Amalia rodrigues

Amália Rodrigues (1920-1999) was de stem van Portugal. Alleen op het podium was ze gelukkig. Dictator Salazar riep haar uit tot nationaal kunstbezit. Na de Anjerrevolutie kreeg ze het moeilijk. Maar haar kunst overwon.

AMALIA RODRIGUES, de oppermuze van de Taag, wist niet precies op welke dag ze werd geboren. Haar grootmoeder vertelde altijd dat het in de kersentijd was. Om administratieve rompslomp te voorkomen werd besloten dat Amália da Piedade Rodrigues, zoals ze voluit heette, op 23 juli 1920 ter wereld kwam. Ze groeide op in bittere armoede. Haar familie - de vader een joodse ondernemer met weinig geluk in het leven, de moeder met Spaanse wortels - werd net als zovele Portugese families eind jaren twintig meegesleept door de economische misère die zich van het land meester maakte.
Toen die misère werd opgevolgd door het aantreden van de misantrope klerikaal-fascist Salazar als dictator, belandde het land ook mentaal in een depressie. Via zijn Estado Novo schopte deze econoom uit Coimbra, die in 1926 door het leger naar de top was geparachuteerd, met zijn glimmende soldatenlaarzen het land ver terug in de tijd.
De orde werd bewaakt door de Pide, de Portugese zusterorganisatie van de Gestapo, die via een systeem van duizenden verklikkers - aangevuld met wat de katholieke priesters tijdens de biecht aan interessants wisten te ontfutselen - de ene na de andere potentiële ‘volksvijand’ naar de martelkamers wist af te voeren. Salazars belangrijkste wapen tegen de economische crisis was het volk kapot te bezuinigen, terwijl de weelde van het grote Portugese rijk werd verdeeld onder een kleine elite van grootgrondbezitters. In de volkswijken van Lissabon heerste honger, terwijl het volk ook nog eens door een reeks epidemieën werd getroffen.
VOOR DE FAMILIE van Amália was de armoede zodanig dat haar vader besloot de stad te ontvluchten. Op het platteland probeerde de familie Rodrigues een nieuw bestaan op te bouwen, zonder veel succes, zodat Amália op veertienjarige leeftijd terugkeerde in Alfama, zeg maar de Jordaan van Lissabon. Ze voelde zich er een buitenstaander, vertelde ze in de documentaire Estranha forma da vida, die direct na haar dood verleden week werd uitgezonden door de Portugese staatszender RTP. Reeds als jong meisje moest ze werken voor de kost. Ze verkocht bloemen op straat en deed samen met haar moeder de was voor de hoge dames en heren uit de chiquere buurten van de stad, die hun vuile kleren graag naar oud gebruik zagen gewassen in de rivier.
Daar, aan de boorden van de Taag, leerde Amália zingen. Van haar moeder erfde ze haar betoverende stem, die de hele geschiedenis van Portugal - inclusief de vroegere Moorse tijd - in zich leek te herbergen. De Spaanse afkomst van moeder Rodrigues klonken ook in de stem van haar dochter door. Amália kon niet alleen vloeiend Spaans zingen maar wist ook nog eens de allerdiepste registers van de flamenco aan te roeren - zodanig dat meer patriottisch ingestelde landgenoten haar in het begin van haar carrière nog wel eens verweten te veel espanhola in haar fado’s te verwerken.
Amália begon te zingen op straat. In juli 1939 trad ze voor het eerst officieel op. Het gebeurde in de befaamde fado-bar O Retiro da Severa, vernoemd naar de legendarische zangeres Severa, die eind negentiende eeuw met haar fado’s de hoge heren van de stad aan haar - blote - voeten had gekregen.
Severa werd en wordt beschouwd als de vrouw die de fado van Lissabon - geboren aan de grootstedelijke zelfkant tussen hoeren en de pooiers, opiumschuivers en bohémiens - doorgaf aan de rest van het land. Amália was haar rechtmatige erfgename. Ze trad altijd op met een zwarte doek, ter herinnering aan haar mythische voorgangster.
In de desolate omstandigheden die de oorlogsjaren ook ondanks de neutraliteit voor de meeste Portugezen met zich meebrachten, bood Amália troost als filmster. Al snel werd ze Portugals favoriete exportproduct op cultuurgebied. Ze vierde triomfen in Spanje, Brazilië, de Verenigde Staten en Latijns-Amerika. Haar nummer 'April in Portugal’ werd een hit in Amerika. Amália’s succes was zodanig dat Salazar haar tot Patrimonio de Estado uitriep, een soort nationaal kunstbezit. Iets dergelijks zou later ook Benfica-ster Eusébio overkomen, die haar als zijn tweelingszus beschouwde.
