Altijd zwiep

Als ik op een achterflap lees: ‘De wereld van de oude Snip & Snap Revue komt in deze roman tot leven’, ben ik niet direct getriggerd. Zo'n zin ruikt naar muf theater, mottige danspakjes en schuine moppen. Gelukkig ben ik niet bij voorbaat afgehaakt, want Kees ‘t Hart heeft met De revue niet bepaald een duf nostalgisch boek geschreven. Het is een lyrisch liefdesverhaal, vet weemoedig en slurperig erotisch, waarin de platte revuecultuur magische dimensies krijgt.

Daarnaast is De revue een intrigerende mengeling van feit en fictie. Wat betreft verhalende con structie heeft Kees ’t Hart zonder meer een roman geschreven. De precieze aanduiding van locaties en het feit dat revuesterren als André van Duin en Donald Jones in het verhaal figureren, geven de roman echter een documentair karakter. Waar is de scheidslijn tussen fantasie en werkelijk heid? Het is niet direct de intelligentste vraag die je kunt stellen over een roman, maar in dit geval ben ik erg nieuwsgierig naar het antwoord gewor den. Alsof ik toch ver wachtte dat Kees ’t Hart aan het eind zou schrijven: ‘En die jongen… dat was ik.’ Vijfentwintig jaar geleden werkte de verteller van De revue een paar weken als lichttechnicus bij de revue. Aan het begin van het verhaal staat hij voor het theater waar hij 'de gelukkigste tijd van zijn leven’ had. Hij heeft een uitnodiging voor een reünie van revuemedewerkers op zak, die de volgende dag gehouden zal worden in het voormalige Felix Meritis- gebouw. Tot het zover is neemt hij de gelegenheid te baat de plekken van toen te bezoeken: het café waar iedereen altijd na de voor stelling doorzakte, het huis waar hij in zijn studenten tijd een zolderetage bewoonde en het theater waar de revue glorieerde. Hij gaat zo ver in zijn afdaling in het verleden dat hij zich ’s nachts laat insluiten in het theater, en archief en administratie doorvlooit. Op zoek naar? Naar sporen van háár natuurlijk, het dansmeisje dat zijn leven is blijven beheersen. Zwiep. 'Altijd Zwiep.’ Zie hier het drama: burgerlul met plastic tasje waarin naast de reünie-uitnodiging het al die tijd gekoesterde doosje met de oorbellen van de verloren geliefde, herbe leeft de korte glorieuze tijdsspanne in zijn leven. Een tijd waarvan hij in alle opzichten ver verwijderd is geraakt. Inmiddels woont hij immers in Zwolle samen met zijn trouwe Sylvia, die van geen zwiepen weet, en tot overmaat van burgermansellende is hij archivaris bij de bank. In flashbacks krijgen we te zien dat hij ooit het leven heeft geproefd zoals het kan zijn, al was dat toen ook deels een kwestie van verbeelding. 'Ze was trillende Zwiep, dansmeisje, ik was dansjongen, ik zou haar lippen insmeren met lipstick en het rood daarna weglikken, ik zou haar uitkleden en insmeren en afdrogen, verzorgen en uitkleden, daarna aankleden, weer uitkleden.’ Kees ’t Hart beschrijft de onmacht van de buitenstaander, van de jongen die gekker zou willen zijn dan hij is, om er bij te horen. Zwiep krijgt hij niet en als hij haar wel krijgt, voelt dat als verlies. Zij is zijn zoldergenote, via haar komt hij het theater binnen. Zij is representant van de andere wereld, heeft het vermogen 'gelukkig’ te kijken en te praten. De wereld waaruit hij afkomstig is als hij haar ontmoet, en waarin hij uiteindelijk dus ook weer terugkeert, is die van de ongelukkige mensen, de slaapwandelaars. Bij de revue heersen het vonkgevoel en de onverveling. Die tintelende niet-bestaande woorden komen uit de koker van de directeur, die in zijn redevoeringen het midden houdt tussen Johan Cruijff en de GVR, de Grote Vriendelijke Reus van Roald Dahl. Zijn toespraken zijn wonderen van bezweringskunst, waarvan toehoorders een beetje lacherig worden, maar toch ook enigszins 'aangeraakt’. 'Het gaat niet om de over name, maar om de afstap’, zegt hij bijvoorbeeld. Of: 'Al het natuurlijke moet worden weggesneden.’ En: 'Voorbereiding is het mis verstand.’ 'Blijf binnenskamers met de ramen open.’ De wanhoop van het ingetogen lulletje weet ’t Hart zeer voelbaar te maken. Het studentje dat denkt: ik moet alles ont houden. Als 'lichtpaal’ ingewijd in de geheimen van de volgspot door de directeur zelf, en uit alle macht proberend te kijken en te luisteren. Hij drinkt mee, vrijt mee, praat mee, maar hij is en blijft, in eigen ogen althans, archievenvuller, kijkverlamd, oorinvalide. 'Als ik toen goed geluisterd had, had ik alles geweten’, denkt de volwassen archivaris nog steeds tegen beter weten in. Het vooruitzicht van de reünie geeft de roman een prettig spannende dimensie. Het gelamenteer van de archivaris-nu, drinkend, pissend en nog steeds vol zelfhaat (en natuurlijk ook nog eens op straat afgerost door een of andere gek), doet namelijk wel op een bepaald moment snakken naar een ontknoping of ontlading. Waar is Zwiep gebleven? Had ze nu wel of niet wat met de directeur? Zal hij haar op de reünie terugzien? Banale zaken, maar soms worden het de vragen die een lezer gaan bezighouden. De reünie zelf is in alles de apotheose van de roman. 'Je snapt niks’, placht Zwiep tegen hem te zeggen. En inderdaad blijkt de verteller op essentiële punten dingen niet gesnapt en gezien te hebben. Te zeer verblind geweest door de imponerende directeur en de ongrijpbare Zwiep. Ik had nooit gedacht dat een revue zoveel roesverlangen kon oproepen dat je 'erbij’ zou willen horen. Dat verlangen heeft Kees ’t Hart aan nemelijk weten te maken. Om in de stijl van de flap tekst te blijven: we zijn er door deze roman allemaal even bij geweest.