Interview met Martin Simek over zijn onvrede en welbehagen

‘Alweer vinden we onszelf geweldig’

Niets is Martin Simek zo vreemd als onvrede en verbittering. Zijn altijd goede humeur wordt vaak als irritant en provocerend ervaren. Op de redactie van De Groene Amsterdammer stapt hij al sinds 1986 vrolijk binnen om zijn cartoon te maken. Dat kan toch niet alleen professionele vrolijkheid zijn?

Meneer Simek, het is bij u almaar van ‘ik ben gelukkig’, ‘het leven is een cadeautje’, of ‘een spannende zoektocht naar vrijheid met de dood als laatste avontuur’. Uw aandacht voor de medemens lijkt niet op te kunnen, u raakt ontroerd ten overstaan van een miljoenenkoppig tv-publiek. Wordt u nooit kotsmisselijk, of ten minste moe, van uzelf?
‘Werkend aan mijn boek, De vuurvliegjes achterna, over mijn leven aan weerskanten van het IJzeren Gordijn keek ik op een gegeven moment aan tegen een berg papier van sterk autobiografische verhalen. Toen ik ze achter elkaar ging lezen, kreeg ik inderdaad meer dan genoeg van mezelf. De sterkste verhalen heb ik eruit gegooid, of ze nou waar waren of niet, m’n zwakkere optredens heb ik eraan toegevoegd. Het is niet mijn bedoeling om mijn medemens onnodig jaloers te maken. Persoonlijk ben ik trouwens dol op opscheppers. Die hebben tenminste wat waar te maken. Ik moest eerst jaren roepen dat ik een boek ging schrijven voor ik eindelijk een jaar op mijn kont ging zitten. Mijn grote mond is mijn stok achter mijn deur.’
Dus als u zegt ‘ik ben gelukkig’ hoopt u het een keer echt nog te worden?
‘Het kan helpen, als je het tenminste niet met hangende schouders en een grafstem zegt. Borst vooruit, kin omhoog en een klein sprongetje van vreugde erbij helpt ook.’
Maar is het nou waar, ja of nee?
‘U probeert een goochelaar zijn truc te ontfutselen. Laat ik u dit zeggen: als u me de zin laat inzien van onbehagen, ontreddering, verbittering en naar de kloten gaan, laat ik onmiddellijk mijn schouders hangen, neem een paar pilsjes te veel en binnen drie dagen lig ik in de goot. Alleen ben ik niet makkelijk te overtuigen. Ik ben een koppig aanhanger van de zon achter de wolken. Maar ik blijf er liever niet in de regen op wachten, vandaar dat ik grote delen van het jaar in Calabrië woon.’
Daar gaan we weer; alweer vinden we onszelf geweldig.
‘Daar hebt u een punt. Ik vind mezelf regelmatig geweldig. Om te beginnen een geweldige lul. Dat lul zijn heb ik overigens met iedereen gemeen, dus ook met u. Daarin zijn alle mensen aan elkaar gelijk. Mijn besef ervan geeft me een voorsprong. Mensen die een leven lang hun lulligheid en nietigheid niet willen inzien, krijgen de rekening op het minst opportune moment gepresenteerd. Ik heb me erbij neergelegd, en daarom kan ik met mezelf leven. Ik lach eerder dan de anderen om mezelf.’
Het is niet dat ik u niet geloof, maar zou ik daar wat voorbeelden van mogen horen?
‘Waar ik de laatste tijd nog het meest om moet lachen, is mijn levenslange optimistische overtuiging dat er mensen bestaan die weten hoe de wereld in elkaar steekt. Vroeger, toen ik klein was, geloofde ik dat mijn vader het wist. De leraren wisten het misschien ook, maar die mochten het niet zeggen, want onder de communisten moest je je mond houden over alles wat je echt dacht. En toch was de wereld overzichtelijk. Zij, de communisten, waren slecht, wij, mijn vader en moeder en de mensen die we kenden, waren goed. In het Westen wist iedereen wat vrijheid was en daar waren ze gelukkig.
Sinds 1968 maak ik zelf deel uit van het Westen. Dankzij tennis kwam ik meteen in de hoogste kringen terecht. Ik weet nog, ik zat tegenover de voorzitter van de chique tennisclub Festina in het Vondelpark, in zijn advocatenkantoor aan de Herengracht, en dacht: deze man weet het. Ik was toen twintig. Zelfs op mijn dertigste, veertigste, ja zelfs op mijn vijftigste, dacht ik: heb geduld. Er zijn mensen in de wereld die ouder zijn en wijzer, en die weten hoe de vork in de steel zit. Nu ben ik 61 en de premier van Nederland, de president van de Verenigde Staten, Sarkozy, Poetin, zijn allemaal jonger dan ik. Maar zij hebben zo veel aan netwerken moeten doen om het zo ver te brengen dat er weinig kans bestaat dat ze het echt weten. Ja, Silvio Berlusconi zal het misschien weten, want die is over de zeventig. Maar kan hij het ook zeggen?’
