Alvaro

Don Alvaro, of De kracht van het noodlot is een romantisch melodrama, geschreven door de Spaanse dichter en politicus Angel de Saavedra, hertog van Rivas. Hoewel het stuk in 1835 met veel succes in Madrid werd opgevoerd, zou het in de literaire wereldbibliotheek roemloos zijn verstoft als Verdi er een kleine dertig jaar later geen opera van had gemaakt. Als La forza del destino werd het een blijvende tophit op de mondiale operapodia.
Wie de plot van Saavedra’s stuk leest, vraagt zich af waarom. Een grotere draak lijkt in de toneelhistorie moeilijk te vinden. Meisje wordt bemind door jongen, maar haar vader wil er niet aan. De minnaar doodt per ongeluk de onwillige vader, broer trekt uit ten wrake, maar wordt in een slotduel zelf gedood. Meisje omhelst hem nog eenmaal, maar wordt door hem doorstoken. De minnaar pleegt uit wanhoop zelfmoord – althans in de oerversie van Verdi’s opera.
Toch is het drama opmerkelijk. Alvaro, de minnaar van de schone Leonora, is niet zomaar iemand, maar een Azteekse prins. Een allochtoon dus, van wiens hoge afkomst alleen nog zijn blauwe bloed hem rest. Zijn ouders zijn vermoord, hijzelf is ontheemd. En juist hij zet het hart van Leonora in vuur en vlam. Het schandaal is geboren en kan alleen worden uitgewist met de dood die het verdere leven van haar broer blijft beheersen.
Zo’n eerwraak klinkt niet onbekend, maar zowel Saavedra als Verdi is ieder Wilders-schema vreemd. Het is niet de uitheemse cultuur die in het christenland barbaarse gebruiken introduceert, maar juist dat laatste dat zich wraakzuchtig toont. Daartegenover blijkt de inborst van de vreemdeling minstens zo edel als die van zijn geliefde. De laatste woorden die hij spreekt zijn die van spijt over wat hij heeft aangericht – hoewel juist hij er alles aan gedaan heeft om het onheil af te wenden.
Zouden de schrijver en de componist vandaag de dag zoiets op de planken hebben gebracht, dan waren de rapen gaar geweest. Met zo’n typisch product van westerse zelfhaat hadden de kampioenen van het avondland wel weg geweten. Waar is de trots gebleven die de westerse beschaving zelfbewust tot de meest succesvolle uit de menselijke geschiedenis gemaakt heeft?
Kennelijk heeft die beschaving zo’n kritisch zelfbesef altijd goed kunnen verdragen. Want Saavedra en Verdi waren de enigen niet die de rollen van beschaving en barbarij in hun werk omdraaiden. Rossini deed dat met Il Turco in Italia al voor hem, en Mozart met Die Entführung aus dem Serail nog wat eerder. Montaigne, zonder wie de hele essayistiek er niet geweest was, deed dat op zijn manier nog weer driehonderd jaar eerder, en vóór hem had Las Casas het al gedaan.
Zo blijkt de hoofdstroom van de westerse moderniteit (want de lijst is eindeloos uit te breiden) te worden getekend door een culturele zelfkritiek die zelfs de Middeleeuwen al niet vreemd was. Het is juist dat vermogen tot afstand nemen dat de zo succesvolle zelfontplooiing van de Europese beschaving heeft mogelijk gemaakt. Zij bleef niet bij zichzelf en haar vanzelfsprekendheden staan, maar was bereid alles in twijfel te trekken, ook het meest vertrouwde. Daardoor ontdekte zij de geheimen van de natuur, van de wereldbol én van zichzelf. Daarin werd zij, om het korter te zeggen, nu juist verlicht.
Geen komischer ironie is er dan ook wanneer dit vermogen tot kritische afstandneming vandaag de dag uit naam van dezelfde Verlichting veroordeeld wordt. Als íets de moderne beschaving kenmerkt, dan is het wel haar inzicht in de betrekkelijkheid van alles en haar weigering daarin voor zichzelf een uitzondering te maken. Cultuurrelativisme is haar wezen, inclusief de overtuiging dat daarmee geen knieval wordt gemaakt voor de onverschilligheid van het anything goes. Onze beschaving is onze beschaving, in alle betekenissen die deze nadruk bevat. Zij heeft haar historische toevalligheid, maar voor ons is zij maatgevend – ook in de mate waarin zij haar gelijk redelijk te beargumenteren weet.
De verkeerd begrepen trots die van geen betrekkelijkheid meer weten wil, verraadt precies de traditie waarop hij zich beroept. Hij keert terug tot de zelfverzekerdheid van een ethos dat zich absoluut waant en daarvoor iedere prijs betalen wil. Zoals Afghanistan en Irak de democratie moesten worden ‘ingebombardeerd’, zo eist bij Saavedra en Verdi ook de bloedwraak de gehoorzaamheid van de traditie. Daar komt geen vreemde stem, hoe nobel ook, meer tussen. Een traditie die, in domme trots, niet meer aan zichzelf wenst te twijfelen, wordt meedogenloos. Als aan het einde van het stuk het doek valt, is vrijwel iedereen dood.