Alwetend neefje

‘Ik wil daar in’, zei neef Joris van vijf. We waren in het Scheepvaartmuseum en ik nam aan dat hij een tentoongestelde boot van binnen wilde bekijken. Maar hij wees omhoog naar een computer op een zuiltje. ‘Ik wil in dat huisje.’ Op het beeldscherm van de computer was de doorsnede te zien van de zendkamer van een schip, met daarnaast een geüniformeerd stripfiguurtje, de kapitein. Het was een tekening van dezelfde zendkamer die, tegen de achterwand van de tentoonstellingszaal, op ware grootte was gereconstrueerd. Het zag er reuze echt uit, de apparatuur was zelfs stoffig en verweerd. Alsof er een plakje van een afgedankt schip was afgesneden.

Naar deze ‘echte’ zendkamer kon je alleen maar kijken, er was een glaswand voorgezet. Joris keurde die levensgrote replica nauwelijks een blik waardig. Daar kon je niks mee, dat had hij onmiddellijk in de gaten. Maar het kamertje achter de glaswand van de computer werkte onweerstaanbaar uitnodigend. Daar wilde Joris in. Hij was er van overtuigd dat het kon. Zijn ogen speurden naar een muis, om de kapitein in beweging te klikken. Die zou Joris meteen aan alle knoppen in de zendkamer laten zitten. En als er niet voldoende gebeurde, zou hij het figuurtje meteen het kamertje uit dirigeren. Samen zouden ze de getekende boot in de computer verkennen, hij en de kapitein. Vast net zo spannend als de speurtocht die hij zojuist had ondernomen in het enorme schip van de voormalige Oostindische Compagnie dat bij het Scheepvaartmuseum ligt. Maar er was geen muis. Alleen een grote rode knop waarmee je een tekenfilmpje kon starten, waarin de kapitein tekst en uitleg gaf bij de apparatuur. Niks aan, luidde het oordeel van het vijfjarige jongetje.
'Ik wil daar in’, zei Joris z'n tante van 33. Ze was weer in een museum, nu zonder haar neef. In haar handen had ze een boekje, met daarin een glimmend schijfje dat in de kaft was geschoven. De mevrouw achter de balie van het Stedelijk Museum wilde het boekje al ijverig afrekenen, maar de tante van Joris hield haar tegen. Ze wees naar een computer op een zuiltje. Daarop stond een plattegrond van de tentoonstelling die op dat moment in het Stedelijk Museum te zien was. Die tentoonstelling had de tante van Joris al gezien. Nu wilde ze de tentoonstelling in de computer bezoeken, en wel vanuit haar eigen huis. Maar voor ze het prijzige boekje met het glimmende schijfje mee naar huis nam, wilde ze eerst weten of het allemaal wel in orde was. 'Voor welke computer is deze cd-rom geschikt?’
De mevrouw achter de balie zette haar bril op om eens uitgebreid te lezen wat er op het schijfje stond. 'Het staat er niet op hoor’, zei de tante van Joris geïrriteerd. 'En ik heb geen zin om er vanavond achter te komen dat het voor een Apple bedoeld is, of dat ik meer geheugenruimte nodig heb, of dat ik eerst Windows '96 op m'n computer moet zetten.’ De mevrouw achter de balie keek wazig. Ze ging het even vragen. 'Het is geschikt voor alle computers hoor’, zei ze bij terugkomst geruststellend.
Dat nietszeggende antwoord maakte de tante van Joris bij voorbaat gefrustreerd. Ze zag zichzelf alweer tevergeefs openingscommando’s intypen, tot ze zin had om het glas van de computer kapot te slaan. En ze dacht aan het media-advies dat de Raad voor de Kunst dezer dagen aanbiedt aan de politiek. Een groot opgezet plan om via het onderwijs de 'mediacompetentie’ van de schooljeugd te verhogen. Ik hoop dat er ook bijlessen komen voor ouderen, dacht de tante van Joris, die de cd-rom bij de catalogus van The Second nog altijd niet heeft betreden. Ze wacht tot haar neefje op bezoek komt. Met z'n vader. Want die werkt bij Philips.