Paul van den Hout, ‘Oud heden’

Alweer een leedpoëet

Verliefdheid is een gekte,

het gaat om houden van,

maar vóór ik dat ontdekte,

bleek ik een oude man.

‘Waarom ben je toen eigenlijk niet geslaagd voor het tentamen suïcide, Paul?’ informeert de stamgaste. ‘Want je wou toch dood vanwege de liefde?’

De aangesprokene verslikt zich van kolere in zijn jenever, z’n vierde of vijfde. Wíe was hier aan het woord? Als dat mens haar kwek nou niet houdt, mag ze opkrassen. Allez-hop! Beteuterd zal ze afdruipen, de stamgaste die voor de gezelligheid was komen aanschuiven. ‘Affijn’, zegt Paul, de voorzet toch maar nemend: ‘Ik ga dus op een stoeltje staan en steek mijn hoofd door de strop. Je moet dat goed doen, hè. Je nek moet gebroken worden. Je moet niet langzaam stikken.’

Op dit hoogtepunt neemt de verteller een effectpauze. En een slokje.

‘Een beetje man heeft wel een broeksriem, maar ja, met je kop door zo’n strop ziet de wereld er toch opeens heel anders uit, hoe zat je ook bent. Ik zei tegen mezelf: ‘‘Paul, wat ben je in godsnaam aan het doen?’’ Ik heb me maar weer te bed gelegd. De volgende ochtend hing de riem er als waarschuwing aan mezelf.’

Ik wist wel dat ze vroeg of laat zou komen,

de vrouw van wie ik nooit had durven dromen,

maar veel heb ik er toch niet aan gehad:

ik had er juist vergif op ingenomen!

Tussen de katers door heeft Paul van den Hout (62) het na 22 jaar dan toch klaar gespeeld. De worsteling met jamben, anapest, rondeel en dubbele dactylus is niet onbeloond gebleven.

Het resultaat is een bescheiden, in Welt schmerz gestoofd verzenbundeltje waarin jeneverdampen, liefdeskommer en doods gedachten om voorrang strijden. Met dank aan Piet Paaltjens? Lévi Weemoedt? Broeder Jan Kal? Of maître Jean-Pierre Rawie zelf? Wacht even! Dít gebeurde er: tijdens een plensbui. Hij stond voor het café. Daar zagen ze hem al z’n jas- en broekzakken van boven naar beneden doorzoeken. Ze zagen hoe hij vervolgens met kordate tred op het café af koerste, waar hij een greep achter de deur deed. Toen zagen ze hem in de regen verdwijnen; nú onder bescherming van een enorme paraplu.

Een spijker in mijn kop en verder spinrag,

ai-ai, alweer een kroeg waar ik niet in mag!

Zo’n man van wie je vergeet of hij nou een snor droeg of niet. Maar níet zijn hoed, zijn consumptietempo, zijn beschaafde dictie, en zeker niet het matrasje onder aan de trap van zijn kot, dat een zachte landing moet garanderen wanneer de bewoner, ver na middernacht terugkerend uit ‘een tentenkamp van kroegen’ (naar Gerard den Brabander) onverhoopt enkele treden te veel mocht overslaan.

Soms was het park zijn bed, de kroeg zijn huis. Hij kent geen vaste woon- of verblijfplaats, wél een steunverloofde wier naam en karakter onder geen beding mogen worden veil gegeven. In het huis van een stokoude schrijver – die in dit verband óók ongenoemd moet blijven – vond hij een onderhuurder uit Zuid-Afrika bereid een keldertje af te staan waar een eerstejaars student zijn neus voor zou ophalen. Een tweepersoons matras, bedolven onder papieren en een jas, vult bijna de hele ruimte. Om die te bereiken, moet men door het volgepakte woon-slaapvertrek van de Zuid-Afrikaan die schilderijen maakt waar je ogen van gaan tranen. Vanmiddag ligt de Zuid-Afrikaan onzichtbaar achter een schot: ‘Voet gebroken’, klinkt het gesmoord. Paul van den Hout lijkt er niet van op te horen, gebukt als hij zelf gaat onder neveneffecten van een kalmeringsmiddel dat zich vannacht niet al te soepel met jonge klare combineren liet.

