Alweer zo'n loos pislam-alarm

Staat Nederland aan de vooravond van een ‘islamitische opstand’? Als we de Duitse socioloog Wilhelm Heitmeyer moeten geloven, wel. Volgens hem zijn Milli Görüs-Turken, de aanhangers van de fundamentalistische Turkse Refah-partij, in opmars. Alsof we nog niet genoeg ‘probleem-Turken’ hebben! Sinds de aanslag op de familie Kösedag in Den Haag op 25 maart beseft de burger dat de ‘spanningen’ in de Turkse gemeenschap ‘hoog’ oplopen. Dat problemen uit Turkije naar Nederland ‘geïmporteerd’ worden. Dat PKK-aanhangers en Grijze Wolven molotovcocktails vervaardigen. Die indruk wisten de media, niet gehinderd door kennis en als altijd op zoek naar sensatie, met veel succes te wekken.

Nu dus nieuw gevaar. In de Volkskrant van 6 mei zegt Heitmeyer dat Duitsland islamitisch geweld te wachten staat: Turken en Duitsers zullen elkaar te lijf gaan. Islamieten zullen hun geloof met hand en tand verdedigen en de Duitsers tot Allah willen bekeren. Ze willen zelfs toepassing van de sharia, de islamitische rechtspraak. Heitmeyer: ‘Ook in Nederland groeit Milli Görüs. Ik vermoed dat wat in Duitsland gebeurt, ook in Nederland gaat gebeuren.’
Waar stoelt een Duitse wetenschapper die de praktijk in Nederland niet kent, zo'n uitspraak op? Hoe dan ook, het kwaad is geschied: de krantelezer schrikt. De fundi’s komen! Hebben wij zitten slapen?
Maar hoe bedreigend is de Milli Görüs-beweging in Nederland? Volgens woordvoerder ü. Kabaktepe van de 'fundamentalisten’ in Nederland heeft Milli Görüs 37 moskeeën. Er zijn volgens Kabaktepe minstens veertigduizend aanhangers, maar aan de juistheid van dit cijfer mag getwijfeld worden. Worden vanuit de Ayasofya-moskee te Amsterdam - de bekendste moskee van deze beweging - plannen gesmeed om kerktorens door minaretten te vervangen? Wie er een kijkje gaat nemen, ontdekt een genuanceerder werkelijkheid. Illustratief detail: ná de aanslag in Den Haag heeft het moskeebestuur opgeroepen om niemand van die aanslag te beschuldigen. 'Justitie moet dit uitzoeken. Heb vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten’, hielden moskeefunctionarissen hun gelovigen voor. Ook 'spanningen’ tussen Koerden en Turken zijn er nauwelijks: Milli Görüs benadrukt dat die volkeren in de eerste plaats islamieten zijn. In de Ayasofya-moskee bidden oudere mannen die menen dat alles geschiedt omdat Allah dat wil. Jongens spelen er tafelvoetbal. Ze zijn in die moskee, zeggen ze, omdat er geen andere plekken zijn waar ze zich kunnen verpozen, of omdat ze zich in Nederlandse instellingen niet welkom voelen.
Inderdaad: Milli Görüs-imams spreken over toepassing van de sharia. Maar niet in Nederland. Hun droom is een islamitischer Turkije. Zij streven géén islamitisch Nederland na, maar respecteren de wetten van het land waarin zij verblijven.
Geen reden dus om te spreken over 'islamitisch gevaar’. Ook al wil dat niet zeggen dat het niet belangrijk is dat Turkse jongeren een plek vinden in de Nederlandse samenleving. En dat kan alleen als zij hier toekomstperspectieven hebben. Heitmeyer merkt terecht op dat de neiging onder jonge Turken om zich bij Milli Görüs aan te sluiten, groter is naarmate hun bestaan perspectieflozer is.