Amália beperkte zich zeker niet tot de fado, hoewel haar vertolkingen van het Portugese levenslied natuurlijk in het hart van iedere Portugees gegrift staan. In Brazilië nam ze bossanova-muziek op, in New York experimenteerde ze met big bands en jazz, ze bracht zelfs Japanners in vervoering met haar vertolkingen van Japanse evergreens.
In de jaren zestig, toen ze met groot succes een tournee maakte door het Oostblok en ook Beiroet in vervoering bracht, verrichtte Amália haar grootste artistieke daden. Ze begon samen te werken met de beste dichters en componisten van haar land. Ook bewerkte ze de zestiende-eeuwse gedichten van de nationale dichter Camões tot fado’s, zoals het prachtige 'Erros meus’ ('Mijn vergissingen’). Het tekent haar creatieve gaven. Hoewel Amalia altijd erg bescheiden deed over haar eigen scheppende vermogen ('Ik ben maar een eenvoudige vrouw, ik weet niets, ik hou alleen maar van sieraden’) wist ze ook op poëziegebied te imponeren met teksten als 'Estranha forma da vida en Lavava no rio, lavava’. Haar plaat Amália Rodrigues uit 1962 is wat Revolver voor de Beatles was: een artistieke doorbraak.
NA 1974 KWAM Amália onder vuur te liggen. Revolutionaire heethoofden verweten haar collaboratie met Salazar. Ze zou zich hebben geleend als propagandamiddel van het regime. Ze werd er zelfs van beschuldigd werkzaam te zijn geweest voor de gevreesde Pide. Amália ontkende vurig ook maar iets op te hebben gehad met Salazar. 'Ik weet dat ik me nergens voor hoef te schamen.’
Het enige wat ze wilde was optreden. 'Ik had het applaus nodig als brood in de mond’, vertelde ze. 'Alleen op het podium voelde ik me gelukkig, als ik me realiseerde dat het applaus terecht was.’ Maar de anti-propaganda deed zijn werk. Overal werden haar concerten afgezegd. In Frankrijk, Italië en Brazilië was Amália ineens niet meer welkom. Ze werd ziek van de verwijten, kwam met hartklachten in het ziekenhuis terecht.
Gelukkig bleek Amália ook bij de nieuwe machthebbers innig geliefd. Legerleider Otello, de held van de Anjerrevolutie, ontving haar met eerbewijzen. Ook socialistenleider Mario Soares omarmde haar. Amália nam liederen op van José Afonso, de muzikale held van de revolutie, inclusief diens Grandola villa Morena, de hymne waarmee de Portugese revolutie in gang werd gezet.
Amália zong door, steeds triester, steeds desolater ogend, ook op de hoezen van haar platen. Voor de lp Gostava de ser quem era ('Ik zou willen zijn wie ik was’) schreef ze voor het eerst alle teksten zelf. In 1983 verscheen Lagrima ('Traan’), misschien wel haar meest gevoelige werk. Direct daarop vertrok Amália naar New York, met het vaste voornemen zelfmoord te plegen. Er was een gezwel achter haar oor ontdekt. Ze wilde niet verder leven. 'Er werd geklapt voor mijn fado’s, maar niemand zag de tranen waaruit die kwamen’, vertelde ze later. Naar eigen zeggen werd ze gered toen ze op televisie in haar New Yorkse hotelkamer een film zag van Fred Astaire. De levenslust die van de danser afstraalde, bracht Amalia weer tot leven. Ze vocht met succes tegen haar ziekte en vierde haar herstel in 1984 de lp Na Broadway, een ode aan de muziek van Gershwin en Rodgers & Hammerstein.
AMÁLIA ZONG door tot ze niet meer kon. Ze had alles gegeven toen ze zich eind jaren tachtig terugtrok. Vorig jaar trad ze nog een keer op in Lissabon, waar ze door Mario Soares werd geridderd. Ze stierf op 79-jarige leeftijd. Het grootste gedeelte van haar erfenis gaat naar de allerarmsten van Lissabon. 'Jouw fado’s hebben me geleerd te leven’, schreef een man uit de Alentejo in een rouwkaart. 'Ze zullen me ook leren sterven.’