Z’n maag draaide wel vaker om, maar dan vooral van het weeïge pulpproza dat Van den Hout als vertaler voor de Bouquetreeks in adequaat Nederlands omzette: ‘Haar knieën knikten, ze kon geen woord meer uitbrengen… zijn vurige ogen boorden zich in de hare, en behoedzaam vlijde hij haar op het bed waar het gouden maanlicht haar lichaam bescheen.’

Hoe verzin je het! Woede, doffe woede kolkte dan door zijn aderen, totdat hij van razernij een schrijfmachine tegen de muur kwakte, goedkoop dingetje gelukkig. Evengoed jarenlang zo een bijzonder leuk aangeklede borrel verdiend met ‘die vermaledijde troep’. Twee romannetjes per maand rammelde hij makkelijk onder honend gemonkel uit zijn door leukoplast en plakband bijeengehouden tekstverwerker. Eén knip met z’n vinger, en naast hem stond weer een nieuwe pils op het roodtrijpen kleedje. En hoe groter het kroeglawaai om hem heen, hoe groter de werklust van de gediplomeerde bohémien.

Verklaren kan Paul van den Hout het zelf niet, maar in zulke omstandigheden heeft hij in een jaar of vijf tijds ook een liefdes epos van 8400 dichtregels vertaald die er qua rijm en metrum niet om liegen: The Golden Gate van Vikram Seth (Van Oorschot). De lakmoesproef was afgelegd, na die titanenklus leek de weg naar roem open te liggen. Zo maakte hij zijn entree bij het literaire tijdschrift De Tweede Ronde. Maar ja. Van den Hout is inmiddels persona non grata in het redactiecafé; na rumoer over een openstaand drankrekeningetje, hier en daar.

Het aantal horecabedrijven waar z’n aanwezigheid niet meer gewenst is, begint volgens intimi aardig op te lopen. En het leek sinds februari 1985 nét zo rustig te zijn geworden in de Amsterdamse binnenstad, met de dood van zijn vader Willem, die door Martin van Amerongen in NRC Handelsblad destijds getypeerd werd als ‘kleurrijke zonderling, gespecialiseerd in burengerucht op alcoholbasis’. Zoon Paul houdt de familietraditie in ere; de kurk valt niet ver van de fles – met als wezenlijk verschil dat Van den Hout junior nooit het fascisme zal omarmen en nooit over joden en negers tekeer zal gaan.

Zijn verwekker deed dat des te rabiater. Die schreef, fout én anglofiel, onder nom de plume Willem W. Waterman tijdens het laatste oorlogsjaar het satirisch bedoelde periodiek De Gil vol. Dat oogde als verzetsblad; beschimpte zelfs NSB’ers, maar zat vol nazi-propaganda. Waterman schuwde geen tekst over ‘spekjodinnen’, zodat hij bij de bezetter een potje kon breken. Op de radio draaide hij jazz, de Behörden hielden zich Oost-Indisch doof.

‘Al vroeg is mijn moeder van hem gescheiden, thuis werd Willem afgeschilderd als een schoft, en rokkenjager. Ik was 21 toen ik hem in een Haags café tegenkwam. Ik ging met hem mee naar huis waar we meteen ruzie kregen omdat ik hem geen vader wilde noemen. Hij wilde me de deur uit smijten, maar ik had in het studenten leven leren kroegvechten, hè. Ik trok hem aan zijn stropdasje en toen zijn we twee trappen af getuimeld. Later heb ik toch goed contact met hem gekregen.’

Dronken zwalkend over straat in Antwerpen riep Van den Hout senior eens uit: ‘Zes miljoen joden? Zestig miljoen zijn nog niet eens genoeg.’ Zo’n vader zul je hebben. ‘Ja, je wordt er beroerd van’, zegt zoon Paul. ‘Als ik Willem in een dergelijke stemming in de stad tegenkwam, zei ik altijd: “Ik ben nu even je zoon niet.” En hoe het is om de zoon van een antisemiet te zijn? ‘Ach, dat heb ik inmiddels wel achter me, al klinkt dat een tikje pedant.’

