephen Storm, zoals de artiestennaam van Faan Nijhoff luidde.
Als we Faan Nijhoff mogen geloven, dan heeft zijn moeder er veel last van gehad dat Martinus Nijhoff na 34 jaar huwelijk van haar wilde scheiden. 'Het was tegen onze regels. Vooral ook wat haar betreft. Tegen de kameraadschap. Waarom moest er gebroken worden? Wie had ooit eerder in hun verhouding erover geklaagd wanneer de ander met een meneer of mevrouw naar bed ging? Onzin’, zei hij tegen Michel van der Plas.
De verbittering die de houding van de zoon is blijven domineren nadat zijn vader in 1950 met Georgette Hagedoorn was hertrouwd, lijkt zijn moeder echter vreemd gebleven. Netty Nijhoff is altijd liefhebbend over Martinus Nijhoff blijven spreken, als iemand die zij als geen ander kende, als zijn vrouw kortom. Toen Martinus Nijhoff drie jaar later aan een hartaanval overleed, stonden er dan ook twee weduwen Nijhoff aan zijn graf. Olifantentrouw? Een mythe die koste wat het kost in stand moest worden gehouden?
Tegen het eind van haar eigen leven overhandigt Netty Nijhoff haar zoon een bundeltje brieven. 'Lezen!’ Opdat hij er iets van begrijpe, van dit verbond tussen de man die hij is gaan verachten en de vrouw die hij bewondert. Hij leest ze, of niet. Feit is dat hij op een avond wordt aangetroffen in het huis aan de voet van de duinen dat hij na de dood van zijn moeder heeft betrokken, plat op zijn billen naast de open haard, waarin een voor een de brieven verdwijnen. Kraaiend van plezier, omdat de schoorsteen zo lekker trekt. Dat tien jaar na zijn dood een heel stel van die brieven, keurig zij het summier geannoteerd, zouden worden gepubliceerd, dat had niemand voorzien. Een kwestie van timing van degene die Faan daar op de grond naast de open haard betrapte, op heterdaad.
DE BRIEVEN die Martinus Nijhoff tussen 1920 en 1950 aan Netty Nijhoff schreef en die nu zijn uitgegeven onder de titel Brieven aan mijn vrouw, bevestigen het beeld van een moeizaam huwelijk. Al zal het misschien voor Faan Nijhoff troostrijk zijn geweest om te lezen dat híj, de vleesgeworden aanstichter van het echtelijk verbond, in ieder geval in een moment van hartstocht 'gemaakt’ is. Een moment waarnaar Martinus Nijhoff vijf jaar na dato nog verwijst: 'Lieveling, het is nu bijna 5 jaar geleden, dat we den Pije (koosnaampje voor Faan - mp) gingen maken. En dit is weer een brief van liefde voor je. Wat we toen voelden, was een hartstocht, die deze diepte van liefde alleen nog maar kon vermoeden.’
Liefdevol en pijnlijk tegelijkertijd zijn de brieven die de Werdegang van een huwelijk begeleiden. 'Dag enige van me. Ik hou nog van niemand anders, hoor.’ Zo vrolijk, 'dag lieveling-in-al-uw-dikte’, en vol vertrouwen. Vertrouwen in Faan die een groot man zal worden, 'heerlijk voor ons om later in zijn schaduw te staan’. Maar vooral vertrouwen in de schrijfkunsten van Netty. Aan Martinus heeft het niet gelegen. 'Ik heb jarenlang met geen ander doel in een letterkundige commissie gezeten dan jou de prijs toe te kennen’, bekent hij haar in 1940.
HET IS ALLEMAAL anders gelopen. Met de furore van Faan, de onverbrekelijkheid van het huwelijk, de prijzenregen voor A. H. Nijhoff. De waardering voor haar werk heeft eenzelfde soort verloop als die voor een schrijver als André Gide, niet toevallig ook door haar vertaald en door Martinus Nijhoff hoogstpersoonlijk opgezocht in Parijs. In de jaren twintig en dertig is Gide een vast referentiepunt voor een grote groep intellectuelen en schrijvers, in ieder geval in Nederland. Nog tot in de jaren vijftig heeft zijn werk grote zeggingskracht voor de generatie die samen met hem op leeftijd is gekomen. Zowel zijn werk als dat van A. H. Nijhoff appelleert aan de herkenning van een levensgevoel. Zij prediken een soort antiburgerlijke moraal, tégen de huwelijkse en huiselijke hel van baan en kinderen, vóór vrijheid, schoonheid, vriendschap. Juist die grote verstaanbaarheid toen maakt hun werk nu voor een deel gedateerd.
Volgens Alice Nahuys van uitgeverij Querido is A. H. Nijhoff erin geslaagd, zo laat Martinus Nijhoff per brief aan Netty weten, 'om deze tijd onder woorden te brengen en in menselijke vormen en gestalten uit te drukken’. Zelf voegt hij eraan toe: 'Als dat waar is, ben je de enige in ons land die dit heeft bestaan.’ Tegelijkertijd realiseert hij zich waarschijnlijk maar al te goed hoe beperkend het verbeelden van een tijdsgeest kan zijn. Als zij blijkbaar weer eens verstrikt raakt in haar eigen filosofische spinsels bij het werken aan haar grote oorlogsroman De vier doden (1950), luidt zijn advies: 'Schrijf gewoon een mooi boek.’