U begint zelf over uw leeftijd. Zijn er nog meer dijenkletsers die direct of indirect met uw leeftijd te maken hebben?
‘De jeugdmanie waarin ons tijdperk gevangen zit heeft consequenties. Veel eerder dan vroeger tel je niet meer mee. Het is op dit moment in Nederland nog makkelijker als nieuwkomer te integreren dan als autochtone man of vrouw van over de 55. Van de ene dag op de andere ben je een oude lul. Voor iemand die niet om zichzelf kan lachen, is dat meteen een dubbele klap. Oud, en ook nog eens een lul. Ik heb gelukkig alleen met het eerste te dealen. Dat andere wist ik al. Oud zijn is iets wat je je niet moet laten aanpraten, maar het weerwoord ligt ook niet in de sportschool.
Het sleutelwoord is en blijft: bewustzijn. Bewust van je eigen krachten, maar ook van hun eindigheid. “Je bent net zo oud als je je voelt” is een onzinnig cliché. Mijn zoontje van vijf dat het dak opklimt heeft geen gelijk dat hij de dakdekker van veertig is, die hij van de week aan het werk had gezien. En ik moet me op mijn beurt niet verbeelden dat ik de beste speelkameraad van mijn zoontjes ben, alleen omdat ik mijn grijze haar zwart heb geverfd en een korte broek en gympen aan heb getrokken. Autosuggestie kan soelaas bieden, maar is geen blijvende oplossing als je de realiteit niet onder ogen wilt zien.
Oud zijn is niet jong zijn, maar het belangrijkst blijft gelukkig het “zijn”. Dat geldt voor alle leeftijden. En wie is, heeft iets om te ruilen. Vriendschap en liefde en het leven zijn een ruil, want niet te koop. Geven is krijgen zonder dat de kassa erbij rinkelt. Het hangt van de ouderen af of ze iets te geven hebben. Vroeger werd er gemakshalve van uitgegaan dat dat zo is. Nu gaat men ervan uit dat hun tijd is geweest, dat ze tot last zijn.
De moderne maatschappij is koortsachtig op zoek naar nieuwe, jonge helden. Modellen die net zo snel veranderen als de laatste technische foefjes. Maar snelheid en kracht zijn maar twee componenten van een complex wonder, dat “mens” heet, hoe lullig en nietig ook. Flitsend zijn heeft bijvoorbeeld weinig met intimiteit te maken, en geloof me maar dat jongeren intimiteit heel cool vinden. En aandacht en warmte ook. Allemaal zeldzame artikelen die bij een mens dat op een goede manier en zonder angsten oud is geworden te halen zijn. Jong of oud zijn zijn geen doelen om te bereiken, het zijn alleen maar verschillende omstandigheden, die verschillende kansen bieden. Wie de kansen ziet en zich bewust is van de voordelen van zijn omstandigheden raakt niet verbitterd over de nadelen.’
Nog even terug naar het vertrouwen, de warmte en aandacht die jongeren bij de ouderen zouden kunnen halen. Sinds wanneer is daar behoefte aan?
‘Je bevestigd zien door ouderen die hun ervaringen in wijsheid hebben omgezet, of juist met ouderen in gevecht gaan, was altijd belangrijk bij de groei, maar vandaag al helemaal. De jongeren van vandaag zijn vaak het product van gescheiden ouders, en vragen zich dikwijls vertwijfeld af of en hoe de ruziënde genen van hun verwekkers in hen wél in vrede kunnen leven. Ze kunnen de aandacht en warmte en het in hen gestelde vertrouwen van ouderen extra goed gebruiken als een ferm startblok in de modderige sintelbaan van verhoudingen. Door een liefdesverhouding met een leeftijdgenoot worden ze nauwelijks geholpen, want twee drenkelingen die zich aan elkaar vastklampen zinken nog sneller.’
Krijgt u in de malaise die u omschrijft als oud-tenniscoach niet de brandende behoefte om iemand te redden?
‘Eigenlijk vraagt u of een reddingszwemmer ooit nog voor zijn eigen plezier kan crawlen. Die vraag moet iedereen die het beste met de mensheid voorheeft zich geregeld stellen. Het risico is dat je te veel hooi op je vork neemt, want de mensen verdrinken nu eenmaal. Via mijn openbare site krijg ik te veel mails binnen die eigenlijk een hulpkreet zijn. Van mensen die zich machteloos voelen. Het geeft me op mijn beurt ook een machteloos gevoel, omdat ik niet eens de tijd heb om me in hen allemaal te verdiepen. Ze overschatten mijn mogelijkheden en capaciteiten.
