Alziend oog in de nachtspiegel

W.F. Hermans is springlevend: kort na elkaar verschenen drie boeken over zijn leven en werk. Sommige auteurs proberen de Grote Meester te verbeteren, soms met gênante resultaten.

Vijftien jaar na de dood van W.F. Hermans zijn er, kort na elkaar, drie boeken over zijn werk en leven verschenen. Hermans, wiens verzameld werk vanaf 2005 zeer verzorgd wordt uitgegeven, is springlevend. Het Grote Willem Frederik Hermans Boek (red. Dirk Baartse en Bob Polak) concentreert zich op het leven van de schrijver en gebruikt de verhalen en romans als decor, WFH-biograaf in spe Willem Otterspeer hanteert in Hermans in hout een mengvorm (hoe verhoudt leven en schrijven zich tot elkaar) en Sonja Pos concentreert zich in haar proefschrift Dorbeck is alles! louter op het literaire: zij analyseert vanuit het gedachtegoed van de Franse historicus en cultuurfilosoof René Girard het fenomeen ‘navolging’ in romans als De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966).
De lezer die het eerstgenoemde boek begint te lezen merkt al gauw dat de samenstellers zich dan wel opwerpen als WFH-adepten, maar dat hun schoolfrikkentoon, suggestieve woordkeus ('vermoedelijke monogamie’; 'waarschijnlijk heeft Hermans destijds cash geld uit Nederland naar belastingparadijs Liechtenstein gesmokkeld’), roddelzucht en rancuneuze instelling al te vaak tot triviale anekdotiek en pseudo-feiten (van horen zeggen) leiden. De betekenisloze na-aperij van Hermans’ polemische stijl is een armoedige vertoning. Af en toe willen ze hun Grote Meester verbeteren, met gênante resultaten. Het 'grote’ WFH-boek blijkt kleinzielig, kwaadaardig en slordig en bevat tegenstrijdige berichten en hiaten (de cruciale Weinreb-affaire wordt aangekondigd maar vervolgens overgeslagen). De literatuur bungelt er gehavend en geschonden bij. De tranen der acacia’s krijgt abusievelijk het etiket 'verzetsroman’, met als hoofdfiguur Oskar Ossegal (?), en met die roman zou Hermans zijn entree in de Nederlandse literatuur hebben gemaakt (de samenstellers zien hier twee dichtbundels, een roman en een verhalenbundel -stuk voor stuk eerder verschenen - over het hoofd). Kinderachtig en kwaadaardig is het rubriekje 'Dat schiet op!’, waarin de redacteuren zinnen en uitspraken citeren die Hermans in zijn werk herhaalt of varieert. Wat willen ze daarmee suggereren? Dat Hermans lui was? Uit het hele boek spreekt onbegrip voor de kern van Hermans’ literaire arbeid. De sloddervossamenstellers - aan biografische bijzaken verslaafde Hermans-stalkers - hadden zich meer rekenschap moeten geven van Hermans’ opmerking in een brief dat hij na het schrijven niet meer precies wist wat hij echt had meegemaakt en wat hij had gefantaseerd.
Hierna is de lectuur van Willem Otterspeers Hermans in hout een verademing. Het navolgen van Hermans brengt Otterspeer op een hoger plan. Niet alleen reist de biograaf zijn onderwerp na (in 1948 was Hermans een half jaar in Canada werkzaam in de houthandel) en gaat hij zijn gangen in Noord-Amerika na, ook ontdekt hij dat zowel Hermans als hij gegrepen werd door dezelfde passage in Ter Braaks essay Carnaval der burgers: een man gaat na zijn ochtendrituelen naar buiten, steekt een sigaret op, merkt dat zijn luciferdoosje leeg is en verdwijnt vervolgens in dat doosje. Deze absurde, groteske verhaalontwikkeling trof Hermans, zei hij in een interview, omdat zich in die scène de kern van goede literatuur verborg: datgene laten zien en benoemen wat de meeste burgers over het hoofd zien.
