Henry Kamen, The Duke of Alba

Alva, gewelddadig humanist

Henry Kamen

The Duke of Alba

Yale University Press, 204 blz., € 36,87

Boeken over de Tachtigjarige Oorlog: toen ik nog de School met den Bijbel bezocht kon je me daar midden in de nacht voor wakker maken. De onbaatzuchtige heldendaden van Willem van Oranje, het heroïsche verzet van de bevolking van Leiden tegen de Spaanse belegeraars, de waaghalzerij van de onversaagde watergeuzen — na de enthousiasmerende verhalen van onze meester was het prachtig om hier nog meer over te lezen. Ook was het heerlijk om te huiveren bij de beschrijvingen van de wandaden die de Spanjaarden hadden begaan onder leiding van de rechtstreeks uit de hel gekropen verpersoonlijking van het kwaad: de hertog van Alva.

De afgelopen decennia is er heel wat literatuur verschenen waarin niet alleen kant tekeningen werden geplaatst bij het nobele karakter van Willem van Oranje en de watergeuzen, maar waarin ook de rol van de Spanjaarden op een meer genuanceerde wijze werd beschreven. Enkele jaren geleden publiceerde Henry Kamen een biografie van Philips II, waaruit deze naar voren komt als een humanistisch geschoolde renaissancevorst, die de door hem geërfde chaotische lappendeken van allerlei gewesten en vorstendommetjes op een moderne en efficiënte wijze wilde besturen en die min of meer contre coeur oorlog moest voeren in de Nederlanden.

Nu Kamen met een biografie van Alva kwam, was ik even bang dat ook de gevreesde hertog bij nader inzien een uiterst vriendelijke, gecultiveerde en bovenal zeer gematigde politicus zou zijn, die helaas was gedwarsboomd door een stelletje obstinate ketters en opportunistische edelen. Dat viel echter bijzonder mee.

Ferdinand Álvarez de Toledo, de derde hertog van Alva, was in 1507 geboren als telg uit een oud geslacht van Castilliaanse grandes. Zijn vader sneuvelde toen hij drie was en hij werd opgevoed door zijn grootvader, de tweede hertog van Alva. Deze nam zijn erfopvolger al jong mee als hij Karel V moest vergezellen tijdens militaire campagnes en op de eindeloze reizen die noodzakelijk waren om het immense rijk nog enigszins bij elkaar te houden. Als zestienjarige nam Alva deel aan zijn eerste militaire expeditie, tegen het vestingstadje Fuenterrabía, dat in handen was van de Fransen en rebellen uit Navarra. Nadat het stadje was veroverd werd de knaap tot gouverneur benoemd.

In de jaren erna ontwikkelde hij zich tot de belangrijkste Spaanse generaal van Karel V en werd hij betrokken bij het landsbestuur. Toen Philips II in 1555 zijn vader opvolgde gold Alva als een van diens voornaamste adviseurs. Zijn voornaamste rivaal was Ruy Gomez, prins van Eboli, en decennialang werd de Spaanse politiek in belangrijke mate beïnvloed door de strijd aan het hof tussen de facties van Eboli en Alva.

Alva had een keurige humanistische opvoeding genoten, sprak Latijn, Italiaans, Frans en zelfs een beetje Duits, en had belangstelling voor beeldende kunst en literatuur. Toen hij in 1549 de kroonprins vergezelde op diens reis door de Nederlanden bracht hij samen met enkele andere edelen in Rotterdam een bezoek aan het geboortehuis van Erasmus. Niettemin was hij een typische militair, in wiens ogen de snelste oplossing voor menig probleem bestond uit de toepassing van goed georganiseerd geweld.

In veel opzichten was Alva een conservatief man. Zo was hij tegen een in zijn tijd sterk verbeterd vervoermiddel als de koets, aangezien mannen paard reden. Het moet voor hem vreselijk zijn geweest dat hij later, geplaagd door jicht en tal van andere kwalen, toch per koets moest reizen. Veel minder conservatief was hij in zijn politieke denkbeelden, aangezien hij Karel V en Philips II onvoorwaardelijk steunde in hun streven een sterk centraal gezag te vestigen en een einde te maken aan de onafhankelijkheid en voorrechten van allerlei vorstendommetjes en stadstaten. Wel wantrouwde hij iedereen die niet uit Castillië kwam en keek hij neer op iedereen die niet van zijn stand was. In de talrijke getuigenissen die er over hem zijn duikt telkens weer het woord «arrogant» op.