Mag ik daarom niet van het leven genieten? Ik vind van wel. Iedereen die zichzelf redt zonder een ander daarbij naar de bodem te trekken, is in mijn ogen al een held. Als je ook nog een paar mensen in je buurt hun vleugeltjes helpt oppompen, ben je een ridder in de orde. Maar ieders redder willen zijn, betekent dat je zelf instort en anderen tot last wordt. Ook voor verre en abstracte doelen gaan is vaak een excuus om niet het kleine steentje in het hier en nu bij te hoeven dragen. Ons denken is constant op zoek naar een alibi. “Ik wou dat ik jouw zorgen had” is heel erg in. Dat maakt ons belangrijk in eigen ogen en, naar we natuurlijk vooral hopen, ook in andermans ogen.
Zelf heb ik niks met de mensheid. Ik haat massa’s mensen en groepsgedrag. Maar één op één houd ik van iedereen, want dan kan ik door de façade breken. En daarachter zit een mysterie dat alles met mijn eigen speurtocht naar mezelf te maken heeft. Eén op één complementeren en verrijken we elkaar. Allemaal bij elkaar in een voetbalstadion worden we een slogan.’
Waarom façades doorbreken als u niet eens tijd hebt om zich in mensen te verdiepen die zich zonder façade spontaan aanbieden?
‘Om eerlijk te zijn: ik wil me voeden met wat ik kies, en niet met wat ik aangeboden krijg. De mensen die me schrijven, kiezen ook. Dat recht wil ik ook hebben.’
Gebeurt het u wel eens dat u verbitterd bent?
‘Ik ben regelmatig boos. Vooral op mezelf, maar ook op de mensen die ik liefheb. Verbittering is het niet-uiten van boosheid. Ik roep eigenlijk voortdurend “opgelet!” en soms schreeuw ik het, tegen mezelf en tegen de mensen in mijn nabije omgeving. Ik kan niet tegen lamlendigheid en gemakzucht, zeker niet als daar ook nog een mening aan gekoppeld is.’
Wat is uw grootste fout?
‘Dat ik zou wensen dat iedereen minstens zo gelukkig is als ik. Anders voel ik me als een rijke toerist in Afrika. Maar ik zou het bij het observeren van mensen moeten laten. Bij het getuige zijn van wat ik om me heen zie. En dat is inderdaad vaak verbittering en onbehagen.’
Maar ziet iedereen het dan fout? Waar bent u eigenlijk zo blij mee?
‘Ik zal u naar waarheid antwoorden, al besef ik dat ik een van de laatste taboes aansnijd: ik ben vooral blij met mezelf. Dat heb ik al van kinds af aan. Om me heen een hel, een communistische dictatuur. In mij, in een kind, een paradijs. Mijn fantasieën waren, in tegenstelling tot die van mijn ouders, haalbaar. Ik hoefde niet naar Parijs, New York of Londen, wat toch niet mocht, ik vond het struikgewas al een avontuur. En ik hoefde niet voor straf in de cementfabriek te ploeteren, zoals mijn vader, de vijand van het volk. Mijn grootste straf was dat ik moest opletten wat ik zei en tegen wie ik het zei, om mijn familie niet nog dieper in de ellende te werken. Maar het spanningsveld tussen wat wel en niet kon werd ook al snel een avontuur. Het kunstje dat ik toen heb geleerd, mensenkennis, daar heb ik vandaag nog plezier van. Ik voelde me uitverkoren tussen al die volwassenen die of onderdrukten, of onderdrukker waren. Het leek me allebei niks. Ik wilde het allebei niet worden.
Vandaar dat ik ook na mijn vlucht naar het Westen nooit macht heb geambieerd. Alleen maar vrijheid, die ik misschien nog het best zou kunnen omschrijven als macht over jezelf. Naast uiteraard zeggenschap over jezelf, wat democratie is. Nooit heb ik gewerkt, dat wil zeggen iets alleen maar voor geld gedaan. Altijd ben ik blijven spelen, trouw aan het gelukkige kind in mij. En nu ik ouder ben en door succes toch een zekere macht heb verworven, kreeg ik zelf kinderen. Net op het moment dat ik het gevaar liep mezelf serieus te gaan nemen. Want het leven is wel een spel, maar geen wedstrijd.’
Hoort de wedstrijd niet bij het spel?
‘Bij spelletjes, niet bij het spel. Het spel is veel groter. De samensmelting van twee lichamen en zielen bijvoorbeeld kan op basis van een wedstrijd nooit tot stand komen. Ik heb wedstrijden en wedstrijdjes altijd gezien als lichamelijke en geestelijke gymnastiek, niet meer dan dat. Met als motto: de kunst is niet zelf kwaad te worden, maar anderen kwaad te krijgen.’