Lezen en herlezen leidt soms tot onverhoede en mooie uitzichten en inzichten. Een dergelijke uitspraak over het schrijven als demasqué had ik al eens eerder gelezen, in Hermans’ essays over het schrijven in Het sadistische universum 1 (1964) en in het slotverhaal van De laatste roker: Afscheid van Canada, een van de zogenaamd autobiografische Richard Simmillion-verhalen. En jawel, daar stond het, nog pregnanter geformuleerd, midden in een overpeinzing over de maatschappelijke druk op schrijvers met een bijbaan, geboren in een klein land. Het ware schrijven komt niet voort uit een lakeihouding. De waarachtige functie van de schrijver is het ontmaskeren en tuchtigen van de lezers. Alleen al de titel blijkt een knipoog naar Ter Braaks Afscheid van domineesland. Hermans - die heel goed wist dat je wel uit domineesland kunt vertrekken maar dat dat land in je meereist - polemiseerde hier via zijn alter ego Richard Simmillion (het Franse simili betekent imitatie, simuleren, doen alsof, veinzen, nabootsen) met Ter Braak, de essayist die veel navolgers kende maar die door Hermans telkens weer als veredelde moralist en 'ventist’ werd bestreden. In Afscheid van Canada zijn verveling en medelijden de kernwoorden. Hermans’ personage Richard Simmillion, op de slotdag van zijn verblijf in Canada dronken door het opdrinken van een fles Haig & Haig, voelt zich geen avonturier maar een verstekeling in het leven, een mislukkeling. 'Ik was niets en ik was niets geworden.’ Hij, vol medelijden voor zijn houthandelopdrachtgever Robbie (die eigen plannetjes lijkt te bekokstoven), beziet zichzelf vanaf een afstand als hij terugloopt naar de boot die hem terugbrengt naar Holland. De neiging er een eind aan te maken lacht hij weg. Het bedrog is overal. In dagdromen valt daar nog aan te ontsnappen. Richard Simmillion verzint een ideaal leven in New York, waarin hij - kampioen van het narcisme - zich omringd waant door gelijkgezinde 'vrienden’: gevierd als schrijver is iedereen hem toegewijd. Geen vuiltje aan de lucht, geen storing van wie of wat dan ook. Maar die dagdroom staat haaks op de toestand van Simmillion: hij is gestrand, zijn landingspoging is mislukt, hij blijft een blinde verstekeling in het bestaan. Ook het licht laat hem in de steek. Het flakkert vaak en dreigt uit te vallen, dan 'is het of de wereld je niet meer nodig heeft en al bezig is te verdwijnen, lijkt het of je binnenkort alleen zult achterblijven in de ruimte’.
Wat mij zeer heeft verbaasd is dat Otterspeer in zijn Canada-boek wel uitgebreid aandacht besteedt aan een verhaal als Een veelbelovende jongeman (uit Een landingspoging op Newfoundland, 1957) maar Afscheid van Canada negeert. Vergeten? Verdrongen? Een gemiste kans, ook om zijn observatie van de wensende wijs in het werk van Hermans (dagdromende mislukkelingen) uit te breiden. Zijn analyse van Een veelbelovende jongeman is informatief (Hermans schrijft dankzij ironie en karikaturale neigingen nooit een realistisch verhaal, ondanks een lawine aan realistische details), inclusief een scène waarin flakkerend licht een rol speelt. Maar zijn gelijkschakeling van verteller en schrijver is al te gemakkelijk opgeschreven. Goed is Otterspeers signalement van Hermans’ literaire credo, verwerkt in Het alziend oog in de nachtspiegel (een nachtspiegel is een po - gb), een onthullende recensie van De avonden. De waarnemers in Hermans’ literaire universum zijn verraders en bedriegers; de wraakzuchtige schrijver is een sadomasochist die zijn personages als proefkonijnen behandelt, communicatief ontregelt, wanhopig maakt en in het ongeluk stort: menselijk afval in de po.
