Alweer geen tijger

Kinderen weten vaak met verbluffend gemak hun eenzaamheid te vullen met zelfbedachte figuren, waarin eigen onlustgevoelens en gemis herkenbaar zijn. En kinderboekenschrijvers kijken dankbaar de kunst af. Maurice Sendaks Max vervormt de woede op zijn moeder tot Maximonsters die hij temt, Astrid Lindgren gunt Erik het gezelschap van de narrig rondpropellerende Karlsson, en het jongetje Anders dat niet kan rekenen. krijgt van Paul Biegel het hele insektenrijk als hulptroepen tot zijn beschikking.

De naamloze ik-figuur die Daan Remmerts de Vries introduceert in De ontdekkingsreizigers, voldoet aan alle voorwaarden om de schepper te worden van een alleen voor hem zichtbare vriend. Hij is enig kind, zijn ouders hebben het vooral druk met zichzelf en met ruzie maken en als het leven hem te ingewikkeld wordt, gaat hij een tijdje in de gangkast zitten mokken. Op school wordt hij ‘de professor’ genoemd. Hij leest het liefst over de held Kuifje en over verscheurende wilde dieren. Op zijn verlanglijst staan een ruimteschip, een verrekijker en een boa constrictor en de fraaie openingszin van het boek luidt dan ook: 'Ik had alweer geen tijger gekregen.’ Dan maar wat dagdromen op het dak van de dertig verdiepingen hoge flat en via de splinternieuwe verrekijker vaststellen dat de mensen beneden eigenlijk wrattenzwijnen, walrussen of mopshonden zijn.
En daar verschijnt Jan Willem, een kaalhoofdig mannetje met gele tijgerogen, van beroep 'reiziger in ruste’. Het tweetal voert bizarre, tamelijk wijsneuzige conversaties over kleine-jongensangsten en -verlangens. Wat je bedenkt, bestaat. Verder is huilen goed voor een mens, zijn helden eigenlijk stomvervelend en is doodgaan niet altijd erg. Zo was Jan Willem ooit bij een stam waar de dood een feestelijke gebeurtenis was en iedereen om het graf zong: 'Er is er een dood, hoera! Hoera! Dat kun je wel zien dat is hij!’
Mooi is ook het principe van het 'tijd ruilen’: samen zitten, iets lekkers delen en luisteren naar elkaars verhalen. Uiteindelijk gaat het jongetje op zoek naar het door Jan Willem ontdekte land, waar het wilde dierenboek tot leven komt en niemand weet heeft van haast, geld en televisie.
Remmerts de Vries, die eerder opviel door zijn eigenzinnige illustraties in het prentenboek Mijn tuin, mijn tuin (1996), schreef een ongewoon en vaak grappig klein verhaal, waarin de grilligheid van het kinderlijke denken knap getroffen is.
Als onervaren schrijver laat Remmerts de Vries zijn eigen mooie vondsten helaas iets te veel met zich op de loop gaan, waardoor zijn verhaal een kern mist. De uithalen naar de ouders zijn nogal obligaat: 'Grote mensen snappen meestal niks. En het ergste is dat je ze altijd maar moet gehoorzamen, hoe dom ze ook zijn.’ Moeder is de stad in met vriendinnen, lost kruiswoordpuzzels op of kijkt televisie en als haar zoon haar tegenspreekt, merkt ze op : 'Je lijkt je vader wel. Die is het ook nooit met me eens.’ Het is een te gemakzuchtige weergave van de werkelijkheid, waardoor de mooie en oorspronkelijke verbeelding van de fantasie wordt ontsierd.