Maar hij is óók de zoon van Willy van der Heide, onder welk pseudoniem dezelfde Van den Hout senior de ongekend populaire Bob Evers-jongensboekenserie publiceerde. In 1948 uit de gevangenis ontslagen (tot een proces is het nooit gekomen) lanceerde de schrijver met het bruine verleden titels als Dollarjacht in een D-trein, Tumult in een toeristenhotel en Pyjamarel in Panama. Dol op alliteratie, de man die voor De Gil nog de term Dolle Dinsdag had bedacht. Zoon Paul kreeg van de uitgever de complete reeks aangeboden, ‘maar die heb ik in mijn hoogmoed geweigerd’.

Een verloren liefde, hoe kan het ook anders, zette hem, ex-reisleider, aan tot dichten. Hij had zijn kandidaats klassieke talen nog gehaald, hield het niet uit bij Time Life en neemt het zijn vroegere vriendin nog altijd kwalijk ‘ook al is ze dood, dat ze me niet verboden heeft om daar ontslag te nemen. Ze had moeten zeggen: “Paul, je hebt een slokkie op, níet doen!” Het bedrijf was net aan het inkrimpen, en dus dolblij dat ze me geen gouden handdruk hoefden geven.’

De verloren liefde heette Elly en leed aan anorexia. ‘Ik heb haar in die periode nota bene nog een klapje onder haar kont gegeven, maar daardoor kreeg ze vleugeltjes en is ze gewoon weggevlogen, hè. Ik heb haar nog lang bestookt met sonnetjes. Dat was geen nette actie van mij, maar zíj wist dat er ooit een bundeltje van zou komen! Ik had het haar graag overhandigd. Ze heeft na 22 jaar gelijk gekregen.’

Een mes is te bot vaak

de Amstel zo nat

vergif heeft een rotsmaak

voor de trein is wat plat.
Een pistool is onwettig

een touw wil soms knappen

gas ruikt niet zo prettig

ik blijf nog wat stappen.

De debutant voegt de daad bij het woord; belooft de Zuid-Afrikaan met de gebroken voet plechtig na een half uurtje terug te keren met bijstand, en vertelt aan de café tafel dat hij in een vorig onderkomen ooit is gestruikeld over de tors van dichter Jean-Pierre Rawie, ‘die in de gang z’n roes lag uit te slapen’. ‘Volstrekt onwaar!’ zal Rawie reageren. ‘Of Paul het nou leuk vond of niet, ik had toen iets met een dametje in het tuinhuisje en botste op weg naar haar toe tegen hem op. En trouwens, we liggen toch allemáál wel eens op de grond?’

Op zijn beurt herinnert Rawie zich hoe de natte gemeente te Groningen hutje bij mutje legde om voor Paul van den Hout een enkele reis Amsterdam te bekostigen. ‘Het lukte Paul om eerder in het café terug te zijn dan ik die hem op het station had uitgewuifd. Het treinkaartje bleek die avond niet het enige aan hem te wezen dat verlopen was. Ach, Paul is een lastpak, maar verder heel charmant.’

‘Ik heb allerlei dingen fout gedaan’, zal de debutant deemoedig beamen. ‘Maar ik ben handtam tegenwoordig.’ Welnee man, hij gaat niet de criticus te lijf die in Het Parool zijn gedichten vergeleek met een uitgeblazen struisvogelei, ‘volmaakt van vorm, maar hol van binnen’.

Bejjegek. Debutant Van den Hout gaat vanavond fijn struis vogelbiefstuk eten. Ha. Die zit. ‘Kijk, ik ben geen dichter. En al zijn het maar probeerseltjes, ik schaam me er niet voor.’

Hij krabt de schilfers van z’n kop. Het kelkje voor hem is akelig leeg, en de avond nog jong. Er valt wat te vieren. De huisgenoot met de gebroken voet heeft pech. Maar ach, die loopt niet weg.

Paul van den Hout, Oud heden

Uitg. Nijgh & Van Ditmar; 79 blz., €14,95