Hermans in hout is een degelijk maar ook een koket boek, vooral in de hoofdstukken waarin Otterspeer zijn eigen Canada-reis beschrijft en Hermans’ gangen navolgt. Als hij Sebastiaan Klok, Hermans’ mislukkende jongeman op reis in Canada, kenschetst als 'iemand die iemand anders nadoet’ verwijst hij, zonder die studie te noemen, naar Sonja Pos’ uitmuntende proefschrift Dorbeck is alles!, over het thema 'navolging’ als sleutel in romans als De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen. Pos’ boek is een merlinistische proeve van superieure close reading die zelfs de kenners van Hermans nieuws biedt. Zij leest zeer nauwkeurig en toegewijd vanuit Girards opvatting dat navolging een stuwende kracht is achter het menselijk handelen: 'de driehoek van de mimetische begeerte’ bestaat uit het model, de navolger en het begeerde. Als het ideale voorbeeld - dubbelganger, tweelingbroer - een hindernis wordt (opdrachtgever Dorbeck voor brave uitvoerder Osewoudt) en uitgroeit tot een vijandig obstakel, treedt de ontreddering in. Pos analyseert overtuigend dat zowel Henri Osewoudt als Alfred Issendorf (in Nooit meer slapen) na hun navolgingspogingen gedesoriënteerd en ontredderd raakt. Ze zijn ziende blind, en de onoplettende lezer wordt in de luren gelegd. Ook bij Osewoudt en Issendorf laat het licht het afweten (te veel of te weinig licht). Niets komt aan het licht als je niet oplet, en Osewoudt en Issendorf zijn op cruciale momenten onoplettende navolgers van verraderlijke modellen. Bij de zoveelste herlezing van De donkere kamer van Damokles trof mij meer dan ooit, dankzij Pos’ analyse, de scène waarin Osewoudt het rolletje ontwikkelt waarop de foto voorkomt waar hij met Dorbeck opstaat: het ultieme bewijs dat zijn model bestaat. Helaas, door overbelichting is de foto mislukt. In zijn ogen heeft de wereld hem bedrogen en het licht hem in de steek gelaten. Hij dacht dat hij een ander was geworden dankzij Dorbeck, maar zijn gedaanteverandering is mislukt. Hij blijft een lege huls. 'Dorbeck weet alles. Alles, zeg ik. Ikzelf ben niets zonder Dorbeck, ik kom er rond voor uit. Dorbeck is alles.’ Het alziend oog in de nachtspiegel is Hermans’ cynische omschrijving van de condition humaine: we zijn blind, leeg en vluchtig toeval en we verdwijnen in afgronden van taal.
Hermans was van plan een verhalenbundel te schrijven over 'het failliet van het reizen’. De novelle Het grote medelijden - een frontale aanval op Ter Braak en zijn epigonisten - zou daar onderdeel van zijn geweest. De obsessieve hoofdpersoon moest geen zelfportret worden (dagboeken en journaals verhullen meer dan ze onthullen, vond Hermans: het leven is een droom of nachtmerrie) maar wel een schrijversfiguur die zich tegen de Hollandse binnenwaterenmentaliteit zou keren. Innerlijke emigratie is doeltreffender dan lijfelijke emigratie. Maar toch, geen enkele ontsnappingspoging kan lukken: 'je vaderland blijft de enige authentieke materie’ (in Scheppend nihilisme, 1979, interview met Sleutelaar, Vaandrager en Verhagen). Die autobiografische travelogue is er nooit gekomen omdat het schrijven daarvan al snel 'zou ontaarden in een roman’ (Fotobiografie, 1969).
Willem Otterspeer heeft met Hermans in hout een onvolledige deelstudie gepubliceerd als voorproefje op zijn WFH-biografie. Daarin zou een analyse van de mislukking van de typische Hermans-protagonist als gevolg van grenzeloze na-aperij en navolging een ruime plaats kunnen krijgen, alleen al omdat Hermans zijn eigen literaire carrière in 1966 nog als 'mislukt’ omschreef. Hij voelde zich niet erkend omdat hij zich niet begrepen voelde. Sonja Pos’ Dorbeck is alles! is een bijdrage aan de Hermans-studie die de miskenning en de niet-erkenning systematisch bestrijdt. Hermans zelf was bijzonder ingenomen met de paar voorstudies die Pos publiceerde. In een brief aan Wilbert Smulders schreef hij, enigszins hyperbolisch, dat hij bang werd van zichzelf toen hij die las. Een groot compliment, dat meteen iets zegt over de kwetsbaarheid van schrijver Hermans.

IRK BAARTSE EN BOB POLAK (RED.)
HET GROTE WILLEM FREDERIK HERMANS BOEK
Nijgh & Van Ditmar, 336 blz., € 34,50
WILLEM OTTERSPEER
HERMANS IN HOUT: DE CANADESE AVONTUREN VAN WILLEM FREDERIK HERMANS
De Bezige Bij, 238 blz., € 19,90 (zonder register)
SONJA POS
DORBECK IS ALLES! NAVOLGING ALS SLEUTEL TOT ENKELE ROMANS EN VERHALEN VAN W.F. HERMANS
Vossiuspers UvA, 275 blz., € 39,50 (met index en namenregister)