Ook zijn humeur was, al dan niet als gevolg van zijn kwalen, doorgaans niet al te zonnig. In zijn brieven heeft hij het, als hij schrijft over mensen die hem voor de voeten lopen, steeds over het afhakken van hoofden dan wel het doorsnijden van kelen. Volgens zijn biograaf moeten we dat niet al te letterlijk nemen, en was Alva niet altijd een voorstander van maximaal geweld. Afhankelijk van de omstandigheden pleitte hij soms zelfs voor een terughoudend optreden van het leger. Wel was hij van mening dat het stellen van een afschrikwekkend voorbeeld soms noodzakelijk was. Dikwijls was zijn reputatie al voldoende, en toen hij in 1567 met een leger in de Nederlanden arriveerde vluchtten vele ketters en opstandelingen, en stroomden de katholieke kerken weer vol.

Hoewel een vroom katholiek, was hij geen zeloot. In zijn ogen was het probleem met de Nederlanden niet dat er mensen waren die afweken van de katholieke leer, maar dat allerlei lieden het gezag van de staat ondermijnden. De tragiek van zijn loopbaan was dat hij van mening was dat de Spaanse politiek vooral gericht diende te zijn op de machtspositie in het Middellandse-Zee gebied, terwijl hij zijn inktzwarte reputatie vooral te danken heeft aan zijn optreden in de Nederlanden. In 1543 had hij er reeds voor gepleit dat Karel V de Nederlanden zou wegschenken als bruidschat voor diens dochter.

Toen Alva in 1567 orde op zaken moest stellen in de noordelijke gewesten was hij ervan overtuigd dat hij met het stellen van enkele voorbeelden, zoals de onthoofding van Egmont en Hoorne, de rust kon herstellen. Dit werkte echter averechts en met open ogen verzeilde hij in een spiraal van geweld, waarbij vooral het uiterst gewelddadige optreden van zijn zoon Fadrique ervoor zorgde dat ook tal van gezagsgetrouwe burgers en vrome katholieken zich tegen de Spaanse overheersing keerden. Met instemming van zijn vader richtte Fadrique bloedbaden aan in Zutphen en Naarden, en slachtte hij de verdedigers van het gecapituleerde Haarlem af. Hierdoor werd de bereidheid zich over te geven aan de Spaanse troepen gereduceerd tot nul. Alva dacht de weerstand te kunnen breken door nog meer geweld te gebruiken, en in de zomer van 1573 schreef hij aan de koning dat hij van plan was om bij het innemen van Alkmaar «geen enkel persoon in leven te laten maar iedereen de keel te laten doorsnijden, aangezien ze niets hebben geleerd van het voorbeeld van Haarlem». Evenals de Amerikanen nu in Irak doen, zaaide Alva zelf het verzet dat hij wilde bestrijden.

Bij zijn vertrek, eind 1573, liet hij een volkomen chaos en een in een bloedige oorlog verwikkeld land achter. Nog eenmaal zou hij, 73 jaar oud, een militaire operatie leiden, en in 1580 lijfde hij Portugal in bij Spanje. Twee jaar later kwam het einde. De laatste dagen kreeg de afgeleefde krijger de zestiende-eeuwse voorloper van sondevoeding, en sabbelde hij op een volle vrouwenborst. Een tragisch einde van een man die negen jaar eerder tekeer was gegaan tegen zijn zoon omdat deze overwoog het beleg van Haarlem op te heffen: «Als je opbreekt zonder dat de stad zich heeft overgegeven, zal ik je niet langer erkennen als zoon, als je sneuvelt tijdens het beleg zal ik persoonlijk je plaats innemen, hoewel ik ziek en bedlegerig ben, en als we beiden falen zal je moeder uit Spanje overkomen om in deze oorlog datgene te bereiken waarvoor haar zoon niet de moed of het geduld had.»