Het is de tragiek van de schrijfster dat dat haar steeds minder lukte. De heftige ondertoon van Twee meisjes en ik krijgt in De vier doden iets ongebreidelds. Bladzij na bladzij krijgt de lezer haar persoonlijkheidsideaal ingepeperd, dat van de vitale, de hartstochtelijke, de stralende vrije mens, door geen angst, geen kleinheid, geen burgerlijkheid en eigenlijk ook door geen moraal gehinderd te zijn die hij is. De Idee krijgt de overhand boven de Verbeelding. Als Jeanne Bieruma Oosting in haar pogingen hun gezamenlijk beleefde 'vergeten eiland’ te verbeelden naar Netty’s smaak te veel afglijdt naar het illustratieve, wordt ze streng onderwezen. 'In dit speciale geval moet je je niet afvragen: hoe kan ik in beeld een Lesbische liefde beschrijven? Maar: welke verrukkende gestalte is het die aan mij de schoonheid van deze vorm van liefde heeft geopenbaard?’ schrijft Netty haar.
Voor haar laatste roman, Venus in ballingschap (1954), vindt zijzelf die verrukkende gestalte tijdens een van haar verblijven bij Marlow Moss in Cornwall, Zuid-Engeland. Als ze aan het zwemmen is, ziet ze een jonge vrouw staan. 'Ze stond naakt op een steen in een grot met wier om zich heen en het zonlicht viel in banen naar binnen’, vertelt ze aan een journaliste van de Haagse Post. Een prachtig gezicht dat haar verhaal direct op gang bracht. Venus in ballingschap werd na jaren zwoegen een nogal surrealistisch boek, dat al bij verschijnen weinig publiek vond. Voor vorsers naar lesbische topi interessant, voor de gemiddelde lezer moeilijk te verteren vanwege de barokke taal en de overvloedige symboliek.
'In al mijn boeken komen groepen van vrienden voor en altijd wint de vriendschap het van de liefdesverhouding’, vertelt A. H. Nijhoff in een interview. En ook: 'Na een liefdesverhouding is vriendschap mogelijk.’
Al in de jaren dertig begint Martinus Nijhoff over een scheiding. In die tijd heeft hij een jarenlange verhouding met Joselien van Dam-Van Isselt. Uit zijn vervolgbrieven blijkt dat dit voor Netty iets onbespreekbaars is. 'Ik zal na je laatste brief het woord scheiding niet meer in de mond nemen. “Scheiden tut weh.” ’ Maar als eind jaren veertig Georgette Hagedoorn haar huwelijk met Ben Royaards verbreekt, vindt Martinus het niet meer dan fair tegenover 'Zet’ om nu dan ook de stap te zetten. Het heeft iets wanhopigs, zoals hij in zijn brieven Netty herinnert aan de 'waarachtigheid’ waarnaar ze toch beiden altijd hebben gestreefd in hun leven, en dat het in feite niet veel verschil maakt. 'Jij bent en blijft mijn eerste liefde en laatste wijsheid.’ Op het ultieme argument kan Netty niet anders dan het hoofd buigen: 'Faan is nu een man (Faan is dan 32 jaar oud - mp) en zal zijn weg beter vinden naarmate wij hem meer vrijlaten.’
EEN PAAR maanden na de dood van A. H. Nijhoff schrijft Theun de Vries een liefdevolle en wervelende levensschets van haar. Hij was zowel met Netty als met Martinus Nijhoff goed bevriend. De Vries karakteriseert hun 'ambulante’ en 'ambivalente’ huwelijk als 'een liefdesgeschiedenis in grote stijl’. Na publikatie van deze tekst wil Faan Nijhoff niets meer met Theun de Vries te maken hebben. Waaraan heeft de zoon zich zo gestoord in dit toch zeer vleiende portret van zijn moeder?
Volgens Theun de Vries was het voor Faan een probleem dat uit deze tekst zou blijken dat zijn moeder lesbisch was. De schets lezende en herlezende kun je alleen maar constateren dat dit dan wel een gevolgtrekking van de ingewijde moet zijn. In neutrale bewoordingen vermeldt De Vries haar kennismaking met Marlow Moss als 'een van haar belangrijkste levensontmoetingen’. Lyrisch beschrijft hij hoe het echtpaar Nijhoff 'in onbezweken wederzijdse sympathie’ lange gesprekken bleef voeren over elkaars werk en dat het huwelijk met Martinus voor Netty 'een in toenemende mate intellectuele, artistieke voedingsbron’ vormde. Dan volgt de wat Faans gevoeligheid betreft meest gewaagde zinsnede in de tekst: 'Netty’s emotionele leven lag elders.’
Het emotionele leven van Netty Nijhoff is het laatste wat zij zelf tot onderwerp van nadere studie zou hebben willen zien. Bij haar zeventigste verjaardag had Bibeb een groot interview met haar in Vrij Nederland, een interview waarover ze achteraf volgens een vriendin 'furieus’ was. 'Netty had heel gecompliceerde gedachten’, volgens diezelfde vriendin.
Blijkbaar was ze geschrokken toen ze een paar van die gedachten zwart op wit terugzag. Niet dat ze veel loslaat van haar innerlijk leven in dit gesprek (grote kop boven het interview: 'Ik voel er absoluut niet voor alle woelingen van mijzelf op tafel te gooien’), maar het is wel zo'n beetje de enige gelegenheid waarop
A. H. Nijhoff zich uitlaat over de mensen in haar leven en over de achtergronden van haar werk. Steeds met een soort stugge terughoudendheid, dat wel, die door Bibeb op de haar kenmerkende wijze wordt vastgelegd voor het nageslacht. Een persoonlijke vriend herinnert zich nog goed wat Netty Nijhoff hem voorhield toen hij in moeilijkheden zat: 'Leef voor wat je bent, maar noem het nooit.’ Die uitspraak tekent haar levenshouding èn haar schrijverschap: eigenzinnig en verborgen tegelijkertijd, haar eigen gang gaand maar varend onder een andere vlag. Die van mevrouw Nijhoff.